vrijdag 25 mei 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Het cadeau
Gepubliceerd op: 23-03-2018 Aantal woorden: 1572
Laatste wijziging: 24-03-2018 Aantal views: 123
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Het cadeau

Henk Gruys




                                        Het cadeau


Tergend langzaam, maar daardoor niet minder opzettelijk, naderde de stoompont de steiger. Nog volop dreunde de machines; de stoom luid sissend, werd afgeblazen door een buis naast de schoorsteen. Het stonk in de naaste omgeving naar kokend water
    Bijna vanzelf dreef de pont de kant op van een kleine inham, waarin het water leek te worden weggezogen, om dan met kolking weer terug te keren.
    De passagiers, zeven mannen en vrouwen met koffers, stonden aan één kant bij de reling; te wachten om weg te gaan zodra de loopplank was uitgelegd. Ze keken toe hoe de dekknecht een dik, lichtbruin kokostouw achter zich aantrok, om de boot vast te leggen.
    Op het eiland stonden vier mannen: drie oudere en een jongere, die niets met elkaar te maken leken te hebben.
    De jongeman in vakantiekleding was de eerste die van boord ging, dalend alsof hij de wind in de rug had. Op de wal hield hij stil.
    Hij ritste zijn jack open en haalde er een slecht opgevouwen kaart uit. Het was of hij de gegevens van de kaart ging vergelijken met de plaats waar hij stond. Al gauw echter vouwde hij hem weer op. Kaarten waren hier eigenlijk nutteloos; het eiland was veel te klein. Je zag, als je van de pont kwam, eigenlijk maar één gebouw: links, – opgetrokken van donkere, grijze steen.
    En bijna alleen zandpaden, aan weerskanten begroeid door heideachtige struikjes. De jongen keek twee keer in verschillende richtingen, alsof hij het niet vertrouwde dat er zo weinig te zien was. Toen stak hij het zandpad over in de richting van het grijze gebouw, waarvóór een kleine parktuin was aangelegd. Na een paar minuten was hij zo dicht genaderd dat hij ramen en de uitbouwsels kon zien.
    Het was eigenlijk een klein kasteel, aan vier zijden door een slotgracht omgeven, met een witte ophaalbrug over het water. Aan het ijzeren hek van de toegangspoort had men een kleine vlaggestok vastgebonden. Op de vlag stond het woord "Museum" in goud; met drie blauwe golfjes eronder. Hij liep de brug over, en daarna de tien treden van de hardstenen stoep op.
    In de hal van het gebouw heerste een koelte alsof die kunstmatig was. Aan een tafeltje zat een nog niet zo oude man in een vaalblauw jasje te dutten. Zulke dikke brilleglazen had hij dat het een wonder leek dat hij nog iets kon zien. Hij schrok wakker toen de jongen hem naderde. "Je moet een toegangsbewijs kopen," zei hij, en gaapte. – Hij realiseerde zich terdege dat de jongen hier vaker was geweest; eergisteren nog zo geloofde hij.
    De jongen beduidde met een gebaar dat hij van nature niet goed kon spreken. Hij haalde met een schokkerige beweging een bankbiljet uit zijn zak, waarop de man een kaartje van een rol afscheurde en het geld oppakte.
    De jongen liep haastig door. Zijn voetstappen klepperden, doordat de marmeren tegels in de hal al jaren niet meer goed vast lagen.
    – Voor de kunstwerken leek hij nauwelijks belangstelling te hebben; eerder was het alsof hij iets zocht. Pas in de vierde zaal zag hij het eindelijk waarvoor hij was gekomen: een nauwkeurig geschilderd portretje van een jong meisje in fijn roze nuances, met rood haar, zachte wangen en helderblauwe ogen.
    Hij keek om zich heen en vooral achter zich, maar de suppoost was nergens te zien. – Het was maar een klein schilderij, nauwelijks groter dan een leesboek; al zat er een brede lijst omheen. Nadat hij nogmaals had omgekeken, haalde hij een tangetje uit zijn zak en knipte het ijzerdraad door. Daarna haakte hij het schilderij van de wand, hetgeen tot zijn verwondering heel makkelijk ging. Voorzichtig verborg hij het onder zijn bloes. Hij liep terug naar de deuropening en keek om de hoek. De stoel van de suppoost was leeg; – maar hij durfde niet meer terug langs de ingang te gaan.
    Aan het eind van de gang was een raam. Hij liep er heen en opende hij het, opnieuw in verbazing dat alles zo makkelijk ging. Hij wipte zijn benen over het kozijn en sprong naar buiten. Achter zich hoorde hij de suppoost iets roepen; maar hij liep vlug de berm af tot hij bij het oeverriet kwam. Daar haalde hij het portretje onder zijn bloes te voorschijn. Uiterst behoedzaam stapte hij nu het water in; met één hand hield hij het schilderij hoog boven zijn hoofd, zodat het droog bleef. Toen begon hij met enkele, kalme slag de gracht over te zwemmen.

Aan de overkant klom hij op de wal.
    Hij bekeek het portretje; er zaten slechts enige waterdruppels op, die een beetje schitterden in de zon. Die probeerde hij met zijn zakdoek weg te vegen, maar dan kwamen er weer nieuwe druppels bij. Toen ging hij in de berm zitten om zijn kleren te laten opdrogen.
    Na een half uur stond hij op en liep terug naar het zandpad. Voorbij de bocht stond een rijtje witgepleisterde huisjes. De jongen kende de weg; hij liep op het eerste huis toe, waarvan de voordeur op een kier stond. Met één hand kon hij hem openduwen.
    Hij betrad een armoedige huiskamer; waar een zieke lucht hing. Hij liet zich evenwel niet afleiden en liep naar het witte, ijzeren ledikant. Er lag een tamelijk oude vrouw in, met de ogen gesloten, haar mond op een kier, en haar hoofd vermoeid zijdelings afgekeerd. Rubberen slangen waren verbonden met zakjes die aan het bed waren opgehangen. De jongen stootte het bed aan en slaakte tegelijk een kreet die klonk als "Hoooh".
    De vrouw opende verschrikt de ogen; maar begon direct vriendelijk te kijken, toen ze zag wie er was gekomen. "Neef Alfred!" De jongen boog zich over haar heen en kuste haar op de wang. "U bent jarig," riep hij op blije toon, maar met enige moeite. "Ik heb een cadeau voor u!" zei hij haastig. En meteen haalde hij het schilderijtje van achter zijn rug tevoorschijn.
    "Ja ik ben jarig geloof ik," zei zijn tante glimlachend. Ze ging wat meer rechtop zitten om het schilderij goed te bekijken. "Een cadeau voor u," zei de jongen, – "een schilderij. Het is Anja, ziet u wel." Hij keek verheugd en verlegen tegelijk.
    "Mooi hoor," zei zijn tante, en streek met de rug van haar hand over het doekje. "Dat is Anja? En is dit echt voor mij?"
    "Dat moet u ophangen!" zei de jongen, en hij wees naar de lege kamerwand, tussen twee ramen in. – "Ja, zodat ik er de hele tijd naar kan kijken," zei zijn tante.
    De jongen toonde zich zeer verheugd nu hij zijn cadeau aan zijn liefste tante had gegeven, en staarde glimlachend naar de vloer, waarbij hij een beetje draaide met zijn schouders.
    "Als Anja straks thuiskomt," zei hij, "zal die het ook heel mooi vinden."–
    Zijn tante ging nu nog wat meer rechtop zitten; het leek of zij ineens veel minder ziek was dan op het moment toen hij binnenkwam. "Maar Alfred, vertel eens," zei zij ernstig, "hoe kom je eigenlijk aan dat schilderij?"
    Hij antwoordde niet. Hij keek door de kamer, waarvan de overgordijnen gesloten waren. – "Waar heb je het vandaan?" vroeg zijn tante. "Vertel eens. Heb je het soms uit het Eilandermuseum gepikt?"
    De jongen zweeg.
    – Oh Alfred! Als zij dit merken... als ze het hier vinden, zullen ze besluiten dat je weer naar het gesticht moet. – Omdat het niet lukt met jou, en het geregeld fout gaat! Luister je wel goed? Ja je zegt van wel, maar je doet het niet! Alfred! Wat hebben we toch een problemen met jou! Ga dat schilderij onmiddellijk terugbrengen waar je het vandaan hebt! Ben je helemaal gek geworden? Je kunt dat daar niet zomaar weghalen!" – Zij drukte het hem abrupt in de handen en viel amechtig terug in de kussens.
    Alfreds gezicht stond vol tranen. Hij wilde nog iets zeggen over het schilderij, maar dat kon hij niet. Hij keerde, het portret vast tegen zich aan drukkend, zich abrupt van haar af. En zonder iets te zeggen verliet hij vlug de kamer en stampte door het gangetje naar buiten.
    Hij holde terug naar de waterkant, naar waar grote keien door het water overspoeld werden. Het schilderijtje legde hij in het gras.
    Geluidloos huilend bleef hij zitten, maar dat hield na enige tijd op, en zat hij stil voor zich uit te staren, zijn hoofd in de handen.
    Verderop bij de steiger blies nog de stoomfluit van het veerpontje, ten teken dat het weer naar de overkant ging.



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens