maandag 20 augustus 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Agonie - (slot)
Gepubliceerd op: 24-05-2017 Aantal woorden: 2082
Laatste wijziging: 10-01-2018 Aantal views: 466
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Agonie - (slot)

Henk Gruys






Maar er was nog iets. Er ontstonden in de omgeving telkens kleine branden, waarvan men bijna wist dat die aangestoken waren. Er werd steeds een herkenningsteken achtergelaten: een overmaatse ijzeren sleutel op een opvallende plaats van het onheil, reden waarom men aannam dat het om een en dezelfde brandstichter ging. Vuilcontainers, houten schuurtjes, zelfs auto's gingen in vlammen op; het was aan de orde van de dag. De politie hield verscherpt toezicht, was vaker op straat te zien, speciaal in het werkgebied van Reurds vroegere companen, die al deze extra aandacht natuurlijk niet bijster konden waarderen. Twee van zijn voormalige vrienden beweerden dat ze Reurd wel eens met een enorme sleutelbos hadden gezien. – Intussen probeerden ze hem kwijt te raken, bedreigden hem als hij in hun buurt kwam, en joegen hem hun stamcafé uit. Maar medewerken met de politie deden ze amper, omdat dat de aandacht tegelijk op hun eigen zaken zou vestigen.
    – Het gelukte vooralsnog niet hem te vinden en aan te houden. Hij had geen vaste woon- of verblijfplaats meer. De hoop was dat men de dader met hulp van het publiek op heterdaad zou kunnen betrappen. En aldus werd in het openbaar zijn naam bekend gemaakt. In kranten en op de tv.
    Ze waren naar hem op jacht, zoveel wist hij nu ook; iedereen zat achter hem aan, maar dan moesten hem eerst maar eens zien te vinden, monkelde hij. Hij was inmiddels voorzichtiger geworden, was bijna voortdurend onderweg, in de overtuiging dat het zo onmogelijk was hem te traceren.

Op een namiddag brak uit een zijraam van een oud pakhuisje een kleine rode vlam naar buiten. Een hele vuurzee ruiste al binnen, en er was geen houden meer aan. Drie gelijke percelen kwamen ondanks de activiteiten van de brandweer van boven tot beneden in vurige omlijsting te staan. Het nieuwsgierige publiek werd op afstand gehouden, Reurd Jawrie bevond zich onder hen.
    De brand, misschien door hem gesticht om degenen die op hem jaagden te tergen of uit te dagen, was groter dan de container- en afvalbrandjes van de laatste maanden, en vertoonde ook een nieuw effect voor hemzelf: hij raakte meer opgewonden door de vlammen en de strijd van het pandje tegen het vuur dan ooit tevoren.
    Deze situatie was geen ineenstorting, geen onverwachte, psychische explosie van zijn geest, maar het gevolg van de langzaam verder voortschrijdende, fatale onttakeling van zijn mentaal functioneren.

Rust in zichzelf kende hij nu niet meer. Hij reed naar het huisadres van Arletta-Josefien, en toen zij nietsvermoedend opendeed, smeet hij haar tegen de grond. Hij trapte de gangdeur dicht, opdat anderen niet op het tumult af zouden komen. Maar zij was alleen thuis. Hij had weinig gedachten, maar het viel hem op dat op klaarlichte dag het ganglicht brandde. Met zijn handen op haar keel worstelde hij om op haar te komen. Pas toen haar ogen naar boven waren gedraaid en zij niet meer bewoog, liet hij los. Daarna stak hij nog verscheidene malen met het mes dat hij verborgen in zijn laars droeg. Verkrachten had haar willen, levend, of zelfs dood, maar daar was geen tijd voor; hij werd bang en wilde weg.
    Hij reed haastig terug naar zijn woonadres om het pistool op te halen, maar bedacht zich en draaide de grote weg weer op, want als ze de moord hadden ontdekt, kon de politie hem thuis staan opwachten. De onweersbui die al een tijdje aan de horizon dreigde, naderde snel, en kolkende wolken boven hem breidden zich steeds meer uit. Stortregen daalde neer; de ruitenwissers van zijn wagen zwommen in het water en maakten hem dol. Hij zette ze uit en zag toen bijna niets meer van de weg. Maar hij bleef op goed geluk doorrijden en ontstak de binnenverlichting. Toen hij zijn ogen neersloeg van het stuurwiel, zag hij dat zijn handen en zijn jas onder het bloed zaten. Woedend zette hij zijn auto aan de kant. Hij voelde zich dodelijk vermoeid. Drie nachten had hij niet geslapen, en de zwevende onwerkelijkheid daarvan het gevolg, bracht hem in een verdoving, waarbij hij het idee kreeg dat hij alsmaar droomde. – Hij stond in de vlagende regen en werd druipnat, maar de koude hinderde hem niet. Zwaar leunde hij op de auto. De details van de moord op Arletta-Josefien trokken aan hem voorbij als een haperende, door vlekken bijna onzichtbaar gemaakte film, met het gevoel dat wat hij zojuist had gezien en gehoord, niet echt was. Alsof alles alleen maar door iemand werd naverteld.
    Herhaaldelijk jakkerden auto's voorbij, vlak langs de zijne, de lichten groot opvlammend in het hemelwater en weer verwijderend. Hij was bang dat de bestuurders het bloed zouden zien in het licht van hun koplampen, maar de regen spoelde het in roze beekjes geleidelijk van hem af.

Vijf uur 's middags. Hij was onderweg naar het absolute einddoel, in het besef dat hij de beslissende faze van verandering naderde, Hij had zich bedronken in diverse café's, in gedeeltelijke afwezigheid van geest. – "Niet rijden, hè!" riep de barman hem achterna, toen hij was opgestaan van de bar, en naar de uitgang wankelde. "Wacht even, ik bel wel een taxi voor je."
    Maar hij ging buiten naar zijn wagen en opende het portier. Op de achterbank stond een jerrycan welke hij, omdat die bij het rijden kon omvallen, naast zich op de vloer zette.
    Stilstaan kon hij geen moment; steeds doorgaan moest hij, in actie blijven, gevolg geven aan de ondraaglijke onrust; dat uiten, anders zou je gek worden; zo voelde het.
    – Voor een willekeurig rijtjeshuis in een stille straat stopte hij en sprong uit de wagen. Hij liep om en pakte de jerrycan. Met geweld brak hij door de achterdeur naar binnen, waar het stonk naar gebakken vis; hij trok zijn mes, stak de gillende vrouw en joeg haar twee huilende kinderen naar buiten. Met een guts benzine stak hij de stapel kleren aan de kapstok in brand.
    – Bij zijn auto gekomen raakte hij gedesoriënteerd en werd hij duizelig, zocht tijdelijk steun bij de deurstijl van zijn wagen. Maar toen het portier op een windvlaag dichtsloeg, zat zijn linker hand er tussen. De hand zwol onmiddellijk op; hij moest bijna overgeven van de pijn; zijn vingers bloedden, en het was puur door wilskracht dat hij niet flauwviel. Maar hij bleef zich onbedaarlijk opgejaagd voelen. Hier kon hij in geen geval blijven.

Hij reed naar het cartonagebedrijf van zijn oom. Het was een duister bouwsel waarvan de gevel zich in de donkere, smalle fabrieksstraat meters achterwaarts leek te hebben teruggetrokken. Hij draaide hij het voorpleintje op, pakte zijn jerrycan en kwam uit zijn auto.
    De dubbele toegangsdeur tot het kantoor was los en hij ging direct naar binnen. Aan een bureau zat de in zwart geklede secretaresse die nog aan het overwerken was. "U mag hier nu niet..." begon zij, maar zij werd op slag doodsbang van zijn bruuske entree en wilde ogen en ging staan.
    "Nou, wat mag ik niet?" riep hij. "Zeg op wat ik niet mag! Ik mag hier alles!" Hij werd opgewonden door haar zwarte kousebenen, en tegelijk stoorde hem haar vrouwelijke aanwezigheid met haar parfum. Maar hij stortte zich onverhoeds op haar, en greep haar om de middel, waardoor een onnavolgbare warreling van kledingstukken, kousen, handen, armen en benen hem voor de ogen kwam. Hij verloor ontijdig zijn zaad naast de vrouw, die het op een gillen had gezet en nu verscheidene keren in de hand beet die hij tegen haar gezicht had geperst; dat was de hand die hij had verwond door het autoportier.
    Misselijk van pijn trok hij zich terug; stompte de vrouw voor zich uit naar het kantoortje op de gang; waar hij, zonder dat hij iemand had zien aankomen bijna gewurgd werd door de kleine chef die op het tumult was afgekomen. Maar die greep hij vast, tilde hem van de grond en smeet hem krakend tegen een kast. –
    "Jullie dachten alles voor mij te beslissen,"brulde hij, maar nu kom ik afrekenen!" brulde hij. Hij sloot het kamertje af met de sleutels die nog in de deur zaten en holde terug. " Zijn hand deed zoveel pijn dat het was of er met een mes in werd gestoken.
    Ondanks zijn pijnlijke verwonding was hij nog steeds een zeer sterke man. Hij keerde met woeste kracht de bureaus om en gooide de bloempotten met geraniums door de ramen, en ook de zware pot met een kamerden. Het was een hels lawaai. En hoe meer hij te keer ging hoe opgeluchter hij zich begon te voelen. Soms kon hij wel brullen van de lach. Of huilen door de ontlading die zich in hem bezig was te voltrekken.
    Jawrie begon in het kantoor alles te overgieten met de vloeistof, de bureaus, de kasten en ander meubilair. Hij werd gek van de pijn in zijn hand. De lege jerrycan smeet hij met zijn linkerhand op de vloer, en hij ging terug naar het gangetje; de deur liet hij op een smalle kier open staan.
    Even nam hij een pauze om zijn kortademigheid tot bedaren te brengen; hij stak met trillende handen een sigaret op, nam een paar halen en gooide haar toen door de deurkier naar binnen. De benzine op de vloer daarachter vlamde zich zo snel en hevig dat de deur half open vloog, en er gerinkel van glas klonk.

Politie en brandweer snelden aan, met vier wagens achter elkaar, misschien gebeld door de secretaresse met haar mobiele telefoon, wie weet. In de nauwe straatjes overlegden de spuitgasten hoe de brand onschadelijk te maken. Jawrie was intussen de fabrieksruimtes binnengegaan, waar hoge stapels papier opgetast lagen, gereed om te worden verzonden. Alle deuren liet hij achter zich open. Hij klom naar het dak, hoestend van de rook die mee trok. Het publiek in het zwarte straatje, tuk op sensatie, zag hem nog één maal als een acrobaat balanceren in de dakgoot. Men hoopte dat hij over de rand zou springen, en dan het liefst natuurlijk vlakbij waar zij stonden. – "Een heldhaftige dood," schreeuwde hij, "een heldhaftige dood, dat is waarvoor ik heb willen leven, en dit wordt dan de laatste heldendaad waarvoor ik ga!" Het echode tussen de oude gevels, maar kwam nauwelijks uit boven het lawaai van de brand. De brandweer intussen was het springzeil gereed aan het maken, maar dat leek in vergelijking tot de uitbreiding van het vuur, opvonkend achter de daken, een eeuwigheid te duren.
    De vlammen braken definitief door de bovenverdieping en joelden gretig naar de hemel. Hij nam een korte aanloop "Omdat het niet anders kon," fluisterde hij. Daarna dook hij, gelijk een zwemmer, met de armen naar voren, over de lage muur, recht in de vuurzee van de brandende fabriek beneden hem. Zijn longen verschroeiden al voor hij hard in de chaos neerklapte, en de hel van hitte hem opnam.

Nadat een dag later de brand was geblust, en een deel van het puin was geruimd, vond men drie verkoolde lichamen.
    Een handjevol nieuwsgierigen stond de hele dag te kijken naar de verrichtingen van de onderzoekers in witte overalls. De zon brak herhaaldelijk door en bestraalde de geblakerde restanten met de huichelachtige schijn van vrolijk lenteweer.
    – De kranten raakten niet uitgeschreven over de gebeurtenissen. Over de dader vermeldden ze dat hij 27 jaar geleden in Spakenburg was geboren en voornamelijk had rondgezworven in de provincie Utrecht. Dat hij in verscheidene klinieken opgenomen was geweest, en had gezeten voor diefstal, ernstige mishandeling en de verkoop van verdovende middelen. Dat hij ontelbare malen was opgepakt en steeds weer vrijgelaten, (hetgeen de schrijver hoogst onbegrijpelijk vond).
    Alleen zijn initialen werden in de artikelen genoemd. Zijn voornaam ontbrak, hoewel vermelding daarvan toch wel gebruikelijk is.
    Het leek of het te veel eer zou zijn voor de pleger van deze misdaden om een voornaam te bezitten.



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens