zondag 24 september 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Agonie - Afl. 3 van 4
Gepubliceerd op: 22-05-2017 Aantal woorden: 2211
Laatste wijziging: - Aantal views: 137
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Agonie - Afl. 3 van 4

Henk Gruys




Witte wolken, grijze gedachten

Wekte de jongeman met hark langs de stang van zijn fiets gebonden nog steeds bij slechts weiningen argwaan? De schijn werd op z'n minst gewekt dat hij werkte, maar hij werkte nooit. Uren lag hij 's zomers in het gras naar de overdrijvende wolken te staren. De geuren van het gras en van de vriendelijke, gele boterbloemetjes waren al lang verdreven door de stank van modder, sintels en slootwater. Hij vergat op den duur dat het wolken waren, en zag dan slechts zinloze, rafelige vormen in het oneindige, diepe blauw.
    Hij werd er ook niet rustiger van, – somberder eerder, alsof hij aankeek tegen het regenachtige grijs binnenin zijn schedel. Met iets van berusting dacht hij alweer, alweer, aan zijn leven tot nu toe. Een benauwende nachtmerrie; die zich niet alleen uitte door herinneringen voortkomend uit weer andere herinneringen, maar net zo goed voortgang kreeg in de banaliteit van het nu: het kleinburgerlijke leven van de dorpsomgeving, met zijn notabelen door iedereen gegroet, de eindeloos vervelende wegen langs weiland met bomen en koeien, de gelovige goegemeente, de verlammende, tot absolute rust verplichte zondagen en het troosteloze interieur van de School met den Bijbel dat hij zich herinnerde met de feilloze precisie van een foto. Dit bleef hem achtervolgen tot het niet meer te onderscheiden was van de grauwe duisternis waarmee hij omgeven werd en de wanhoop die erbij hoorde. Alles was bevroren verdriet, dacht hij. – Maar de ware oorzaak van dit alles drong niet tot hem door. Hij bevroedde niet dat er langzamerhand steeds meer in zijn hersens afstierf, – kapot ging.

Vreselijk waren de zelfverwijten en schuldgevoelens die hij zich in het hoofd haalde; een martelende gang langs de vreemde bochten en uitwijdingen die zijn hersens waren verplicht te maken. Dan zag hij zijn moeder op een buitenweg voortrennen met wapperende rokken, achterna gezeten door zijn vader met de hooivork. Hij had haar willen waarschuwen, haar willen redden, hij, als zoon in bruut gevecht met een eerloze vader. Want zoveel was duidelijk dat zijn vader haar opnieuw zou doden, als hij, de zoon, niet tussenbeide kwam. Maar zijn spieren leken bevroren door razernij. Hij probeerde de droom te laten stoppen, maar dan verschenen vanzelf de spooksels weer; er kwam nooit een einde aan.
    Het bleef een voorstelling door hemzelf plichtmatig opgeroepen, een visioen dat op een droom leek, maar het niet was, waarbij hij toeschouwer bleef, en geen deelnemer, – zoals hij ook wist, – maar dat maakte weinig verschil.

– Soms klaagden er mensen dat hij verdacht in hun buurt rondhing. Ook als hij eigenlijk niets bijzonders deed. Ze logen dat zij hem als dader van diefstallen, geweld en vernieling herkenden; zodat hij af en toe door de politie werd meegenomen, met de klacht van straatschenderij, inbraak of heling, en belandde hij weer in de cel voor een dag.
    Toch leek het ook wel eens beter te gaan. De volgende stap in zijn opmerkelijke "carrière" vond plaats in een boekhandel. Een sociale hulpverleningsinstantie op christelijke grondslag bezorgde hem daar een eenvoudig baantje. Aanvankelijk leek het daar goed te gaan, kon hij de klanten zelfs tamelijk ordentelijk helpen, en kwam hij in deze kalme omgeving een weinig tot rust. Maar te midden van alle kleurige en zoet ruikende religieuze boeken in de ouderwetse winkel met glas-in-lood-raampjes, kon hij zijn handen niet afhouden van de kassa vol muntgeld en bundeltjes voddige bankbiljetten. Een paar weken duurde het, toen werd de reeks diefstallen ontdekt en hij de laan uitgestuurd. "Je mag blij zijn dat we geen aangifte doen," werd hem toegevoegd.
    Terwijl hij werkeloos in het huis van de neef de ene sigaret na de andere zat te roken, overdacht hij: "waarom eigenlijk stelen in zo'n bekrompen winkeltje met potloden en gummetjes? Die erbarmelijk goedkoop zijn en nog stinken bovendien? Ik kan veel beter op echte rooftocht gaan!" Maar hij was in de dieverij nog onervaren en werd de eerste keer al betrapt bij een onnozele en veel te opzichtige inbraak op een bedrijventerrein. Hij werd veroordeeld, belandde drie weken in de gevangenis. – En daar word je, zoals iedereen zegt, nu eenmaal geen beter mens van. – Maar wat hem ook allemaal overkwam, wat zijn medegevangenen tegen hem zeiden of deden, of hoe hij werd behandeld, het kon hem allemaal weinig meer schelen.
    Een oom die een cartonagefabriek bezat, wilde het na zijn straftijd nog wel een keer met hem proberen. Maar het had, alle goede bedoelingen ten spijt, slechts nieuwe mislukkingen tot gevolg. Na de gevangenis had hij een bijna fanatieke afkeer van vrouwen ontwikkeld. Hij rook de afstotende geuren die zij met zich mee droegen, walgde van hun kleding en gekrulde haren. De kantoormeisjes bespeurden misogyne minachting, vonden dat hij smerige dingen tegen hen zei, – dat hij eigenlijk zonder meer een akelige griezel was op zichzelf. "Die zou ik op een stille landweg niet willen tegenkomen", konkelden ze tegen elkaar met kirrende provinciestemmetjes. Ze beklaagden zich bij de chef de bureau wegens zijn vermeende bedreigingen en hij werd al na een week weer ontslagen.
    Ieder gevoel en compassie voor anderen verdween bij hem steeds meer, hij vegeteerde ten naaste bij; en wat overbleef was primitief en basaal, bracht hem vrijwel in een staat van bestialiteit. Gedrag waardoor hij weer eens in het vizier kwam bij de autoriteiten; ditmaal opgepakt als iemand die zichzelf ernstig verwaarloosde en dringend hulp nodig had.
    Er werden, omdat hij duidelijk in dit gedrag volhardde, en dit niet veranderde, verscheidene psychiatrische rapporten over hem opgesteld. De onderzoekers wezen op erfelijke belasting, en in opzichtige medische termen op de inteelt- en degeneratieverschijnselen die mogelijk een rol speelden, en waarschuwden in rapporten, die nooit openbaar werden, dat dit alles op een ernstige psychose kon duiden, en hij in de toekomst een gevaar voor zichzelf en zijn omgeving kon betekenen. Hij werd behandeld in drie verschillende klinieken, met als enige gevolg dat hij een groeiende aversie kreeg tegen artsen en psychiaters. Na een tijdje wilde hij aan geen enkele therapie zijn medewerking meer verlenen. Geleidelijk verloor de medische stand zijn geduld met hem en raakte hij vanzelf een beetje uit hun gezichtsveld.
    Nadat hij was ontslagen uit het derde gesticht, begon hij zich voor te doen als een pikzwarte religieuze bekeerder. Of dat ironisch bedoeld was, hij de gruwelijke leegheid hiermee wilde bestrijden, dan wel dat zijn geloofsbelijdenis leek te zijn teruggekeerd – wie zal het zeggen. Hij belde huis aan huis aan bij willekeurige mensen en stak onzinnige, quasi-godsdienstige monologen af, vroeg steevast om geld, om de kerk te restaureren, maar niet zelden van het aanhangsel voorzien, dat indien men niet wilde luisteren, ze dat wel spoedig zouden betreuren.
    – Maar dit was helaas niet Spakenburg, maar het heidens verdorven Amersfoort. Vrijwel nergens viel zijn alternatieve zendelingenarbeid in goede aarde. – "Ik vraag u een kleine bijdrage, drie tientjes is al genoeg. Wilt u echt niet twee minuten luisteren naar mij, voor de ware stem van God?"
    – "Nee knul smeer maar in je haar!" was nog de meest neutrale reactie die hem ten deel viel.
    In de dorpen begonnen ze een weinig te wennen aan zijn gedrag. Men was aanvankelijk nog inschikkelijk. Maar steeds moeilijker werd het voor zijn kennissen en familie zich met hem te identificeren. Men sprak er bovendien schande van dat hij door zijn gedrag met het ware geloof zo de spot dreef. Voor het hiernamaals zou hem dat later wel eens duur kunnen komen te staan!


Het Feest

Bijna automatisch verzeilde hij van de wereld van kruimeldieven en kleine oplichters, in die van zwaardere criminelen. Aanvankelijk zagen die in hem een bruikbare hulp voor het opknappen van klein werk, omdat hij zich nergens over scheen op te winden, nooit tegensprak of ergens bang voor was, en alles durfde. Maar hij kon zich in het milieu niet omhoog werken, juist door een houding van lethargie en onverschilligheid, en moest genoegen nemen met de schamele restjes die de anderen lieten liggen. Het gaf niet, hij kwam aan voldoende geld door een voor de rest zorgvuldig verborgen gehouden handel in softdrugs. Een vuurwapen had hij intussen aangeschaft, na lang aarzelen; want schieten vond hij ronduit primitief en banaal. Een moord plegen, indien nodig, met een pistool was koud en zakelijk, zonder enige emotie, en zou hem absoluut niet bevredigen, daarvan was hij overtuigd.
    – Ondanks alles begon hij zich wat te ontwikkelen in de misdaad, hetgeen hoofdzakelijk betekende dat het justitiële apparaat opnieuw aandacht voor hem kreeg. Maar tot dusver waren die bemoeienissen nog weinig effectief. Of dat laatste puur geluk was, – of een gevolg van zijn eigen slimheid, zoals hij zichzelf wijsmaakte, bracht hem niet tot inkeer.
    Van zijn primitieve haat tegen vrouwen kwam hij wat terug, hij liet zich van tijd tot tijd in met een vreselijk opgemaakte vrouw, een Indische, die in de wereld van de raamprostitutie was komen bovendrijven; die hem bemoederde en de valse illusie verschafte wezenlijk om hem te geven. Zij noemde zich Arletta-Josefien, maar niemand geloofde dat het haar echte naam was. "Ja echt hoor, het is zo, ga maar kijken op het gemeentehuis!" Hij realiseerde zich opperbest dat haar belangstelling niet zijn persoon gold, maar zijn vrijgevigheid. Schaamteloos teerde zij op zijn zak. Het ging om flinke bedragen per week, besteed in exclusieve kledingzaken, schoonheidssalons en dure restaurants, maar het kon hem nauwelijks wat schelen.
    Hij had al een deel van zijn leven in detentie doorgebracht, zelfs in een Franse gevangenis gedurende een maand, – al was dat niet vanwege drugsmokkel, maar voor afpersing van een winkelier. De minieme berichten in de Franse pers vermeldden slechts zijn initialen, benevens dat de verdachte geboren was in Spakenbourg (Pays-Bas).
    Maar na zijn vrijlating dook hij wel weer ergens op. De telkens terugkerende onderbreking van zijn vrije leven scheen hem niet te deren. Hij dacht er zelfs niet over om zijn gedrag aan te passen.

Een rode zonsondergang in maart leek de feestelijke opwinding in de straten nog groter te maken. Vlaggen waren uit de bovenramen gestoken en een overdaad aan opgehangen versieringen kleurden in roodwitblauw alle gevels. In de dorpszaal naast de kerk werd het jaarfeest gehouden met veel drank, eeuwig gelal en harde muziek uit luidsprekers. Reurd kwam nog af en toe in het dorp, waar in de loop der jaren veel was veranderd, woonwijken bijgebouwd waren en hij hooguit een enkeling nog van vroeger herkende, terwijl hij daarvan, achteraf bezien, meestal niet eens zeker was.
    Hij stond een tijdje de toestroom bij het dorpshuis aan te zien; zag steeds meer mensen naar binnen gaan. Uit de deur en de opengezette vensters loeide de onbeschaamd versterkte muziek. Hij overwoog of hij zich zou aansluiten bij de bezoekers. Veel gedachten gingen er daarbij weer niet in hem om; hooguit een impuls , een min of meer toevallig commando van zijn hersens aan zijn beenspieren, meer dan een bewust besluit.
    Toen ving zijn oog een bekende op. Het was Arletta-Josefien, aan de arm van een hem onbekende man. Ze leken veel plezier te hebben. Jawrie kwam uit zijn lethargische houding overeind, wilde naar hen toe gaan, maar zij verdwenen al in de drukte; hij vloekte, probeerde in de massa door te dringen, perste zich langs ruggen en armen, maar had te lang gewacht en hij zag hen niet meer.
    Dus toch zij! Als hij er al geen vermoeden van gehad! Iets van razernij begon sinds langere tijd in hem los te komen. Inwendig vloekend stak hij de straat over. Hij deed aan de deur een poging om binnen te glippen, maar kon geen toegangskaart tonen en kreeg het aan de stok met de uitsmijter, die verdekt stond opgesteld in de gang: "Heb ik jou de vorige keer hier ook niet zien klieren?" vroeg deze uit de hoogte, terwijl hij hem met een arm tegenhield. – "Vuile schooier, laat me door!" riep Jawries, terwijl hij zich bleef opdringen. De uitsmijter, met een nek even dik als zijn hoofd, was nieuw, en van Reurd Jawries reputatie onkundig, leek niet onder de indruk; hij gaf het idee nergens van onder de indruk te raken. Hij werkte hem verbluffend eenvoudig weer naar buiten en smeet de deur voor zijn neus dicht met een onweersslag.
    Tergend klonk de muziek nog uit de openstaande ramen, evenals het geklater van de vele stemmen binnen, uitdagend, treiterig.
    "Eruit gegooid! Als een lamlendige zwerver! En ik had niet eens verweer! Stik allemaal maar met je feesten! – Mijn hele leven word ik al zo behandeld, gedwarsboomd en gepest.
    – Maar eens zal ik mijzelf schadeloosstellen. Eens zal ik de ultieme wraak nemen. En lang zal dat niet meer duren."
(Wordt vervolgd met nog één aflevering).



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens