dinsdag 21 november 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Knallie is jarig
Gepubliceerd op: 28-09-2017 Aantal woorden: 1916
Laatste wijziging: 30-09-2017 Aantal views: 78
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Knallie is jarig

Henk Gruys




Een vrouw met een soort wielerhelm van krulspelden op het hoofd en een vaalrode boezelaar aan, redderde druk in haar keuken. Boos was zij nog steeds. Eergisteren had een bom het dak van het huis af geblazen en de slaapkamers vernield. De gedraaide trap naar boven was door de klap in elkaar geschoven als een Chinese waaier.
Hoewel de huiskamer gespaard was gebleven, lag de vloer vol bladeren en vuiligheid. Wat had ze misdaan, om zo gestraft te worden? dacht zij kwaad. Het bombardement was op de huizenkant geweest, terwijl aan de overzijde die hele rij donkergroene, zware machines in het geheel niet waren getroffen. Ze stonden er glimmend en bijna nieuw bij; was dt geen godvergeten schandaal?
Het oventje op het aanrecht begon te walmen. Dus waren de gevulde koeken klaar, dacht zij. "Zullen we eens laten zien wie er hier kan bakken!"
Nog was zij niet van haar woede bekomen. Zij smeet de pan op het gas, trapte de afvalemmer open en schoof de etensresten van de vorige week in de plastic zak. En onmiddellijk hierop had zij willen stofzuigen, woest en getergd, maar er was geen greintje stroom op het net, al weken niet.
Opzij van het aanrecht had het huis een driehoekig venster. De ruiten aan de voorkant waren er door de explosie als door een wonder niet uitgevlogen. Zij keek wantrouwig door het geslepen glas naar buiten. In de zijstraat werd een optocht geformeerd; er klonken slecht gestemde trompetten en gemene halen van jachthoorns, opgevolgd door het geratel van ontelbare blikken pannen. Een langzaam rijdende stoet van platte wagens kwam voor rijden. Er zaten huisvrouwen op, die voorovergebogen, en ingespannen werkten op trapnaaimachines; waar ze vlaggen aan het maken waren. Achter hen hingen borden met rode letters: "Knallie is vandaag jarig."
"Flikker toch op," mopperde de vrouw, "wat heb ik daar mee nodig! Ze kunnen niet eens een rode en een blauwe lap aan elkaar naaien! Niet eens een Russische vlag maken van een Nederlandse."
Zij draaide de deegklopper aan om het valse getoeter van buiten niet te hoeven horen, maar die deed het niet.
Die stomme Javier was ook aan de deur geweest. Met vouwen in het gezicht van de warmte en zijn uitgestreken smoel nog langwerpiger dan anders. Zijn kleren onder de bagger en troep. Zij had hem niet binnen willen laten, hem eerst op straat maar even laten afkoelen; jammer nu dat het zo zachtjes regende; maar hij was binnengestapt alsof hij het volste recht had ergens binnen te stappen. Hij beweerde dat er hier nog kleren van hem waren. "Als jij die tenminste niet hebt versjacherd."
"Je rotzooi zul je bedoelen! Oude troep die wemelt van de vlooien! Verrotte balletschoenen. Beschimmelde gleufhoeden, geen cent waard." Nog een geluk, dacht zij, dat ik al die rommel toevallig naar boven had gebracht, zodat alles nu vakkundig verruneerd is door de bom. Maar Javier was ordeloos blijven rondstampen, op zoek naar schone kleren; hij trok de deuren van kasten open, waarvan de scharnieren op de vloer kletterden, en schudde de inhoud van de laden uit op de grond. Houten gordijnringen, schoenveters, kroondoppen van bierflesjes en roestige veiligheidsspelden waren zijn deel. Minachtend keek ze toe. Een smaragdgroene oorbel die ze al maanden kwijt was rolde uit voor haar voeten. Maar zij deed net of ze hem niet zag; die Javier kon de boom in!
Godzijdank was hij gauw weer vertrokken.
Er werd aan de voordeur gescheld, alweer dat weke, kinderachtige geneuzel van de ocarina. Het hondje Brassiwas sprong wild op. En alsof een veer in hem werd gespannen, draaide hij een hele slag om zijn as met een knal, en rende naar de gang.
Zo'n hond is schrander. Slecht volk aan de deur, bedoelde hij te zeggen. Het zal hm toch weer niet zijn... dacht zij. Dat hij nog wat vergeten had... Zij trok de klemmende voordeur open, met haar rechter voet alvast naar achter gericht, klaar om te schoppen. Maar op de stoep wiegelde een mager vrouwmens met een gele collectebus. Zij begon, in plaats van het goede doel te roemen, razendsnel een uit het hoofd geleerd gedicht op te zeggen, met een rare stem en natuurlijk zonder enig dramatisch talent, zodat het klonk alsof ze elk ogenblik de hele straat onder kon kotsen.
Half achter de vrouw stond een corpulente man in een geel clownspak, met paarse houtwol op zijn hoofd in plaats van haar. Zijn gezicht was dik gepoederd. Hij draaide een beetje met zijn achterwerk, of hij zich schaamde voor de collecte. "Voor de slachtoffers van het bombardement," zei hij verlegen. Zijn stem kraakte alsof er zand in zijn kaakgewricht zat. "Slachtoffers?" riep de vrouw verontwaardigd. "Komen jullie soms helpen hier de troep op te ruimen? Rot op!" Ze diepte een handvol centen op uit haar schortzak en smeet hen die in het gezicht.
Zij gooide de deur in het slot en ging terug naar de keuken. De oven rookte nu zwart uit zijn schoorsteentje. Alle koeken waren verbrand godver! De spritsen donkerbruin en de couque bastogne zwart. De schaal waarop ze moesten afkoelen liet zij van de weeromstuit uit haar handen vallen, kapot. Hoestend liep zij naar het raam en zette het open. De koeken waren bestemd voor Knallie die vandaag jarig was. Ze knielde om de scherven op te vegen, maar barstte toen in snikken uit, waarbij haar tranen als glazen kraaltjes over de vloer rolden.

Aan het brede water stond Javier te turen. Hij kneep zijn ogen telkens half dicht alsof hij keek naar iets dat hij niet vertrouwde. Er vertoonde zich midden in de rivier een rond gat, als een vergrote doucheput. Uit alle richtingen stroomde het water erheen. Wat wel een gegorgel gaf, maar verder nergens verandering veroorzaakte.
Er kwam uit de verte een man aan lopen die een gezicht had van een ongewassen koolraap met het groene loof bovenop er nog aan. Pas toen hij al vlakbij was merkte Javier hem op. Maar toen had hij al een mep te pakken tegen de zijkant van zijn hoofd. Hij had de aanval niet zien aankomen, en suizebolde.
"Ik kon even de verleiding niet weerstaan," zei de man niet onhartelijk, "het is een rare neiging ik weet het, maar zo nu en dan moet ik even losgaan. Ik ben onder behandeling, maar helemaal honderd procent helpt het niet. Terwijl ik van huisuit helemaal niet zo'n violent figuur ben. De naam is overigens Toebleree, Bert. Hij stak zijn hand uit. Ik zal mij verder gedragen, zodat u niet bang hoeft te zijn. Het is altijd maar die ene keer, zo'n aanval."
Javier wreef zich over de pijnlijke stee. Hij wilde in geen geval tonen bang te zijn, of weglopen. "Doet u dat vaker?" riep hij toornig. "Ga een rondje om, volgend keer met uw suikerbietenkop. Wat is dat voor manier?"
"Och, laten we de vrede tekenen, meneer. Juist nu overal oorlogen uitbreken, en daarbij de raarste dingen gebeuren. Hij vingerde even door het wortelloof op zijn hoofd. "Bijvoorbeeld dat water," en hij wees op de rivier, "dat was gisteren ook al zo. Er is daar een bom in gevallen. Als u mee loopt dan kan ik u het laten zien."
Javier aarzelde, maar hij was nieuwsgierig. Ze liepen een bochtig pad tussen ashopen op. De sintels rookten hier en daar nog en gaven warmte af. Even verderop stond een bouwsel dat geheel uit afgekeurde binnendeuren opgetrokken was, stuk voor stuk anders van kleur, met raampjes erin waarvan het glas door ijzeren plaatjes was vervangen. "Daar woon ik," zei Bert, "comfortabel is anders, maar daar tegenover staat dat het niks kost."
Hij tilde met uiterste krachtsinspanning een paneeldeur een stukje op en zette hem schoor tegen de wand. Daarna ging hij naar binnen. Stikdonker was het er. "Er zij licht!" riep Bert jolig, en klapte in zijn handen. Er daalden nu uit het plafond aan dunne draden de meest verschillende lampen neer, die traag aangloeiden.
"Het is dus een heel bijzonder huis," zei Bert. "Of eigenlijk het huis niet, maar de plaats waar het staat."
Hij schoof het vloerkleed opzij en trok een luik open. Javier zag een keldergat, afgezet met een bekraste schilderijlijst. Een modderige tochtstroom blies langs zijn gezicht. "De vroegere wijnkelder, verklaarde Bert. "schijnt van de Duitse Wehrmacht te zijn geweest. Nu niet meer in gebruik, want ik ben geheelonthouder. Hetgeen me tussen haakjes uitstekend bevalt." Hij liet, alsof hij doceerde, het schijnsel van zijn Philips knijpkat uitgebreid over de wanden spelen.
Hij daalde af in de opening, en Javier volgde op handen en knien; het kille rioolwater voelde hij met huivering in zijn broekspijpen trekken. De tunnel werd ruimer, maar het rumoer buiten nam niet af.
Gelegenheid voor enige verklaring. "Je raadt nooit waar deze gang uitkomt," zei Bert, "je zult het niet geloven, maar in de stad Berlijn, ten tijde van de tweede wereldoorlog. Zomaar in een straat, ik ken het niet. Wat je hoort is het geallieerde bombardement in januari 1944. Maar laten we voorzichtig zijn, want het is niet zonder gevaar."
Hij had het nog niet gezegd of er klonk een explosie, zo hard als Javier nog nooit had meegemaakt. Stenen en stukken hout vlogen hem om de oren, en hij hoorde meteen ook niks meer. Eindelijk durfde hij zijn ogen open te doen. Bert lag twee meter voor hem uit, voorover geslagen in de modder. Hij draaide zich op zijn rug, alsof hij wat vragen wilde, maar bleef bewegingloos voor zich uit te kijken.
"Berlijn?" riep Javier, "ja flauwekul, dat kan toch niet? Welnee, dit is mijn straat, en dat mijn huis! Ik zal toch verdomme wel weten hoe mijn huis eruit ziet? Een bom is daar maandagochtend op gevallen, mijn hele dak naar de kloten, kijk maar!"
"Nee, het is Berlijn, vierenveertig," zei Bert halsstarrig; maar zijn stem klonk niet meer zo zeker.
Javier kroop uit de zandhopen richting buitenlucht, sloeg zijn kleren af en liep op zijn huis toe, steeds omhoog kijkend. Dat het echt een bom geweest is, denk ik bij nader inzien toch niet, zei hij bij zichzelf. Dan was het wel erger geweest.
Hij belde aan bij zijn huis, zeer lang, alsof hij de belknop dwars door de deurstijl heen wilde drukken, zo wit werd zijn wijsvinger.
Ergens begon een sirene van het luchtalarm te janken. Heel vals en bijna arrogant van zijn macht over de omgeving.
Gelijk schoot hem te binnen: O ja, Knallie is vandaag jarig.
Maar of we er eigenlijk wel heen moeten, zal ik later nog wel zien... Ik denk het niet.
Er werd niet open gedaan. Hij tikte op het raam en bonsde steeds op de deur, probeerde binnen te kijken. Maar er was geen enkel teken van leven te bespeuren.



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en Ren Claessens