zondag 24 september 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Eduard komt thuis
Gepubliceerd op: 17-07-2017 Aantal woorden: 1948
Laatste wijziging: - Aantal views: 109
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Eduard komt thuis

Henk Gruys




Eduard Waltzs, drieënveertig jaar, en alleenstaand sinds zijn vrouw ongeveer tien jaar terug was overleden, woonde één hoog, op een nogal kleurloos appartement in een lelijke stadswijk.
    Aan het eind van iedere werkdag, na een korte rit met de tram, was hij altijd op precies zelfde tijd thuis; het was dan vijf uur. – "Zo is het al jaren," bedacht hij. Alles nog steeds op hetzelfde tijdstip, en onder dezelfde omstandigheden. Ik leid toch eigenlijk een heel saai leven; er gebeurt zelden iets bijzonders.
    Maar op een dag in september, – de late zonnestralen raakten met een rechthoek van oranje licht nog juist de topgevels van de straat, – bemerkte hij bij zijn thuiskomst iets zeer ongewoons, iets afschuwelijks, iets dat hij nog nooit had gezien.

Dagelijks opende Eduard met een algemene sleutel eerst de buitendeur op straatniveau en daarna, licht hijgend van het traplopen, met zijn eigen sleutel zijn huisdeur. – Terwijl hij nu deze ontsloot, viel hem iets op, het was heel even maar; hij dacht: wat ruikt het hier eigenaardig... een vissige lucht, een tikje bedorven. Nadat hij zijn deur had geopend was het verdwenen.
    Hij betrad met zware stap zijn woonkamer; zoals gewoonlijk zonder veel bijgedachten, maar nu stond hij stil, terwijl zijn mond open viel van verbazing. In de verste hoek van zijn kamer daar lag iets, vlak naast de staande schemerlamp. In verwarring deed hij een pas terug. Maar hij móest kijken. Daar lag op het vaste vloerkleed een enorme klont van een soort gelei, kleurloos, doorzichtig. Het was ongeveer zo groot als een zitkussen; maar rond, en aan de onderkant omgeboord met een rand, zo regelmatig als was het door een naaimachine aangebracht.
    Eduard stond op ongeveer een meter afstand, en kwam voorzichtig iets naderbij. Wat was dat in vredesnaam?..
    Hij dorst niet nog dichterbij te komen, bang dat er plotseling iets vervelends, en volkomen onverwachts zou gebeuren, bijvoorbeeld een giftige of bijtende straal vloeistof in zijn gezicht. Toen hij na een korte aarzeling toch wat naderbij trad, bekeek hij de doodstille glazige berg wat beter. Er zat een inwendige verdonkering in, van dunne paarse adertjes. Eduard kreeg er een raar gevoel van in zijn maag.
    – Hoe kwam dit hier? En wat was het? Het deed hem denken aan een maand terug toen hij op het strand was, tijdens landwind waardoor er veel kwallen waren; het strand lag er vol mee, wat behoorlijk wat ongemak onder de badgasten veroorzaakte. Maar dit, deze massa die vele malen indrukwekkender van grootte was. – Nu hij een beetje over zijn schrik heen was, durfde hij dichterbij te kruipen. De ronde berg gelatine lag voor hem. Als je goed keek kon je zeggen: er zit ook iets in. Een soort ingewanden, dacht Eduard.
    Hij ging aan de eettafel zitten om deze merkwaardige confrontatie te overdenken; telkens draaide hij zich om naar de glazige indringer. Het was zo een vreemde en onverwachte toestand, dat die hem helemaal uit zijn gewone doen bracht.

– Eduard Waltsz was zeer verlegen en nogal zwijgzaam van karakter; misschien daardoor had hij nauwelijks echte vrienden. Op zijn kantoor vonden collega's hem een eenling, een soort kluizenaar. Als hij even weg was dreven ze de spot met hem, omdat hij altijd hetzelfde vlinderdasje droeg bij zijn roze overhemden. – Het was tot Eduard langzamerhand wel doorgedrongen hoe ze over hem dachten. Nu ja, met dit soort collega's kon hij deze vreemde ervaring in elk geval niet delen. Zeker om uitgelachen te worden. – Wat? Een kwal in de kamer? Haha, die heb ik ook al jaren, ik ben er ooit eens mee getrouwd!
    Zijn benedenburen dan? Dat waren twee oude mensen die iedere ochtend een stokbrood gingen kopen bij de bakker op de hoek. Soms groette hij ze zachtjes, maar verder wist hij nauwelijks iets over hen. Een praatje maken gebeurde zelden.
    Terwijl hij zijn brood zat te eten stond hij herhaaldelijk op om bij de kwal poolshoogte te nemen; maar er veranderde eigenlijk niets, niets dan dat het vloerkleed in de buurt van de massa geleidelijk donkerder werd door het vocht.

Later op de avond, terwijl het nogal vroeg donkerder werd, ontstak Eduard de staande schemerlamp naast de kwal. Dat deed hij gewoonlijk elke avond. Eigenlijk was het een leeslamp, van roze satinet; met een felle lamp erin. Een bundel geel licht viel nu vol op de reuzenkwal. En die scheen dat helemaal niet te bevallen. Hij bewoog! Geen twijfel mogelijk, hij deed pogingen om onder het licht vandaan te komen! Eduard knipte de lamp uit; en de rust keerde weer terug. En hij deed het licht weer aan, en opnieuw bewoog de kwal.
    Hij leefde dus! Wat een toestand! Hij knielde neer bij de kwal, maar de massa lag alweer doodstil. Het feit dat er leven in de verschijning zat, maakte de situatie nog erger, bedacht hij... Veel erger. Ook de verdere uren hield de vreemde indringer hem bezig. Maar er was geen enkele beweging meer vast te stellen.
    – Alsof ik een huisdier heb, dacht hij. Een raar huisdier. Misschien zou het wel het beste zijn als ik ging verhuizen, en ik hem hier gewoon achter zou laten. Steeds als hij zijn kamer binnenliep sloop hij voorzichtig naderbij, alsof hij de kwal door zijn binnenkomst niet wilde opschrikken.
    Die nacht sliep hij slecht. De gedachten aan de verschijning in de huiskamer maalden voortdurend door zijn hoofd. Hij stond herhaaldelijk op om bij de schemerlamp te gaan kijken. Maar er was tijdens de nachtelijke uren geen enkel teken van onrust meer te bespeuren.

De volgende dag was het vrijdag. Hij stond vroeg op voor zijn doen: zes uur. Hij zou zich ziek melden teneinde in rustige overweging te kunnen bepalen wat er precies moest gebeuren. Het idee dat er zich iets unieks in zijn kamer bevond, iets waar de wetenschap mogelijk tuk op was... bij nader inzien kon je zoiets toch eigenlijk niet zomaar met de vuilnis meegeven. Hij zocht het telefoonnummer van zijn kantoor op en gaf zijn ziekmelding door. Meteen werd hijzelf gebeld. "Vereniging Westwijk, uw huisbaas," zei een routineuze vrouwenstem. "Wij komen maandagochtend even bij u langs voor persoonlijke informatie."
    "Kan dat niet op een andere dag?" vroeg Eduard haastig, "het komt dan niet zo gelegen." – "Ach het is maar een routinekwestie," zei de vrouw, die zijn bezwaar in één resolute haal van tafel veegde, "in een kwartiertje gepiept." – En ze verbrak de verbinding.
    – Dat er ook nog bij, dacht hij. Zul je altijd zien. Maar in plaats van de reiniging kon hij beter de dierentuin bellen! Vragen of ze hem kwamen ophalen. Idee! Dat hij daar niet eerder op gekomen was! Hoewel het hier eigenlijk niet om een echt dier ging. Hij kreeg een wat norse man aan de lijn. "Dan moet u een formulier invullen," zei deze, "dat u er afstand van doet. We moeten eerst wel kijken of het wel iets voor ons is. Betreft het een reptiel? Of een aap?.. Nee? Wat dan? Een heel gek dier? Ja, en u weet niet wat het is? Houd u me nu voor de gek, waarde heer? We zijn er niet om flauwe raadseltjes op te lossen, meneer! En anders komt u met het dier hier maar naar toe, dan kunnen we kijken."
    Ze vinden misschien dat ik getikt ben, dacht hij. – Steeds ging hij naar de reuzenkwal kijken; maar die verroerde zich niet meer.
    De volgende dag leek er wel degelijk verandering in te treden. Alsof het wezen aan het einde van zijn latijn was, rimpeliger werd, kleiner. Na verloop van tijd meende Eduard er zelfs een gelaat op te ontwaren, hooghartig gebeeldhouwd vanuit dat glazige lichaam, ouwelijk lijdend. Was het een stervend gezicht? Of slechts inbeelding? Het gezicht van de kwal verontrustte hem op een zodanige wijze dat hij vreesde dat er best nog meer raars zou kunnen gebeuren. De bloei van een rottende zwam, mompelde hij. – Hij probeerde de kwal een beetje water te geven met een bloemengietertje, maar dat leek geen enkele uitwerking te hebben.
    Ik moet iets doen, dacht hij. Dit gaat zo niet langer. Nadat hij het wezen nog een keer goed had bekeken, verliet hij zijn huis en zocht in het centrum van de stad een ijzerwinkel op waar ze tuingereedschap verkochten. Doordat er straten in de buurt waren opgebroken, duurde het even voor hij er een vond. Kruiwagens en een oranje parasol hadden ze buiten gezet en de deur stond open. Hij vroeg iets om te scheppen... Een spade of een bats? vroeg de jongen die hem hielp met een verveeld gezicht; Eduard had het gevoel of hij in de maling werd genomen. Tenslotte kocht hij een grote ijzeren kolenschep, maar niet dan nadat hij zich ervan had verzekerd dat er een voldoende lange steel aan zat. Thuisgekomen voelde hij van spanning zijn hart bonzen, en het zweet brak hem uit.
    In de berging zocht hij een oude koffer. Terug in de kamer probeerde hij de zijrand van de kwal op zijn schep te krijgen. Niet te veel nadenken, dacht hij herhaaldelijk: "hij is bijna dood; hij is niet meer te redden." Maar de tranen stonden hem in de ogen. Je kunt een levend wezen niet zo behandelen, dacht hij telkens. Ik ben er verantwoordelijk voor. Hij voelde zich zo langzamerhand als buiten zichzelf. Maar hij zette door, bijna automatisch als een robot.
    De gel was zwaarder dan hij had gedacht. Hij blubberde van zijn schep af de koffer in, bijna tot over de rand. Om hem niet meer te hoeven zien lijden sloot Eduard de koffer snel met de twee slotjes. Waarom schaam ik mij zo? dacht hij. Ik kan er toch ook niets aan doen?
    Toen hij met de koffer de trap af zeulde, struikelde hij bijna. Buiten gekomen stak hij het trottoir over. De vuilniswagen was er altijd om negen uur. Het kwam goed uit dat er bij de lantaarn al drie zakken afval stonden; hij zette de koffer erbij en liep haastig terug naar zijn huis. Binnen ging hij voor zijn raam staan. Hij wachtte met gesloten ogen een minuut.
    Toen keek hij weer. De enorme gele vuilniswagen stond al op de hoek; hij vorderde slechts langzaam omdat er telkens zakken in moesten worden gesmeten. Mannen in gele pakken liepen er steeds omheen. – Godzijdank zal het nu niet lang meer duren, mompelde Eduard achter het raam.
    Opeens kwam van de zijstraat een sjofele man op een oude bakfiets aanrijden. Hij stopte bij het afval; blijkbaar had hij de koffer gezien. Hij stapte af, tilde de koffer op en legde hem voorzichtig in zijn bak.
    Tijd hem te openen en te bekijken had hij niet, want daar kwam de vuilniswagen er al aan. Waarschijnlijk was de man er goed van op de hoogte dat neergezet afval meenemen in deze stad ten strengste verboden was, en een fikse boete kon opleveren.
    Zo vlug mogelijk reed hij met zijn buit weg; om de hoek de zijstraat in, en hij was verdwenen.
    Verstard als een spook stond Eduard achter zijn raam.



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens