zondag 24 september 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Agonie - Afl. 2 van 4
Gepubliceerd op: 20-05-2017 Aantal woorden: 2157
Laatste wijziging: - Aantal views: 132
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Agonie - Afl. 2 van 4

Henk Gruys




Alle vijfentwintig kinderen van zijn klas zaten getweeën in de schoolbanken, en hij als enige alleen. Wilde er geen andere jongen naast hem zitten, of kwam het toevallig zo uit? Hij brak er zijn hoofd niet over en vond alles best.
    Als ze niet schreven, lazen of rekenden, maar godsdienstlessen kregen, en dat gebeurde uiteraard genoeg op de School met den Bijbel, dan was hij voortdurend aan het draaien aan de knopen van zijn broek of te plukken aan de zomen van zijn trui. Hij verveelde zich dan omdat hij de bijbelse vertellingen al ontelbare malen bij hem thuis had gehoord, elke dag, en zondags drie keer, op onverbiddelijke toon voorgelezen door zijn vader – zodat die teksten hem niets meer zeiden, of dat hij ze wel kon dromen. Zijn enige gedachte tijdens dat eindeloze getorn en gepulk, was om Romero Lagerwey eens een dodelijk pak slaag toe te dienen. – Maar dat voerde hij nooit uit, schold hem zelfs niet uit voor laffe, smerige, stinkende Indiaan, zoals de anderen deden.
    Soms liep de onderwijzeres voor enige minuten voor de klas weg, en liet hen even alleen. In de les waagde er nooit iemand ongevraagd zijn mond open te doen, maar door de afwezigheid van juffrouw de Zwart, die als een veldheer over de klas regeerde, brak er onmiddellijk een beestachtige herrie uit. Zijn buurjongens en neefjes kwamen hun banken uit om met iedereen te vechten.
    Hij deed daaraan nooit mee, hield hen evenwel nauwlettend in het oog, om een eventuele aanvaller direct een bloedneus te kunnen meppen. Zijn schoolgenoten zag hij niet als aparte individuen, maar als een gezamenlijk leger, een kokende vulkaan die alles overstroomde met de lava van zinloze kwaadaardigheid; een veelarmig monster dat overal stompte, sloeg en de zwakken tegen de grond werkte.
    Zulke chaos was een uitgelezen gelegenheid geweest voor wraakneming op zijn enige rivaal, maar die voerde hij niet uit. Omdat hij zeker wist dat, als hij was begonnen met het vuistslagen laten regenen op zijn tegenstander tot die om genade smeekte, hij daar al direct niets meer aan zou vinden. Hij dacht er wel aan, maar hoogstens als een onbepaalde mogelijkheid, of fantasie, of te koesteren illusie, terwijl hij ondertussen naarstig voort schreef met zijn pen en indoopte in de suggestief geurende inkt, in een cahier met ruitjes en rode kantlijn. Onverstoorbaar werkte hij verder aan de zijn taak, en liet zich door niets en niemand beïnvloeden, uitlokken en tarten.
    Als de onderwijzeres na vijf minuten terugkwam, overzag zij kort de situatie, zwiepte met een lange liniaal plat op de voorste bank, wat een knal als van een geweerschot gaf, waarop het meteen stil werd. Het viel hem dan op dat zij een kop had van een hond, met neussprieten, hangoren en slome ogen.
    De onderwijzeres was in menselijke overdenking soms een weinig nieuwsgierig naar hem. Peinzend kon zij hem observeren, met de nagenoeg steriele belangstelling van haar professie, terwijl hij zo geconcentreerd en nauwkeurig door bleef werken. Maar hem te vragen hoe het ging, of wat hem zo anders dan bij de anderen, bezighield, nee, dat paste niet bij het rechtlijnige, fantasieloze beroep van onderwijzeres op de School met den Bijbel.


Vrienden maken

Na de lagere school bereikte hij, even logisch als onafwendbaar, – de puberteit, met haar intense, ingrijpende en zelfs riskante ontwikkelingen. Hij werd in het najaar door neef Goos aangemeld voor een middelbare school in Amersfoort, maar begon na een poosje de lessen stelselmatig te verwaarlozen; was meer niet dan wel aanwezig. Hij doolde in plaats daarvan urenlang over straat, en haalde de onbekendheid die hij ten aanzien van deze nieuwe omgeving had geleidelijk in. Hij sloot zich wederom niet bij andere jongens aan, bleef steeds alleen bij zijn omzwervingen.
    Hij wist allang niet meer wat te doen, niet of hij überhaupt nog iets zou gaan doen. Niets leek de moeite waard om zich voor in te spannen. Hij begon zich boetvaardige gedachten in het hoofd te halen; bijvoorbeeld dat hij er de schuld van was dat zijn vader zijn moeder had vermoord. Hij raakte erover niet uitgepiekerd en meende dat hij wel heel verdorven moest zijn, omdat zijn moeder, toen ze nog leefde, misschien nooit van hem gehouden had – van zo'n slecht kind nooit had kùnnen houden, en dat het de reden was waarom hij meer slaag dan vriendelijke woorden van haar had ontvangen, enzovoorts. Hij begon te denken dat als hij hoofdpijn had, het juist goed was, omdat hij dan gestraft werd voor alle slechte dingen die in zijn verdorven hoofd rondspookten. Of hij begon zichzelf een of ander ongemak aan te doen, of zulks te proberen, schepte een tijdlang zoveel suiker in zijn thee dat hij hoopte dat zijn tanden ervan zouden verrotten en uitvallen, uiteraard onder veel pijn. Hij rookte zo vaak zware shag, gestolen van oom Goos, dat hij er ziek van werd. En hoe beroerder hij zich voelde, des te meer hem werd bevestigd dat het niet meer dan rechtvaardig was als hij pijn leed. Ook voor zijn vader zou hij moeten lijden, deze jaloerse echtgenoot die zijn vrouw op overspel had betrapt, of tenminste dat had verondersteld, – het was ook later nooit opgehelderd – en haar daarvoor had afgestraft. Een laffe moordenaar, – in zulke termen dacht hij over zijn vader. Dat was zijn vader. Die nu krankzinnig was en al jaren een vreemde voor hem was geworden. Hij haatte hem en ging nooit op bezoek in de bajes. En hij zou voor hem moeten lijden? Reurd was nu zestien jaar oud.

De volgende tijd veranderden zijn overwegingen nauwelijks, al werden de visioenen in zijn denkwereld concreter. Tegelijk met alle pijn en gebreken die een onmisbaar deel vormden van zijn leven, cultiveerden ze iets in hem dat hem bevredigend aandeed, ja op een of andere wijze zelfs genotvol was.

Het dorp waar hij vandaan kwam was streng gereformeerd. Zijn hele familie was gereformeerd, want zo lagen de verhoudingen in de zwarte bijbelse streek waar ze woonden, het strenge dorpse milieu dat deze families met hun kinderen ook later niet de rug toekeerden. – Streng in de leer, en ook nog allemaal familie van elkaar. Zijn vader en moeder waren neef en nicht. Oom Goos en tante Geertje waren eveneens neef en nicht.
    – Maar hijzelf begon in de ware, enige God steeds minder te geloven, – niet in "de heerser over allen", waarover de dominees spraken; hij geloofde niet meer in de "rechtvaardigheid" en niet in de "genade". Hij onderging het noodlot van het leven, van de bekrompen omgeving, getekend door ziektes, schuld en boetedoening. Maar bovendien, – en dat was nog niet lang zo – zag hij zichzelf daar bovenuit reiken als een geniaal ziener van zijn eigen situatie.
    In een gemeenschap als deze bleef onkerkelijk gedrag niet lang verborgen. Hun dominee (uit Zuid-Holland) die elke week bij oom Goos op bezoek kwam om in kleine kerkelijke zaken te overleggen, sprak deze aan over het afvallige gedrag van zijn neef. Hij spoorde Reurds pleegouders aan erop toe te zien dat hij in de kerk bleef komen, – en zo niet, dan deze erover ernstig te onderhouden. Maar de laatste keer dat dominee Rustgever weer begon, lachte Reurd hem vierkant in zijn gezicht uit. Praten kon de preker wat hij wou, met het ware geloof had Reurd volledig gebroken. Die doodbidder met zijn schijnheilige smoelwerk zou hem nooit meer in zijn kerk tegenkomen, zoveel was zeker. Hij zorgde ervoor dat hij voortaan niet thuis was als hij kwam. –
    Rusteloos rondgaan in de dorpen en de velden werd zijn voornaamste bezigheid. Liefhebberijen had hij er geen; – was er te ongedurig voor. Hij begon een tamelijk spannend genoegen te beleven door in te breken in schuurtjes en garages, meestal zelfs zonder iets mee te nemen. Zijn leeftijdgenoten die elke avond verveeld op het marktplein rondhingen vatten simpel hun oordeel samen: "Reurd van Piet is langzaam aan het wegzakken." Maar naar de politie gaan, met wat hen aan details ter ore kwam, deden ze niet; ze vonden hem weliswaar een vreemde eendvogel, in zekere zin ook een durfal, maar toch nog steeds een lid van de familie; dus waar de buitenwereld totaal niets mee te maken had. Hij op zijn beurt zag hen als een soort figuratie in zijn leven, verwanten zoals men die nu eenmaal tegen het lijf loopt, maar die je helemaal niet van node blijkt te hebben; – al die neven en achterneven en ontelbare ooms en tantes, die eeuwig in hun eigen kring bleven ronddraaien, en hem toch nergens mee zouden willen helpen. Sterker nog, die, als het erop aankwam, eerder zouden proberen van hèm beter te worden.
    Een benauwende wanorde, vol onzekerheid, risico's en valkuilen, verduisterde steeds vaker zijn blik op de wereld. Hij onderging het, want hij zag geen mogelijkheid eraan te ontsnappen.
    Van tijd tot tijd overwoog hij zelfmoord te plegen; het leven was niets waard. Nu niet en in de toekomst niet. Het idee werd begeleid door levendige voorstellingen, die waren gebaseerd op overgrote fantasie. Je pleegde bijvoorbeeld zelfmoord door van de torentrans van de gereformeerde kerk te duiken. Met hoofd naar omlaag. – Spakenburg vanuit de lucht!! Vijftig meter naar beneden suizen, eindelijk bevrijd, en onbeschrijflijk hard terechtkomen op het plaveisel: BWAPPP!! Deze daad zou de uitwerking hebben van een geschreeuwd protest, het meest rigoureuze en onherroepelijke protest dat hij ooit naar buiten zou kunnen brengen.
    Maar tot uitvoer bracht hij dit niet, want wie zou er nog iets van begrijpen, achteraf bezien; wie zou de onnoembaar ingewikkelde voorgeschiedenis, zo men die al kende, nog als een ultieme rechtvaardiging voor deze daad opvatten?
    Meestal oordeelde hij echter dat de tijd voor zoiets onherroepelijks nog niet rijp was.


"Het moorden van muggen".

Voor het bovenraam van de slaapkamer stond hij een hele tijd bewegenloos naar buiten te kijken. Voorbijgangers hadden hem kunnen opmerken als ze omhoog hadden gekeken, zoals hij er stond als een spookachtige pop in wit ondergoed. Maar er liepen weinig dorpelingen in de straat, en de wandelaars die er waren zagen hem niet, liepen eenzelvig voorbij, op weg naar onduidelijke bestemmingen.
    Hij bleef voor zich uit zien. Een weg, bomen, een rijtje huizen, een paar willekeurig geparkeerde auto's. Alles zag hij zonder het apart te benoemen; langzaam werd de straat tot zinloze, grauwe vlakken gereduceerd. De ontstoffelijking van wat zich afspeelde, die bij hem een totale afwezigheid van gedachten inleidde, een absolute bewegingloosheid en leegte. Hij voelde op afstand goed aan dat hierop geen normale tegenreactie mogelijk was. Het overkwam hem, maar verontrusten deed dat hem niet in het minst.
    Hij bleef zinloos staren naar het uitzicht, dat hij hierna nooit meer vanuit dit standpunt zou kunnen zien dan vandaag voor het laatst. Want beneden hoorde hij gedurig meubels verschuiven, en deuren die dichtgeslagen werden. De verhuizing van oom en tante die de laatste jaren het idee hadden, elk zes maanden naar een ander adres te verkassen, altijd binnen hetzelfde dorp. Het bevelend gepraat van de twee steeg op door de vloer, alsmede de verwijten, als de een het naar de zin van de ander fout deed. "Jij luistert nooit wat ik zeg! – Ik zei al eerder we moeten die ouwe rommel niet mee verhuizen, maar direct nieuwe meubels kopen, en niet wachten tot we in het andere huis zitten." ...vervolgens de schrille tegenstem van tante. – Enz. enz. Reurd geloofde het wel, het interesseerde hem niets, nog niet één kartonnen doos vulde hij met boeken of kleine voorwerpen, zoals ze hem hadden gevraagd.
    Op het raam zaten hier en daar muggen. De insekten bewogen zich traag over het glas; wellicht waren ze uitgeput, verhongerd of aan het eind van hun leeftijd. Hij volgde tijdenlang hun zinloze bewegingen, en mompelde iets over het moorden van muggen.
    Inderdaad suf waren ze, geen mug vloog nog op als zijn dodelijke hand naderde. Kalm drukte hij ze met een theelepel te pletter tegen het glas, met klein vermorzelend geknap, een voor een.
    Bloedvlekken, insektenpoten, spinrag en ander vuil maakten het uitzicht geleidelijk fragmentarisch en troebel, – als moest het een destructief, maar ook schilderachtig grafisch patroon opleveren, met een dunne, strakke lijnverdeling en zwartige sterren op de kruispunten ervan.
    En zoals alles veranderde, zou ook dit veranderen, wegvloeien, kapot vallen, zonder sporen achter te laten. Om dat te voorkomen was niets te bedenken.
(Wordt vervolgd met nog 2 afleveringen).



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens