vrijdag 20 april 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Knallie is jarig
Gepubliceerd op: 28-09-2017 Aantal woorden: 1978
Laatste wijziging: 23-12-2017 Aantal views: 255
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Knallie is jarig

Henk Gruys




Een vrouw met een soort wielerhelm van krulspelden op het hoofd en een vale boezelaar aan, beredderde druk haar keuken. Boos was zij nog steeds. Eergisteren had een bom het dak van het huis af geblazen en de slaapkamers volledig onbruikbaar gemaakt. Door de klap was de gedraaide trap naar de bovengang in elkaar geschoven als een Chinese waaier.
Hoewel de huiskamer goeddeels gespaard was gebleven, lag de vloer vol bladeren en kapot aanrdewerk. Wat had ze misdaan,dacht zij, om zo gestraft te worden? Immers waren de bommen op de huizenkant van de straat gevallen, terwijl aan de overzijde die hele rij bruin met groen gevlekte, zware machines in het geheel niet was getroffen. Ze stonden er glimmend en nieuw bij. Was dt geen schandaal?
Het oventje op het aanrecht begon te walmen. Dus waren de gevulde koeken klaar, dacht zij. Met het bakken van gevulde koeken kon je het ergste leed vergeten, meende zij.
Maar nog was zij niet van haar woede bekomen. Zij smeet de pan op het gas, trapte de afvalemmer open en schoof de etensresten van de vorige week in een plastic zak. Onmiddellijk hierna had zij willen stofzuigen, woest en getergd, maar er was geen greintje stroom op het net, al weken niet.
Opzij van het aanrecht was een driehoekig venster. De ruiten waren er door de explosie als door een wonder niet uitgevlogen. Wantrouwig keek ze door het geslepen glas naar buiten. In de zijstraat werd een optocht geformeerd; er klonken slecht gestemde trompetten en gemene halen van jachthoorns, opgevolgd door het geratel van ontelbare blikken pannen. Een langzaam rijdende stoet van platte wagens kwam aan rijden. Er zaten huisvrouwen op, die voorovergebogen werkten op trapnaaimachines, waarmee ze vlaggen aan het maken waren. Achter hen borden waarop met grote rode letters te lezen was: "Knallie is vandaag jarig."
"Flikker toch op," mopperde de vrouw, "wat heb ik daar mee nodig! De trapnaaimachineclub! Ze kunnen niet eens een rode en een blauwe lap aan elkaar naaien! Niet eens een Russische vlag maken van een Nederlandse."
Zij draaide de deegklopper aan om het helse getoeter niet te hoeven horen, maar hij deed het niet.
Die stomme Javier! Was vanmiddag aan de deur geweest. Met vouwen in het gezicht van de hitte en zijn uitgestreken smoel nog langwerpiger dan anders. Zijn kleren onder de bagger en troep. Zij had hem eerst niet binnen willen laten, hem op straat maar even laten afkoelen; jammer dat het zo zachtjes regende; maar hij was binnengestapt alsof hij het volste recht had overal binnen te stappen. Hij beweerde dat er nog kleren van hem waren. "Als jij die tenminste niet hebt versjacherd."
"Je eigen rotzooi zul je bedoelen!" had ze geschreeuwd. "Oude troep die wemelt van de vlooien! Verrotte balletschoenen. Beschimmelde gleufhoeden, geen cent waard." Nog een geluk, dacht zij, dat ik al die rommel toevallig naar boven heb gebracht, zodat alles nu vakkundig verruneerd is door de bom. Maar Javier was ordeloos blijven rondstampen, op zoek naar schone kleren en zijn nieuwe schoenen; hij trok de deuren van kasten open, waarvan de scharnieren los zaten en op de vloer kletterden, en schudde de inhoud van de laden uit op de grond. Houten gordijnringen, schoenveters, kroondoppen van bierflesjes en roestige veiligheidsspelden waren zijn deel. Minachtend keek zij toe. Een smaragdgroene oorbel die ze al maanden kwijt was rolde uit voor haar voeten. Maar zij deed net of ze hem niet zag; die Javier die kon de boom in!
Godzijdank was hij gauw weer vertrokken.
Er werd aan de voordeur gescheld, alweer dat weke, kinderachtige geneuzel van de ocarina. Het hondje Brassiwas sprong wild op. Alsof een veer in hem werd gespannen, draaide hij met een knal een hele slag om zijn as, en vloog naar de gang.
Een hond is schrander. Wordt er gebled en er is slecht volk aan de deur, dan slaat hij direct alarm. Het zal hm toch weer niet zijn... dacht zij. Dat hij nog wat vergeten had... Zij trok de klemmende voordeur op een kier, hield haar rechter voet alvast naar achter gericht, klaar om een krachtige schop uit te delen. Maar op de stoep stond een mager vrouwmens met een gele collectebus. Zij begon, in plaats van het goede doel te noemen, razendsnel een uit het hoofd geleerd prulgedicht op te zeggen, met een rare stem, zodat het klonk alsof ze elk ogenblik de hele stoep onder kon kotsen.
Half achter de vrouw een corpulente man in een geel clownspak, met paarse houtwol op zijn hoofd in plaats van haar. Het gezicht: dik gepoederd. Hij draaide een beetje met zijn achterwerk, of hij zich schaamde voor de bedelares bij hem. "Voor de slachtoffers van het bombardement," zei hij verlegen. Zijn stem kraakte alsof er zand in zijn kaakgewricht zat. "Slachtoffers?" riep de vrouw verontwaardigd. "Komen jullie soms helpen hier de troep op te ruimen? Rot op!" Ze diepte een handvol centen op uit haar schortzak en smeet hen die in het gezicht.
Zij ging terug naar de keuken. De oven rookte nu zwart uit zijn schoorsteentje. Het was dus een gasoven, inderdaad. Maar alle koeken waren verbrand godver, de spritsen donkerbruin en de couque bastogne zwart. De schaal waarop ze moesten afkoelen liet zij van de weeromstuit uit haar handen vallen. Kapoeres! Hoestend liep zij naar het raam en zette het open. De koeken waren voor Knallie die vandaag jarig was, zei ze. Ze knielde om de scherven op te vegen, en barstte in snikken uit.
En het was eigenaardig maar haar tranen rolden als heldere glazen kraaltjes over de vloer. En daar leek geen eind aan te komen.

Aan het brede water intussen stond Javier te turen. Hij kneep zijn ogen half dicht alsof hij keek naar iets dat hij niet vertrouwde. En het deugde ook niet. Er vertoonde zich midden in de rivier een rond gat, als een grote doucheput, en uit alle richtingen stroomde het water erheen. Het gaf een gegorgel, dat weiswaar enigszins vertrouwd klonk, maar dat nergens enige verbetering beloofde.
Uit de verte kwam een man aan lopen die een gezicht had als een ongewassen koolraap met het groene loof bovenop er nog aan. Pas toen hij al vlakbij was merkte Javier hem op. Maar toen had hij al een mep te pakken tegen de zijkant van zijn kanis. Hij had de aanval niet zien aankomen, en suizebolde.
"Ik kon even de verleiding niet weerstaan," zei de man niet onhartelijk, "het is een rare neiging ik weet het, maar zo nu en dan moet ik even losgaan. Ik ben ervoor onder behandeling, maar helemaal honderd procent helpt het niet. Terwijl ik van huisuit helemaal niet zo'n violent figuur ben. Overigens: de naam is Toebleree, Bert. Hij stak zijn hand uit. Ik zal mij verder gedragen, zodat u niet bang hoeft te zijn. Het is altijd maar die ene keer, bij zo'n aanval."
Javier wreef zich over de pijnlijke stee. Hij wilde in geen geval tonen bang te zijn, of weglopen. "Doet u dat vaker?" riep hij. "Ga een rondje om, volgend keer met uw suikerbietenkop. Wat is dat voor manier?"
"Och, laten we de vrede tekenen, meneer. Juist nu overal oorlogen uitbreken, en daarbij de vreselijkste dingen gebeuren. Hij vingerde even door het wortelloof op zijn hoofd. "Bijvoorbeeld," zei hij en hij wees op de rivier, "dat water! dat was gisteren ook al zo mis. Er is daar een bom in gevallen. Als u mee loopt dan kan ik u daarvan meer laten zien."
Javier aarzelde, maar hij was toch nieuwsgierig, en ze liepen een bochtig pad op, tussen ashopen. De sintels rookten hier en daar nog een beetje. Even verderop stond een bouwsel dat geheel uit afgekeurde binnendeuren was opgetrokken, stuk voor stuk anders van kleur, en met raampjes erin waarvan het glas door roestige blikken plaatjes was vervangen. "Daar woon ik," zei Bert, "comfortabel is anders, maar daar tegenover staat dat het niks kost."
Hij tilde met krachtsinspanning een paneeldeur een stukje op en zette hem schoor tegen de wand. Daarna stapte hij naar binnen. Stikdonker was het er. "Er zij licht!" riep Bert jolig, en klapte in zijn handen. Er daalden met een mechaniek uit het plafond verschillende lampen neer, die traag aangloeiden.
"Het is een heel bijzonder huis," zei Bert. "Of eigenlijk het huis niet, maar de plaats waar het staat."
Hij schoof het vloerkleed opzij en trok een kelderluik open. Javier zag een vierkant gat, afgezet met een gouden schilderijlijst. Een modderige tochtstroom trok langs zijn gezicht. "De vroegere wijnkelder, verklaarde Bert. "Schijnt van de Duitse Wehrmacht te zijn geweest. Nu niet meer in gebruik, want ik ben streng geheelonthouder. Hetgeen me tussen haakjes uitstekend bevalt."
Hij daalde af in de opening, en Javier volgde op handen en voeten; het kille rioolwater voelde hij met een huivering in zijn broekspijpen trekken. De tunnel werd ruimer, maar het rumoer erin nam niet af.
Gelegenheid voor enige verklaring. "Je raadt nooit waar deze gang uitkomt," zei Bert, "je zult het niet geloven, maar in de stad Berlijn, ten tijde van de tweede wereldoorlog. Zomaar in een straat, ik ben daar niet bekend. Wat je hoort is het geallieerde bombardement in januari 1944.
Hij had het nog niet gezegd of er klonk een explosie, zo hard als Javier nog niet had meegemaakt. Eindelijk durfde hij zijn ogen open te doen. Bert lag twee meter voor hem uit, voorover geslagen in de modder. Maar hij draaide zich op zijn rug, en ging zitten.
"Berlijn?" hoonde Javier, "ja flauwekul! Welnee! dit is mijn straat, en daar staat mijn huis! Ik zal toch verdomme wel weten hoe mijn huis eruit ziet? Een soort bom is daar maandagochtend op gevallen, dat was pech. Mijn hele dak naar de sodemieterij!"
"Nee, het is Berlijn, vierenveertig," hield Bert vol; al klonk zijn stem niet meer zo zeker.
Javier kroop uit de zandhopen richting buitenlucht. Het was zijn straat, onmiskenbaar; met aan de overkant die bruin met groene pantserwagens. Hij liep op zijn huis toe en maakte het tuinpoortje open, een beetje omhoogkijkend. Ik moet mijn kleren ophalen en mijn nieuwe schoenen, dacht hij. Hij belde aan bij zijn huis, zeer lang en krachtig, alsof hij de belknop dwars door de deurstijl naar binnen wilde drukken.
Gelijk schoot hem te binnen: O jezes ja! Knallie is vandaag jarig! Daar moeten we heen. Ik ben benieuwd of het nog wat is geworden met die gevulde koeken. Als ze zo volhoudt dat zij goed kan bakken...
Er werd nog steeds niet opengedaan. Hij tikte op het raam en bonsde op de deur, probeerde naar binnen te kijken door de overgordijnen. Maar er was daar geen enkel teken van leven te bespeuren.
    Ergens in de stad begon een sirene van het luchtalarm te janken, vals en arrogant... Maar dat hield gauw op. Misschien omdat er toch al geen mens meer op straat was te zien.



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en Ren Claessens