vrijdag 21 september 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Een aanslag
Gepubliceerd op: 03-09-2018 Aantal woorden: 1672
Laatste wijziging: - Aantal views: 43
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Een aanslag

Henk Gruys




De blinkende spoorrails die naar de horizon voerden, waren de man tot nu toe tot een soort gids geweest. Rails die hem voorkwamen als iets betrouwbaars in het onbekende gebied, en zelfs als enigszins beschermend. – Ze kwamen in ieder geval ergens vandaan, en gingen ergens naartoe; al wist hij ook helemaal niet waarheen.
    Aan zijn rechter zijde, achter een ongelijke, verdrogende wal van grashopen, keien en zand, strekte zich een vuilstortplaats uit, zo massaal als hij nog nooit had gezien. Ontelbare hoge, witte heuvels vol klapperende plastic vellen, zo ver als het oog reikte. Ze stonken vreselijk. – Hier reed de trein dus steeds verder de smerigheid in dacht hij, terwijl hij nog stilstond om te kijken. Zijn tegenzin was groot, maar hij liep na enige tijd toch weer verder.
    De omgeving was hem steeds onwezenlijker voorgekomen, al zou hij niet kunnen verklaren wat er zo eigenaardig aan was. De bomen waren inderdaad exotisch te noemen, met kale stammen en een krans van zwartgroene palmbladeren bovenaan, als losgetrokken pruiken.
    Toen, niet ver van de bossages die hier aan de rand begonnen, trok iets zijn aandacht. Een donkere, zwartige hoop lag daar. Het was geen aarde. Toen hij dichterbij kwam zoemden er een zwerm insekten rond zijn gezicht. Er bleek onder de takken een groot dood dier te liggen. Een wild zwijn? De kop was ingeslagen met een bijl. Die zat nog in de bloederige opening die zij had veroorzaakt. Het scheen hem dat de roestige bijl na de klap het bloed terug uit de wonde had kunnen zuigen, zodat daar nog opvallend weinig meer van was te zien.
    Waar hij stond liep de bodem omlaag naar een golvend veld, met rijen donkere bulten als grote molshopen. Deze vertoonden barsten over het oppervlak, waarbij binnenin een vulkanisch vuur leek te gloeien. Naarmate hij afdaalde, voelde hij de hitte ervan afstralen op zijn handen en blote knieën.
    Dan een verdacht gerucht. Hoezeer voelde hij weer dat de omgeving hem vijandig was. Hij keek. Er kwam over de rails een laag wagentje op vier wielen aanrijden. Er stond een groot, wit marmeren halfbeeld op. Er ging iets onherroepelijks van uit, wat hij niet direct begreep. Toen hij beter keek zag hij dat het een rijzig borstbeeld van een Romeins veldheer was. Geen wapens of handlangers had dit beeld nodig om gezag in te boezemen, want indringend was het van zichzelf genoeg. De man was nog steeds op zijn hoede en deed snel een stap achteruit.
    Net op tijd; het voertuig had zich iets versneld, en raakte toch even zijn linker voet pijnlijk, wat hij niet geheel had kunnen voorkomen. Hij keek nu bovenop het geheel en zag er een metalen knikarm. Knikarmen waren uiterst gevaarlijk; geheel onverwacht kon zo'n scherp gepunt wapen met kracht in je voet slaan.
    Het wagentje was weer even vlug in het gebladerte geschoven als het was gekomen. Het ritselde nog, en het was weer stil.
    De man had hierover absoluut de verantwoordelijke landeigenaar willen spreken. Hem wijzen op zijn gevaarlijke maatregelen. Want dit was toch een rare manier van doen! Verboden Toegang! Maar er was nergens iemand die hij op zijn verantwoordelijkheid kon wijzen.
    Wel ontdekte hij verderop een lift in een boom, een constructie van staal en plexiglas, al half overwoekerd door het gebladerte. Het geheel moest zijn overgebracht uit een flatgebouw, maar hij begreep niet waarom. In de voorwand zat een kleine luidspreker die zei dat het de hoogste tijd was, en dit herhaalde de stem nog twee keer.
    De deur van de lift schoof nu open en er klom een dikke jongeman naar buiten. De man had nu graag in de lift willen stappen om te zien wat er boven was, maar de deur schoof vanzelf weer dicht. De jongen had een windjack aan in de kleuren van de Italiaanse vlag: groen, wit, en rood. – Kende hij hem? De man meende dat hij in hetzelfde flatgebouw woonde als hij.
    De jongen had een blik in de ogen of er met hem niet te spotten viel en zei: "Ik vraag me af wat u hier uitvoert. U bevindt zich op de domeinen van het kasteel Gandolfobras. En ik moet u dringend verzoeken zo spoedig mogelijk te verdwijnen. Dit in opdracht en uit naam van de kasteelheer."
    "Zo dus jij bent hier de boswachter?" zei de man; het klonk honend, en tegelijk of hij geenszins van plan was één stap terug te doen. Hij spuwde op de grond en zei: "Verdwijnen? Ik kan hier weggaan of ik kan hier blijven, – al naar gelang. Echter verdwijnen behoort niet tot de mogelijkheden. – Ik ben geen goochelaar!"
    Flauw antwoord. De jongen vertrok zijn gezicht tot iets smartelijks, alsof hij niet had verwacht om vanwege zijn eerlijke plichtsbesef te worden gekapitteld. De man stond nog even stil op het bospad. Nu wist hij zeker; de jongen woonde in hetzelfde flatgebouw als hij, maar een feit bleef het dat hij hem nog nooit had gesproken.
    Hij ging op enige afstand de jongen volgen, die oplettend en behoedzaam afdaalde van de helling. Het kwam de man ineens voor of het bos op de achtergrond ieder moment in een zware nevelbank kon wegzinken. Maar hij leek er geen aandacht meer aan te willen besteden. Peinzend keek hij naar de jongen. "Men kan hier gemakkelijk verdwalen" riep deze, net of hem wat gevraagd werd. Hij veegde met zijn mouw over de middenbaan van zijn jack, alsof een goede oriëntatie daar van afhing.
    Ze zochten hun weg in het lager gedeelte van het veld; achter elkaar, in het hoge gras. En kijk, hier liepen ook weer die treinrails. Waar ze vandaan kwamen was niet te bepalen, maar ze voerden in de richting van een verwaarloosd houten huis, dat te midden van vaag stinkende rookwolken een zekere kwetsbaarheid uitstraalde. Toen ze dichterbij kwamen, en de wind de nevel voldoende weg had geblazen, waardoor het huis steeds meer zichtbaar werd, zei de jongen: "Er is daar brand uitgebroken. En de man die nog daarbinnen is, kan niet lopen. – Al zou hij dat op het moment beslist wel willen, nu de vlammen achter zijn rolstoel beginnen te wapperen."
    "We zullen moeten helpen," zei de man kort, en hij keek rond of hij die hulp onmiddellijk ging organiseren. "We kunnen niet zomaar blijven toekijken, er kunnen wel dooien vallen."
    – Met tot kieren toegeknepen ogen speurde de man langs de muur. Maar nog altijd zag hij er niet veel bijzonders aan.
    "Heb jij dat gedaan, die brand?" vroeg hij. Het was zo plotseling, dat de jongen eerst dacht dat hij een klap zou krijgen. Hij reageerde er niet op. Altijd ergens op te moeten antwoorden, daar kon geen mens toe verplicht worden. – Hij trok een gezicht of het iets zeer persoonlijks betrof waar de ander iets mee te maken had.
    Toen ze bij het huis kwamen, zagen ze een rode brandweerauto op het erf staan. Alle slangen waren uitgerold naar het huis en overal lag water. Ze liepen er over heen naar de zijmuur waar drie stalramen in zaten, naast elkaar en met stenen timpanen erboven. Rook was er niet veel, – zeker weggewaaid, dacht de man. De bewoner had een olieverfschilderij, een gefijnschilderd mannenportret, in een van de vensters gezet, misschien met het oogmerk het uit de brand te kunnen redden. Het doek vulde het gehele raam. De geportretteerde, niet zeer afstekend bij de achtergrond, droeg een fluwelen muts, waar een prachtige paarse vogelveer doorheen was gestoken. De brandweerman bij zijn rode slangen begon onbedaarlijk te lachen toen hij de situatie zag. Hij richtte meteen zijn krachtig spuitende mondstuk op het schilderij, en spoot er dwars doorheen de kamer in. De jongen die op de helling positie had gezocht om de brand goed te kunnen bekijken, lachte op volle kracht. Toen zag de man dat het huis helemaal niet in brand stond, maar dat de vlammen bij de ramen en de dakgoten er gewoon opgeschilderd waren. "Jij bent eigenlijk een heel gemene rotzak!", zei hij nadrukkelijk en langzaam; hij was plotseling kwaad geworden, hoewel zijn stem nog tamelijk kalm klonk. Hij liep naar hem toe en gaf hem een draai om de oren, zo hard dat hij bijna naar beneden viel, maar zich nog net aan de grashalmen wist vast te houden.
    De jongen raakte nu buiten zichzelf van woede. Hij klom als een geit de helling op; en in zijn ene hand hield hij een slagersmes. Hij hief telkens zijn hand op en stak vier keer op de man in, die dat uiterst probeerde af te weren. Het mes was echter veel te roestig en te bot om ernstige wonden te maken. Eerder kon het van ouderdom doormidden breken.
    De man had zich ook nauwelijks tegen de aanslag verweerd. Zijn ogen stonden flets; zijn mond viel open als een klep die niet meer te sluiten was. Toen zakte hij als een ledenpop ineen, waarbij het bloed stroomde uit een ader in zijn hals.
    – Achter hen beiden, tussen de bomen, diende zich nu een korte, zwarte trein aan, getrokken door een zwaar zuchtende locomotief. Langzaam kroop de overdadig stomende combinatie de helling op, – kleine vlammen kwamen uit de schoorsteen.
    – Ergens begon een bel oorverdovend te ratelen. En twee mannen in de bak op de stookplaats waarschuwden eventuele passanten met geschreeuw en gebaren. Dat niemand het zou wagen om op het laatste moment nog even de rails over te steken.



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens