donderdag 22 februari 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Agonie - Afl. 1 van 4
Gepubliceerd op: 18-05-2017 Aantal woorden: 2199
Laatste wijziging: 09-01-2018 Aantal views: 254
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Agonie - Afl. 1 van 4

Henk Gruys




                            De Ontheemding


Toen hij die middag uit school kwam, was dat een uur vroeger dan gewoonlijk, omdat de meester voor de klas misselijk was geworden, en bevend en grauw in zijn gezicht naar de wc was gehold. De bovenmeester was even later voor de klas verschenen en had gezegd dat ze naar huis mochten. "Jelui hebben vrij," zei hij, "en mogen eerder naar huis, want meester Potse is ziek."
    De bovenmeester keek nog minachtender dan hij altijd al deed.
        "Maar morgenochtend zie ik jullie weer," riep hij, "denk daar goed om!"
    In de klas was direct een storm van energie uitgebarsten; alle jongens renden joelend het lokaal uit naar buiten, achter elkaar aan, sommigen in groepjes van twee of drie.
    Reurd Jawrie liep alleen terug. Het weer was somber, regenachtig. Toen hij bijna thuis was begon het hard te gieten. Hij hield niet van regen op zijn hoofd, armen en blote knieën, en begon te draven. Het was niet ver.

Thuis trof hij zijn moeder niet aan, maar de achterdeur was niet op slot; hetgeen hem deed vermoeden dat zij bij de buurman was, zoals vaker, bijvoorbeeld om groenten te kopen. – Buurman Goos was eigenlijk een oom, een neef van zijn vader, en deze oom had bij zijn huis een grote moestuin, gelegen naast die van hen.
    – Dan hoef ik tenminste niet meteen van die stomme karweitjes op te knappen, zei Reurd bij zichzelf, – aardappels te schillen of brood te kopen en een half uur in de rij staan. Voorlopig kon hij doen wat hij wilde en hij ging naar de schuur, door zijn vader altijd "gereedschapsschuur" genoemd, omdat er een hamer, een zaag en een paar verroeste schroevedraaiers aan de wand hingen, en die een binnendeur had naar het kippenhok. Hij ging er binnen, opende de tussendeur en ging bij de kippen op de aangestampte, kuilige grond zitten. Zo verbleef hij geruime tijd te midden van de hoenders, die stonken en die naar het scheen altijd tegen elkaar op verongelijkte toon aan het klagen waren. De aanwezigheid van de witte en bruine dieren was hem aangenaam en bracht hem enige rust in het hoofd.
    Maar er was toch iets vreemds. Achter de houten schuurwand ving hij telkens een gerucht op, een raadselachtig gestommel gecombineerd met een ritmisch bonkend geluid; en even was het of hij zelfs zijn moeder hoorde, niet bevelend of streng regelend als meestentijds, maar iets op gedempte toon vragend, iets liefs, iets strelends zou je bijna zeggen, of troostends. Dus had zij het tegen iemand. Kon dat oom Goos zijn? Maar wat hadden zij zo zacht te bespreken in de schuur naast die van hem?
    Het boeide hem echter niet zodanig dat hij op onderzoek zou uitgaan. De verklaring van het raadsel zou zich vanzelf aandienen dacht hij, op het moment dat hij daar helemaal niet meer mee bezig was! – Of het zou eventueel nooit tot duidelijkheid komen en dat was hem eigenlijk om het even.

Een half uur verbleef hij nog tussen de kippen; toen verveelde het hem en ging hij terug in de schuur, de tussendeur zorgvuldig sluitend, opdat ze niet zouden ontsnappen. – Zanderig was het in de gereedschapschuur; er lag geen vloer in; langs de zijkant waren houtblokken gestapeld voor het fornuis, en op een oude kast zonder deuren, waar de verf van was afgebladderd, lagen rimpelige, rode appeltjes te drogen. Hij wist opeens niet meer wat hij zou doen, anders dan verveeld uit het zijraam gaan kijken, wat hij vaker deed, en waar je van het achtererf alleen bessenstruiken, warrige fruitbomen en het grasveld zag. De regenbui was weggetrokken op de westenwind, al hoorde hij het nog ritmisch druppen in de dakgoot. De zon scheen een moment, en was dan weer weg.

Toen hoorde hij de stem van zijn vader op het erf van oom Goos. Het was ongewoon, maar toch niet zo heel vreemd. Zijn vader werkte bij een melkveehouderij en kwam op ietwat wisselende tijden thuis. Maar nu was hij vroeg. Het leek wel of ze ruzie hadden op het erf van oom Goos. Even later kwam zijn vader zijn eigen erf op. Hij smeet zijn fiets tegen de schutting en ging door de achterdeur de keuken in; – hij leek wel kwaad, of nee eerder woest!
    Meteen kwam zijn moeder haastig voorbijlopen. Ze had een rood hoofd als had zij geslapen. Haar armen staken tot ver uit haar mouwen, terwijl haar kleren slordig zaten, anders dan bijvoorbeeld nadat zij uit de wc kwam. Reurd begreep er niets van.
    Oom Goos verscheen nu ook op hun erf, met een bosje bloemen in zijn hand dat er uitzag of hij dat zojuist uit eigen tuin had geplukt. "Aleid, maak er toch geen probleem van!" riep hij. Reurd keek steeds naar hun kleren, zo slordig als die zaten, de verfomfaaide streepjesrok van zijn moeder, en van buurman Goos het dikke houthakkershemd en pilobroek, die nonchalant los hingen. Oom Goos stond met die bloemetjes maar een beetje te ginnegappen. Maar zijn vader kwam uit huis en begon meteen weer te schelden, en met zijn vuisten te zwaaien; Reurd kon niet alles verstaan wat hij riep; hij dacht te horen van : Verrot trappen! Ik maak je dood!
    Zijn moeder haastte zich het huis in, met gebogen hoofd of zij een pak slaag vreesde. Zijn vader was zo kwaad, dat hij zijn vuisten gebald in zijn broekzakken hield, net of ze anders konden ontploffen. – Wat weer vervelend was dit! dacht Reurd. Hij begon te zweten. Zijn ouders maakten vaak ruzie. Hij liep dan weg, het erf af en het straatje uit, omdat hij er niet tegen kon. Omdat hij er niets mee te maken wilde hebben, omdat hij alleen maar weg wilde, bang dat ze elkaar gingen slaan. Als hij na een kwartier terugkwam, behoedzaam luisterend of de bui was overgedreven, was alles wat normaler, maar meestal nog niet helemaal tot rust gekomen. –
    Ineens kwam zijn vader de schuur in, greep de hooivork van de wand en ging met haastige stappen terug naar het huis; Reurd die stokstijf achterin stond had hij niet opgemerkt. Die had "Nee vader nee vader!" willen roepen, maar zijn stem leek vast te zitten en klonk slechts als gefluister. Zijn vader was in het huis verdwenen.
    Toen hoorde hij een gegil, was dat zijn moeder? Hij stopte zijn vingers in zijn oren. Verlamd keek hij naar de deur; hij zou iets moeten doen, maar wist niet wat, durfde ook niet in het huis te gaan kijken. Het was nu weer stil, maar het onheil was nog niet overgedreven, het bleef ronddraaien als een onweer. Buurvrouw Geertje zag hij ineens hun erf op lopen en naar binnengaan. Maar zij kwam direct weer naar buiten; hij zag heel goed dat zij vreselijk huilde. Zij verdween ijlings achter de bomen naar het tuinhek. Daarna gebeurde er even niets meer.

Grijze politieauto's draaiden met grote haast hun erf op en stopten, een kleine en een grotere. Reurd begreep nog steeds niet wat er aan de hand was, maar dorst niet tevoorschijn te komen, hield zich muisstil.
    De agenten stapten uit de wagens gingen de achterdeur van hun huis in; even later kwamen ze weer naar buiten en voerden iemand mee. Het was – zag hij dat goed? – zijn vader! Het was alsof hij had gevochten, čn had verloren, zo zag hij eruit; Reurd zou hem bijna niet herkend hebben. Ze duwden hem voorzichtig de grootste auto in, en die draaide meteen het erf af.
    Er reed nu ook een ambulance het erf op; twee mannen in bruine overalls stapten uit en gingen hun huis binnen. Even later kwam er een politieman naar buiten en ging bij de keukendeur praten in een telefoon.
    De twee andere agenten begonnen op het erf te zoeken en vonden Reurd al gauw. Ze brachten hem naar hun auto en deden hem instappen.
    Daar keek hij bang en onzeker om zich heen; al had hij nog nooit in een politieauto gereden, dit was helemaal geen avontuur om later tegen iedereen over op te scheppen. Hij had wel tegen alles in opstand willen komen, maar keek slechts uit de raampjes met een verdrietig, leeg gevoel. "Mijn vader, waar is hij nu?" vroeg hij na een poosje zacht, "gaan we nu naar hem toe?"– "Je vader is heel erg ziek jongen," zei de agent die naast hem zat, "wij hebben hem gebracht naar een soort ziekenhuis, om hem gauw weer beter te laten worden."
    Op het bureau van het naburige dorp, in een kamertje met weer andere agenten, kregen ze gezelschap van een oudere heer met een klein stalen brilletje op en een bijna kaal hoofd, het leek wel een huisdokter. De heer zei hem op zachte toon vol begrip en medeleven dat hij waarschijnlijk wel wist dat er bij hem thuis iets vreselijks was gebeurd.
    Dat zijn moeder helaas niet meer leefde en zijn vader niet langer voor hem kon zorgen.

Het was zo geregeld dat hij voorlopig bij tante Geertje mocht blijven wonen.
    Nadat de politie hem daar had afgeleverd, zat hij nog een tijdje snikkend in een hoek bij het raam. Tante liep alsmaar jammerend door de huiskamer op en neer. "Wat verschrikkelijk! Ik heb nog nooit zoiets vreselijks meegemaakt!" riep zij. – "Al dat bloed!! Ik ben er zó van geschrokken! Je vader, wie had dat nou kunnen denken. Het is dat ze hem gearresteerd hebben, anders was de volgende Goos wel geweest. En Goos hebben ze ook al meegenomen, en ik weet niet wanneer ze hem vrijlaten!"
    "Ik wil niet bij jullie," huilde hij. "Ik wil naar mijn eigen huis!" – "Dat kan niet," zei tante. "Luister nou, je blijft een tijdje bij ons logeren, naar huis mag niet, dat kan niet, wees nou maar rustig. Wil je niet een boekje lezen? Of ga met Sjoerd en Marije spelen!"
    Het werd een verwarrende en ontzinde avond in het huis dat hem zo bekend was en nu toch zo heel anders leek; zijn hoofd raakte langzamerhand verzadigd van de pijn, angst en vreemde gedachten, en hij kon na een tijdje helemaal niet meer denken. – Geen hapje eten nam hij, steeds zwijgend zat hij met tante en de twee meesmuilende kinderen aan de eettafel, plukte gedurig aan het tafellaken ter hoogte van zijn rechterknie, zodanig dat tante Geertje het niet kon zien en hem een tik geven, zo vreesde hij. Net als zijn moeder, maar die was er niet meer. Hij wilde nog steeds op zijn moeder wachten, had feitelijk al die uren steeds op haar gewacht tot zij terug zou keren, had nog niet willen geloven dat zij dood was, – maar langzamerhand werd duidelijk dat ze niet meer terug zou komen, nee nooit meer terug zou komen. Hij bleef plukken aan de dunne stof van het tafellaken, net zolang tot er veel draadjes vrij kwamen te hangen en zelfs geheel loslieten.
    Hij kon niet bedenken waarom het was gebeurd. Waarom vanmiddag deze onbegrijpelijke gebeurtenis hen had getroffen; alsmaar niet. Waarom niemand van tevoren had gezegd dat er zoiets kon gebeuren, en geen anderen had gewaarschuwd. Dan was het misschien nog te voorkomen geweest... dacht hij, – en hij... heel misschien, al wist hij, naarmate hij erover nadacht, steeds minder hoe hij dat had moeten doen.


Spelende kinderen

Een jaar later. Nooit speelde hij met andere kinderen van de School met den Bijbel. Niet in het speelkwartier, en ook niet in de namiddag, als eindelijk de bel van vier uur luidde. Hij wilde niet met hen omgaan. Maar hijzelf werd door de anderen, onder wie zijn neefjes en nichtjes, ook gemeden; ze vonden hem vreemd omdat hij zo stil was en ondoorgrondelijk. Hoe jong ook, instinctief voelden zij dat om hem te benaderen er onneembare barričres lagen, en bespeurden ze iets van zijn arrogante onverzettelijkheid. Hij begreep van hen ook niet veel, omdat zij zo anders leken dan hijzelf, en dat zij vooral op een andere manier schenen te denken. Na schooltijd ging hij altijd direct naar het huis van oom en tante.
    Op school kon hij evenwel verrassend goed meekomen, maar was toch niet de beste van allemaal. Dat was Romero Lagerwey, een gelige slungel, met sluik zwart haar dat precies in het midden gescheiden was. Die wijsneuzig was en kort aangebonden, en die hij om diens welhaast superieure hooghartigheid, (maar niet alleen daarom), diep haatte. –
Wordt vervolgd met nog drie afleveringen).




Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens