zondag 21 oktober 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Agonie - Afl. 3 van 4
Gepubliceerd op: 22-05-2017 Aantal woorden: 2248
Laatste wijziging: 10-01-2018 Aantal views: 477
Easy-print versie Aantal reacties: 1 reacties

Agonie - Afl. 3 van 4

Henk Gruys


Witte wolken, grijze gedachten

Wekte de jongeman, met hark langs de stang van zijn fiets gebonden, nog steeds bij maar weiningen argwaan? De schijn werd op z'n minst gewekt dat hij werkte, maar hij werkte nooit. Uren lag hij 's zomers in het gras naar de overdrijvende wolken te staren. De geuren van het gras en van de vriendelijke, gele boterbloemetjes waren al lang verdreven door de stank van modder, sintels en slootwater. Hij vergat op den duur dat het wolken waren, en zag dan slechts zinloze, rafelige vormen in het oneindige, diepe blauw.
    Hij werd er ook niet rustiger van, – somberder eerder, alsof hij aankeek tegen het regenachtige grijs binnenin zijn schedel. Met iets van berusting dacht hij alweer, alweer, aan zijn leven tot nu toe. Een benauwende nachtmerrie; die zich niet alleen uitte door herinneringen voortkomend uit weer andere herinneringen, maar die net zo goed voortgang kreeg in de banaliteit van het nu: het kleinburgerlijke leven van de dorpsomgeving, met zijn notabelen door iedereen gegroet, de eindeloos vervelende wegen langs weiland met bomen en koeien, de gelovige goegemeente, de, tot absolute rust verplichte zondagen en het troosteloze interieur van de School met den Bijbel dat hij zich herinnerde met de feilloze precisie van een foto. Dit bleef hem achtervolgen tot het niet meer te onderscheiden was van de grauwe duisternis waarmee hij omgeven werd en de wanhoop die erbij hoorde. Alles was bevroren verdriet, dacht hij. – Maar de ware oorzaak van dit alles drong niet tot hem door. Hij bevroedde niet dat er langzamerhand steeds meer in zijn hersens ging afsterven, – voorgoed kapot.

Vreselijk waren de zelfverwijten en schuldgevoelens die hij zich in het hoofd haalde; de martelende gang langs de vreemde bochten en uitwijdingen die zijn hersens leken verplicht te maken. Dan zag hij zijn moeder op een buitenweg voortrennen met wapperende rokken, achterna gezeten door zijn vader met de hooivork. Hij had haar willen waarschuwen, willen redden, hij, als zoon in bruut gevecht met een eerloze vader. Want duidelijk was dat zijn vader haar opnieuw zou doden, als hij, de zoon, niet tussenbeide kwam. Maar zijn spieren leken bevroren door razernij. Hij probeerde de droom te laten stoppen, maar die liet zich niet verjagen. Er kwam nooit een einde aan.
    Het bleef een visioen dat op een droom leek, maar het niet was, waarbij hij toeschouwer bleef, en geen deelnemer, – zoals hij ook wist, – maar dat maakte weinig verschil.

– Soms klaagden er mensen dat hij verdacht in hun buurt rondhing. Ook als hij eigenlijk niets bijzonders deed. Ze logen dat zij hem als dader van diefstallen, geweld en vernieling herkenden; – zodat hij af en toe door de politie werd meegenomen, en met de klacht van straatschenderij, inbraak of heling, belandde hij weer in de cel voor een dag.
    Toch leek het ook wel eens beter te gaan. De volgende stap in zijn opmerkelijke "carrière" vond plaats in een boekhandel. Een sociale hulpverleningsinstantie op christelijke grondslag bezorgde hem daar een eenvoudig baantje. Aanvankelijk leek het goed te gaan, kon hij de klanten zelfs tamelijk ordentelijk helpen, en kwam hij in deze kalme omgeving een weinig tot rust. Maar te midden van alle kleurige en zoet ruikende religieuze boeken in deze ouderwetse winkel met glas-in-lood-raampjes, kon hij zijn handen niet afhouden van de kassa vol bundeltjes voddige bankbiljetten en muntgeld . Een paar weken duurde het, toen werden de diefstallen ontdekt en hij de laan uitgestuurd. "Je mag blij zijn dat we geen aangifte doen," werd hem toegevoegd.
    Terwijl hij werkeloos in het huis van de neef de ene sigaret na de andere zat te roken, overdacht hij: "waarom eigenlijk stelen in zo'n bekrompen winkeltje met potloden en gummetjes? Die erbarmelijk goedkoop zijn en nog stinken bovendien? Dat was stom, ik kan veel beter op echte rooftocht gaan!" Maar hij was in de dieverij nog onervaren en werd de eerste keer al betrapt bij een onnozele en veel te opzichtige inbraak op een bedrijventerrein. Hij werd veroordeeld, belandde drie weken in de gevangenis. – En daar word je, zoals iedereen zegt, nu eenmaal geen beter mens van. – Maar wat hem ook allemaal overkwam, wat zijn medegevangenen tegen hem zeiden of deden, of hoe hij werd behandeld, het kon hem allemaal weinig meer schelen.
    Een oom die een cartonagefabriek bezat, wilde het na zijn straftijd nog wel een keer met hem proberen. Maar het had, alle goede bedoelingen ten spijt, slechts nieuwe mislukkingen tot gevolg. Na de gevangenis had hij een bijna fanatieke afkeer van vrouwen ontwikkeld. Hij rook de afstotende geuren die zij met zich mee droegen, walgde van hun kleding en gekrulde haren. De kantoormeisjes bespeurden zijn misogyne minachting, vonden dat hij smerige dingen tegen hen zei, – dat hij eigenlijk een akelige griezel was op zich. "Die zou ik op een stille landweg niet willen tegenkomen", konkelden ze tegen elkaar met kirrende provinciestemmetjes. Ze beklaagden zich bij de chef de bureau wegens zijn vermeende bedreigingen en hij werd al na een week weer ontslagen.
    Ieder gevoel en compassie voor anderen verdween bij hem steeds meer, hij vegeteerde ten naaste bij; en wat overbleef waren primitieve en basale emoties, die hem vrijwel in een staat van bestialiteitbrachten. Gedrag waardoor hij weer eens in het vizier kwam bij de autoriteiten; ditmaal opgepakt als iemand die zichzelf ernstig verwaarloosde en dringend hulp nodig had.
    Er werden, omdat hij duidelijk in dit gedrag volhardde, en dit niet veranderde, verscheidene psychiatrische rapporten over hem opgesteld. De onderzoekers wezen op erfelijke belasting, en in opzichtige medische termen op de inteelt- en degeneratieverschijnselen die mogelijk een rol speelden. Zij waarschuwden in rapporten, die nooit openbaar werden, dat dit alles op een psychose kon duiden, en hij in de toekomst een gevaar voor zichzelf en zijn omgeving kon betekenen. Hij werd behandeld in drie verschillende klinieken, met als gevolg dat hij een groeiende aversie kreeg tegen artsen en psychiaters. Na een tijdje wilde hij aan geen enkele therapie zijn medewerking meer verlenen. Geleidelijk verloor de medische stand zijn geduld met hem en raakte hij vanzelf een beetje uit hun gezichtsveld.
    Nadat hij was ontslagen uit het derde gesticht, begon hij zich voor te doen als een pikzwarte religieuze bekeerder. Of dat ironisch bedoeld was, hij de gruwelijke leegheid hiermee wilde bestrijden, dan wel dat zijn geloofsbelijdenis leek te zijn teruggekeerd – wie zal het zeggen. Hij belde huis aan huis aan bij willekeurige mensen en stak onzinnige, quasi-godsdienstige monologen af, vroeg steevast om geld, om de kerk te restaureren, maar niet zelden van het aanhangsel voorzien, dat indien men niet wilde luisteren, ze dat wel spoedig zouden betreuren.
    – Maar dit was helaas geen Spakenburg, maar het heidens verdorven Amersfoort. Vrijwel nergens viel zijn alternatieve zendelingenarbeid in goede aarde. – "Ik vraag u een kleine bijdrage, drie tientjes is al genoeg. Wilt u echt niet twee minuten luisteren naar mij, voor de ware stem van God?"
    – "Nee knul smeer maar in je haar!" was nog de meest neutrale reactie die hem ten deel viel.
    In de dorpen begonnen ze een weinig te wennen aan zijn gedrag. Men was aanvankelijk nog inschikkelijk. Maar steeds moeilijker werd het voor zijn kennissen en familie zich met hem te identificeren. Men sprak er schande van dat hij door zijn gedrag met het ware geloof zo de spot dreef. Voor de poorten van het hiernamaals zou hem dat later wel eens duur kunnen komen te staan!

Bijna automatisch verzeilde hij van de wereld van kruimeldieven en kleine oplichters, in die van zwaardere criminelen. Aanvankelijk zagen die in hem een bruikbare hulp voor het opknappen van klein werk, omdat hij zich nergens over scheen op te winden, nooit tegensprak of ergens bang voor was, en alles durfde. Maar hij kon zich in het milieu niet omhoog werken, juist door een houding van lethargie en onverschilligheid, en moest genoegen nemen met de schamele restjes die de anderen lieten liggen. Het gaf niet, hij kwam aan voldoende geld door een voor de rest zorgvuldig verborgen gehouden handel in softdrugs. Een vuurwapen had hij intussen aangeschaft, na lang aarzelen; want schieten vond hij ronduit primitief en banaal. Een moord plegen, indien nodig, met een pistool was koud en zakelijk, zonder enige emotie, en zou hem absoluut niet bevredigen, daarvan was hij overtuigd.
    – Ondanks alles begon hij zich toch wat te ontwikkelen in de misdaad, hetgeen hoofdzakelijk betekende dat het justitiële apparaat opnieuw aandacht voor hem kreeg. Maar tot dusver waren die bemoeienissen nog weinig effectief. Of dat laatste puur geluk was, – of een gevolg van zijn eigen slimheid, zoals hij zichzelf wijsmaakte, bracht hem niet tot inkeer.
    Van zijn primitieve haat tegen vrouwen kwam hij wat terug, hij liet zich van tijd tot tijd in met een vreselijk opgemaakte vrouw, een Indische, die in de wereld van de raamprostitutie was komen bovendrijven; die hem bemoederde en de valse illusie verschafte wezenlijk om hem te geven. Zij noemde zich Arletta-Josefien, maar niemand geloofde dat het haar echte naam was. "Ja echt hoor, het is zo, ga maar kijken op het gemeentehuis!" Hij realiseerde zich opperbest dat haar belangstelling niet zijn persoon gold, maar zijn vrijgevigheid. Schaamteloos teerde zij op zijn zak. Het ging om flinke bedragen per week, besteed in exclusieve kledingzaken, schoonheidssalons en dure restaurants, maar het kon hem nauwelijks wat schelen.

Meer en meer begonnen zijn vrienden in de misdaad hem te wantrouwen. Hij gedroeg zich in hun gezelschap ook zeer vreemd, niet het minst door te redeneren op een wijze die zij niet begrepen. Ze dachten: was hij, die nooit iets van emotie toonde, wel zo gek als hij deed voorkomen, of nam hij hen een voor een in de maling? Wilde hij op deze wijze zijn positie tegenover hen verstevigen, zich van hen afkeren, met als doel stiekem de macht over te nemen? Men was op zijn hoede.
    Ze gigen hem mijden; maar hielden hem tegelijk scherp in de gaten. Eén keer ging het volkomen mis, werd hij – overigens ten onrechte, – verdacht van het achterhouden van een deel gesmokkelde cocaïne en de volgende ochtend ernstig mishandeld aangetroffen aan de kant van een stille bosweg. Maar hijzelf kon zich van het voorval niets meer herinneren.

Apotheose

Een rode zonsondergang in maart leek de feestelijke opwinding in de straten nog groter te maken. Vlaggen waren uit de bovenramen gestoken en een overdaad aan opgehangen versieringen kleurden alle gevels in roodwitblauw. In de dorpszaal naast de kerk werd het jaarfeest gehouden met drank, eeuwig gelal en harde muziek uit luidsprekers. Reurd kwam nog slechts af en toe in het dorp, waar in de loop der jaren veel was veranderd, woonwijken bijgebouwd waren en hij hooguit een enkeling nog van vroeger herkende, terwijl hij daarvan, achteraf bezien, meestal niet eens zeker was.
    Hij stond een tijdje de toestroom bij het dorpshuis aan te zien; zag steeds meer mensen naar binnen gaan. Uit de deur en de opengezette vensters loeide onbeschaamd versterkte muziek. Hij overwoog of hij zich zou aansluiten bij de bezoekers. Veel gedachten gingen er daarbij weer niet in hem om; hooguit een toevallig commando van zijn hersens aan zijn beenspieren, meer dan een bewust besluit.
    Toen ving zijn oog een bekende op. Het was Arletta-Josefien, aan de arm van een hem onbekende man. Ze leken veel plezier te hebben. Jawrie kwam uit zijn lethargische houding overeind, wilde naar hen toe gaan, maar zij verdwenen al in de drukte; hij vloekte, probeerde in de massa door te dringen, perste zich langs ruggen en armen, maar had te lang gewacht en hij zag hen niet meer.
    Dus toch zij! Als hij er al geen vermoeden van gehad! Iets van razernij begon sinds langere tijd in hem los te komen. Hij stak hij de straat over en deed een poging om binnen te glippen. Maar hij kon geen toegangskaart tonen en kreeg het aan de stok met de uitsmijter, die verdekt stond opgesteld in de gang: "Heb ik jou de vorige keer hier ook niet zien klieren?" vroeg deze, terwijl hij hem met een arm tegenhield. – "Vuile schooier, laat me door!" riep Jawries. De uitsmijter, met een nek even dik als zijn hoofd, was nieuw, en van Reurd Jawries reputatie onkundig, leek niet onder de indruk; hij gaf het idee nergens van onder de indruk te raken. Hij werkte hem verbluffend eenvoudig weer naar buiten en smeet de deur voor zijn neus dicht met een onweersslag.
    Tergend klonk de muziek nog uit de openstaande ramen, evenals het geklater van de vele stemmen binnen, – uitdagend, treiterig.
    "Eruit gegooid! Als een lamlendige zwerver! Mijn hele leven word ik al zo behandeld, gedwarsboomd en gepest. En ik had niet eens verweer! Stik allemaal maar met je feesten! –
    – Maar eens zal ik mijzelf schadeloosstellen. Eens zal ik de ultieme wraak nemen. En lang zal dat niet meer duren."
(Wordt vervolgd met nog één aflevering).



@ 21-06-2015 15:35:42




Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens