woensdag 20 september 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Bert Pinkster - Die van 33
Gepubliceerd op: 11-05-2017 Aantal woorden: 914
Laatste wijziging: - Aantal views: 113
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Die van 33

Bert Pinkster


Op nummer 33 waren nieuwe mensen komen wonen. Een jong stel, dat nauwelijks aandacht trok in de buurt. Waar ze vandaan gekomen waren, wist aanvankelijk niemand. Het was ook niet belangrijk, belangrijker was dat ze zich zouden aanpassen en hun best deden om opgenomen te worden in het beeld van de straat. Tot nu toe waren er geen signalen dat dat problemen zou gaan opleveren. De buurvrouw van 35 wist al te vertellen, dat hun woonkamer er allerbeschaafdst uitzag en ook de tuin was radicaal aangepakt, want met alle respect voor de vorige bewoners, daar hadden de Bloemstra’s een behoorlijke puinbak van gemaakt. De tuin was in verschillende terrassen verdeeld geweest met op elk niveau een eigen flora, omgeven door houtspaanders en rotspartijen, maar goed onderhouden hadden ze dat toch zeker niet. In het voorjaar moet het wel een mooi gezicht geweest zijn, al die bloesem aan de bomen, maar het was duidelijk dat de zijwaarts uitgroeiende takken een onbezorgde verpozing op de plateaus vrijwel onmogelijk moeten hebben gemaakt.
Toen de Bloemstra’s te kennen hadden gegeven te willen verhuizen en de huur opzegden, bleek dat hun huis nagenoeg onverhuurbaar was en de woningbouwvereniging die de woning in bezit had, had ze ertoe verplicht het huis in bewoonbare staat terug te brengen, onder dreiging van een dwangsom. En de tuin werd als vanzelfsprekend ook meteen aangepakt.
Dat de Bloemstra’s hun huis wat merkwaardig ingericht en opgeschilderd hadden, was de buurt uiteraard niet ontgaan. Vooral buurvrouw Slagter, van 35, die er nogal eens binnen geweest was om een brief te laten vertalen of om te kletsen over andere straatbewoners, had het er meermaals met die anderen over gehad. Maar ja, zíj moesten erin leven en als zíj het mooi vonden zo…
Maar nadat ze dus de woonvereniging geïnformeerd hadden over hun verhuisplannen en die controleren kwam of het huis goed onderhouden was, bleek dat ze toch tamelijk alleen stonden in hun smaak. Het rode plafond in de woonkamer moest gewit en op de muren moest behang; de granollen bepleistering die tijdens de jaren dat zij er gewoond hadden grotendeels aan het oog onttrokken was geweest door immense wandkleden, veelkleurige lappen van anderhalve meter hoogte, moest verwijderd worden en de open keuken diende als hoofdkleur weer wit te krijgen en niet azuurblauw. Ook de oranje gang (muren, plafond, alles behalve de deuren) en de diepbruine toiletruimte konden niet door de beugel. Boven, op de eerste etage, hadden de kamers vooral een eigen sfeer gekregen in rood, blauw en zwart (de ouderslaapkamer).
Toen het nieuwe stel kwam kijken of de woning naar hun zin was, troffen ze de hele familie stevig aan het werk; vooral op donkere ondergronden bleek de witte latex van de bouwmarkt niet meteen te dekken…
“En de zolder?” had het stel gevraagd.
“Ja, de zolder…” zei Bloemstra, “Loopt u maar even mee,” en hij ging ze voor een houten trap op, uitkomend op een ruimte die het gehele vloeroppervlak besloeg, met een dakkapel.
“Hier kunnen we mooi een hobbykamer maken,” zei de vrouw van het stel; hij streek slechts over zijn kin, waarop baardhaartjes stoppelden en mompelde wat.
“Als we het eerder hadden geweten, hadden we de kamers hier intact gehouden. We hadden hier twee schitterende tienerkamers… Maar ja, vorige week waren hier mensen om te kijken en die wilden het er allemaal uit hebben. En ja, wat moet je dan? Dan ga je maar aan de slag. Evengoed als die wilden dat alles licht geverfd zou worden. En nu komen ze er helemaal niet in, blijkbaar!”
“Die lichte verf lijkt me nou niet zo’n slecht idee,” zei de man van het stel, in zijn snor plukkend, “maar dat die zolderkamer weggebroken is, is zonde.”
“Dat dacht ik nou ook. ’t Is alleen maar extra werk. En niet alleen voor mij, want ik kan me voorstellen dat u hier ook weer wilt gaan afscheiden.”
Het stel echter richtte de zolder in zoals die was. Ze maakten er een studeer- annex logeervertrek van en ook werden er waslijnen gespannen, zodat, wanneer er geen gasten waren de ruimte gevuld kon worden met lakens, overhemden en badlakens. Dat was vooral haar idee geweest. Nog weer later kwamen er ook luiers te hangen die gebruikt waren om het kazen van de kleine op te vangen en die als onderlegger bij het verwisselen van de pampers gediend hadden.
En langzaam maar zeker ontwende de buurt de Bloemstra’s. Het helblauwe hekje aan het begin van het voorplaatsje had het nog een hele tijd volgehouden, maar ook dat moest er op een goede dag aan geloven en als de Bloemstra’s al in de herinneringen van de straatbewoners voortleefden, dan werd er toch niet vaker over hen gesproken dan sporadisch. Als bij toeval opgevangen werd dat het meisje bij de groente in de supermarkt een van de dochters ontmoet had bij een bushalte in het centrum van het stadje en nieuwtjes uit te wisselen had. Ja, ze was zwanger. 18 jaar en hoe moest dat nou? Ze draaide er natuurlijk helemaal alleen voor op en dan werkte ze ook nog eens 40 uur. Met minder kon ze niet rondkomen, nee.
En allengs werd de familie vergeten.
De nieuwe bewoners hadden al meteen de vuurdoorn bij de voordeur resoluut onder handen genomen en gekortwiekt, dit tot grote vreugde van de postbode en de krantenjongen, passende gordijnen voor de ramen gespannen en een zwartplastic bordje naast de bel geschroefd met de nieuwe naam: A.G.M. Giallo. En zo was de nieuwe orde bevestigd.


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens