zondag 17 december 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - De Fotografe - (slot)
Gepubliceerd op: 04-12-2017 Aantal woorden: 2634
Laatste wijziging: - Aantal views: 28
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

De Fotografe - (slot)

Henk Gruys




3.

Elfien reed terug naar huis, steeds meer omgeven door de rellende drukte van de avondspits. – In haar appartement verkleedde zij zich snel en schreef daarna met behulp van een woordenboek een brief naar haar Franse uitgever.
    Een vrije avond had zij evenwel niet. En ze zou er ook niet met de camera op uit kunnen trekken of in de donkere kamer werken. – O, om ooit iets anders te doen dan vervelende gesprekken te moeten voeren met geborneerde mensen uit de publiciteitswereld, het soort onderonsjes zoals haar vanavond weer een te wachten stond!
    Zij stapte weer in haar wagen en sloeg zonder enthousiasme de richting van een drukke stadswijk in, met straten vol lantaarns die door de naderende duisternis een groen licht verspreidden, bijna complementair aan de vele achterlichten op de weg. Zij kwam langs etalages met de meest uiteenlopende artikelen, waarboven plafondspotjes al de hele dag brandden. De commercie van de stad golfde aan met een stortvloed van kleuren en schitteringen, aan haar voorbijgetrokken als op een tapis roulant.
    Harold had wel eens geklaagd dat hij zenuwachtig werd van dit uur van de dag, het uur dat de lichten aangingen. Daar had zij geen last van. Van niet veel werd zij nerveus. – "Kun je ook niet hebben in een beroep als het mijne." Harold was op dit punt kwetsbaar, zou zelfs nog ongeschikt zijn als assistent van een saaie trouwfotograaf.
    Zij werd hoogstens ongeduldig van stoplichten die niet op groen wilden springen, en ze was toch al zo aan de late kant...
    Onder de televisietoren, die uit een groenaanleg omhoogschoot als een barse betonnen vuist, parkeerde zij haar wagen. Ze speurde naar een rode Volvo, maar zag die niet. Zou Eversberg weer over een half uur pas komen aankakken, zoals de vorige keer? "Ja sorry, de stafvergadering is een beetje uitgelopen." En zij maar wachten achter haar Spa rood... En ze had toch al zo'n hekel aan die tent boven. Veel pretenties en onbeschofte bediening, daar was alles wel mee gezegd. Terwijl zij het parkeerterrein overstak, bedacht zij dat de praktijk de laatste maanden was: drie dagen fotograferen en donkerekamerwerk, en vier dagen vergaderen en met iedereen meekletsen. Zij moest toch weer eens gaan denken over een zaakwaarnemer. Eeuwig jammer dat Harold daar niet geschikt voor was.
    De draaideur zuchtte alsof hij steeds neerslachtiger werd van al die mensen die hij moest binnenlaten. Maar bij haar lift stond toevallig niemand. De roestvrijstalen cel met zijn hermetische schuifdeur stonk naar nat karton en schudde zacht aan zijn kabels bij het instappen. Maar de honderdtwintig meter naar de top legde hij binnen de minuut af, zonder schokken, zonder een zuigend gevoel in de maag. Toen zij uitstapte ging in de gang juist de deur van de toiletten open en Eversberg kwam naar buiten.
    O die eeuwige grijze pakken, daar moest hij er zeker wel tien van hebben, ook al had hij er deze keer zowaar een rood stropje bij aangedaan. Zijn kraakstem, uitvloeiend over zijn vette glimlach, kwam haar al tegemoet.
    Het rare van Eversberg was dat hij bij binnenkomst nooit groette. Hij knikte, lachte en begon meteen op luide toon een gesprek, waardoor het leek of je hem vijf minuten eerder al had ontmoet, maar hij toen even was weggeroepen.
    In het restaurant was het stil en stonk het ondanks alle hoogmoed en Michelinsterren naar oud frituurvet. Harold zou het hier niet lang uithouden, dacht zij. Want zij voelde heel goed wat hij bedoelde met "bang voor de avond", zij wist absoluut waarover dat ging, – ook al beïnvloedden omgevingen haar zelf ook niet in het minst.
    Eversberg en zij gingen zitten aan een tafeltje bij de gebogen ramen. Alleen zichtbaar in het zwart waren de lichtstrengen van kaden en wegen, de wijde colliers van de pleinen en de hellende snoeren van de viaducten. – In één uur draaide het hele restaurant driehonderdzestig graden om zijn middelpunt. Dat was zo langzaam dat je het bijna niet merkte. Maar tijdens een gesprek realiseerde je je dat je zowat ieder kwartier een ander panorama onder je had; voor een lichtelijk overspannen iemand al genoeg om nerveus van te worden.
    Een lange ober met een gezicht of hij al de hele tijd getuige was van iets wat hem absoluut niet aanstond, kwam bij hen staan met een notitieboekje, nam de bestelling op en liep weg
    "De zaak is," begon Eversberg, na een paar niet ter zake doende opmerkingen, waardoor Elfien al voelde dat deze bespreking niet geheel naar wens zou verlopen, "de zaak is dat het met die serie van jou over de ongelukken op de snelweg nog helemaal niet rond is."
    Elfien keek naar zijn paars verkleurde knolneus.
    "Niet rond? Die was toch al rond? Mankeert er iets aan dan? Niet èrg genoeg?"
    "Er mankeert niks aan. Prachtige serie. Hartverscheurend. Om akelig van te worden. Schitterende documentatie ook. Maar dat is het nu juist! Er komen heel veel herkenbare personen op voor. Dat raakt aan de privacy! Daarmee zouden we grote risico's lopen met de nabestaanden als we uitkomen. Alleeen al uit piëteitsoverwegingen... maar als het verkeerd valt, een rel wordt, kan ons dat een heleboel lezers kosten!"
    Zij dacht: hij praat over piëteit, maar denkt aan zijn abonnementen. – "Maak die gezichten dan onherkenbaar! Plak er voor mijn part van die zwarte strookjes op."
    "Balken? Ja maar dat is toch niet mooi! En het gaat niet om twee of drie foto's! Die hebben al in de krant gestaan. Nee, de hele serie! Juist door de hoeveelheid werkt het ècht verpletterend! Dat hierna nog iemand in zijn auto durft te stappen! Dat er nog eentje durft in te halen! Dat met mist iemand nog harder dan 30..."
    "Verpletterend. Maar jullie durven dus niet!'
    "Zo is het maar net." Eversberg was vrij schaamteloos, letterlijk. Op zo'n moment tegen hem inpraten had het effect dat hij een beetje meegaf, maar zonder dat je daar iets mee opschoot. Het was als boksen tegen een wand van rubber.
    Elfien zei: "Bang om je aan koud water te branden! – Weet je wat, ik trek de hele serie bij jou terug, het was toch al een freelance-opdracht; en ik zoek er wel een boekuitgever voor. Was ik trouwens toch al van plan..."
    "Moet je zelf weten. Maar als ik je een goede raad mag geven: doe het niet. Je krijgt er onherroepelijk een hele hoop gedonder mee. En er is natuurlijk ons contract, dat weet je ook. Maar denk eens aan de andere consequenties! Dat kan je met rechtszaken veel geld gaan kosten. Daar zijn ze tegenwoordig echt niet misselijk mee."
    De chagrijnige kelner kwam aan met een schoon tafellaken, borden en bestek en hun gesprek stokte. Het restaurant was intussen al een flink stuk gedraaid en het uitzicht was op het zuidwesten, de richting van de luchthaven. De isolatie van het gebouw zorgde ervoor dat de gasten het vliegverkeer niet hoorden, enkel zagen. Er kwam juist een toestel laag over, met veel knipperende lichten. Een vliegende kermistent, dacht Elfien die in het spiegelend zwart keek, schuin over de schouder van Eversberg heen, – of frivoler: een hoerenkast met vleugels.
    Toen de ober weer weg was, vroeg Eversberg, zijn bord en bestek herschikkend:
    "Waar ben je op het ogenblik mee bezig?"
    "Dat heb ik op de laatste redactievergadering toch al gezegd?"
    "Maar daar was ik niet bij."
    "Met een serie over mannelijke erotiek."
    "Over?.." Eversbergs ogen kregen iets onthullends naar Elfiens mening. – Zou hij misschien denken daarvoor ook in aanmerking te komen... (ik moet er niet aan denken...)
    Eversberg wilde nog iets zeggen, maar de ober met de laatdunkende oogopslag bracht twee porties nasi speciaal en twee pils, zette schalen en bierglazen neer.
    Eversberg zei: "Na het eten zullen we het gesprek bij mij thuis voortzetten."

4.
De voorbereidingen voor Elfiens tentoonstelling, die zou plaatsvinden onder auspiciën van de uitgeverij waarvan Eversberg chef-redacteur was, waren nog altijd niet afgerond. Men leek op het laatste moment nog te aarzelen. Bang voor negatieve publiciteit, schending van privacy, rechtszaken, schadeclaims? Op de redactie waren niettemin al wat foto's rondgegaan. Er werd besmuikt gelachen, meest uit ongeloof. Degenen die misselijk werden van de verschrikkingen van het moderne autoverkeer, liepen weg. De rest werd geboeid door het gruwelijke van de werkelijkheid van alledag; al werden er, uit ethische overwegingen wel vraagtekens bij gezet.
    Niet veel werd er dan ook verzwegen of verdoezeld, de argeloze kijker weinig bespaard. En dat terwijl driekwart van de opgenomen beelden wegens aantasting van de "privacy" niet eens mocht worden getoond.
    Een verslaggever van een groot weekblad, die beweerde voorlopige inzage te hebben gehad in dat achtergehouden "materiaal", bepaalde zich er toe – zij het wat overdreven – een beeldende beschrijving te geven van de taferelen die op de tentoonstelling zouden worden getoond. – En de rest loog hij er gewoon bij.
    Hij beweerde te hebben gezien. – "Off the record" :
    – Vier brandende personenwagens op een landweg in regenachtig Frankrijk.
    – En: twee echtparen in een verkreukelde trouwauto, de anjers nog in het knoopsgat, de gezichten onherkenbaar verminkt.
    – Een dode vertegenwoordiger met de fotootjes van vrouw en kinderen vóór hem in het totaal vernielde dashboard.
    – Gezinnen, op weg naar hun vakantie, verongelukt; de slachtoffers onder zeiltjes, een uiteengereten caravan in de berm.
    – Omgevallen vrachtwagens, met halve schapen, zwartgeblakerde varkens, opengereten koeien, verpletterde kippen.
    – Auto's in vijf stukken gescheurd, her en der verspreid over een kruispunt.
    – Complete voetbalelftallen, voorover geschoten in een versierde, maar nu overlangs gespleten touringcar.
    – In een boom geslingerde levenloze man (of vrouw).
    – Dood mannenhoofd op een vreemd lange nek, stekend door een voorruit van een busje.
    – Sneeuwfoto van een brandende tankauto, een huis binnengereden. Holt daar een vlammend m e n s de weg op?
    Wat ging er door u heen, toen u dit allemaal zo zag? had de journalist Elfien gevraagd.
    "Niets eigenlijk," had zij volgens hem geantwoord. "Je denkt, als je dagelijks op de weg zit, blij dat het mij niet is overkomen, maar je sluit je ervoor af. Misschien later achtervolgt het je nog even, maar meer ook niet. Je moet er eenvoudig niet over nadenken..."
    En verder: "het is op het moment alleen maar een kwestie van door het oog van de camera blijven kijken..."
    "En op dat knopje drukken," zei de verslaggever ad rem. – "Een kei- en keiharde vrouw, deze Elfien Schwartzhof" besloot hij zijn "niets verhullende" artikel.

5.
Elfiens ex-man Harold, overigens geheel onkundig van haar nieuwe leven met de camera, had al heel spoedig geoordeeld dat hij een fout had begaan. Of eigenlijk: dat hij een overhaastte beslissing had genomen. Dat hij een soort bedenktijd had moeten voorstellen. Op de een of andere wijze had hij nu het gevoel – kon dat niet bewijzen, – dat de verandering totaal onomkeerbaar was geworden. En hoe langer de echtscheiding duurde, hoe geringer de kans dat die beslissing nog terug kon worden gedraaid. – Hij wilde het niet voor zichzelf uitspreken, daarvoor had hij toch weer iets te veel trots in zijn karakter, maar diep, diep in zich, moest hij erkennen dat hij steeds meer spijt kreeg van hun uiteengaan.
    Elfien vond zijn houding slap en zeker niet passen bij haar standvastige karakter; beschouwde hun verwijdering als een duidelijk blijk van langzaam opgebouwde on-interesse van beiden, misschien zelfs van irritatie en toenemende weerstand. Maar doordat haar aandacht bij haar zakelijke beslommeringen lag, stond ze daar niet lang bij stil.
    Harold, kinderlijk onrealistisch hoopte dat Elfien dezelfde overwegingen zou koesteren als hij. Toch was hij wat terughoudend in het het contact maken met haar. Iets onbepaalds weerhield hem. Beseffend dat het een soort test met onverbiddelijke uitslag was, vreesde hij dat een ontmoeting op een teleurstelling zou uitlopen. En wilde hij het laatste beetje hoop niet aan het toeval prijsgeven.

6.
Een avond die begon als alle andere. Elfien was, na een belangrijke gemeentelijk opdracht op het stadshuis ontvangen te hebben, op weg naar huis. Over de autobaan suisde zij voort in haar donkere, lage wagen. Het vroege voorjaarsweer was al de hele dag buiïg; zij had het koud en rilde, diep in de kraag van haar mantel gedoken.
    De buitenwereld van kruisende snelwegen en viaducten had zij spoedig achter zich, toen een plotselinge hagelbui het citroenschijven liet ratelen op de motorkap en de voorruit. De weg werd in een oogwenk wit en glad. Maar met onverminderde snelheid, het zijdelings wegglijden verontachtzamend, reed zij door. Ze had haast en was al zo laat...
    Dan een lange, flauwe bocht. Een tegenligger die zijn felle lampen niet wilde dimmen, naderde snel, waardoor zij een moment in een verlichte bol zonder randen verkeerde. Zij zag een omvangrijk licht op zich af komen, een cirkel van licht, een grote zwarte koplamp met flitsende stralen.
    Toen een alles overtreffende klap: de wereld werd gelijk zwart. En zij hoorde niet langer tot die wereld.

7.
Harold kreeg het bericht van het ongeluk via de politie, die zijn naam en adres had aangetroffen in Elfiens vernielde auto.
    In één seconde leken zijn hersens door de schok verdoofd en wazig geworden. Hij liet zijn avondeten in de steek en ging onmiddellijk met een taxi naar het ziekenhuis. Alles wat hij onderging, zag en hoorde scheen niet echt te gebeuren, maar leek als een onscherpe film versneld voor hem afgespeeld te worden. Tegelijk voelde hij, dat hij de krampachtige toestand, die hem in leven hield, niet lang vol zou kunnen houden.
    In het ziekenhuis werd hij apart genomen door een vrouwelijke arts. Zij had goed èn slecht nieuws. Zij wilde er niet omheen draaien, Elfien was buiten levensgevaar, maar er moest rekening mee worden gehouden dat zij nooit meer zou kunnen lopen.

Harold bleef zich de komende weken afvragen hoe hij het ongeluk van Elfien ooit te boven zou kunnen komen.
    Hij die toch al zwaartillend en somber van aard was, werd depressief en ziekelijk, en kwam nog maar weinig de deur uit. –
    Maar zijn ex-vrouw, ondanks het vreselijke gebeuren, bleef een onverbeterlijke optimiste. – Zodra zij weer aan het herstellen toe was, begon zij in haar snel aangepaste flatje alweer plannen te maken voor de toekomst, en in het haar resterende leven de fotografie te gaan voortzetten vanuit de rolstoel.
    Maar van de erotische plannen kwam weinig meer terecht. Alleen al fysiek was dat een onmogelijkheid. De weg naar het succes die zij had eerder had ingeslagen, was definitief geblokkeerd; en zij had reeds gekozen voor een alternatieve route.
    De volgende periode deed Harold nog wel een poging hun relatie weer nieuw leven in te blazen, door voor te stellen weer samen te gaan wonen en haar te helpen.
    Maar dat had Elfien kortweg afgewezen, ervan overtuigd dat hun hereniging, op welke wijze dan ook, bij voorbaat tot mislukken was gedoemd.



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens