woensdag 20 september 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Bert Pinkster - Het einde van de reis en verder tot de aankomst (Een zomer feest 51)
Gepubliceerd op: 30-03-2017 Aantal woorden: 1841
Laatste wijziging: - Aantal views: 152
Easy-print versie Aantal reacties: 1 reacties

Het einde van de reis en verder tot de aankomst (Een zomer feest 51)

Bert Pinkster


Op de achterplecht van het schip staand zien we diverse scholen vissen meezwemmen. Een oudere vrouw naast me zegt dat dat opgevat moet worden als een goed teken. Het zou voorspoed moeten beduiden. Haar man heeft vroeger op de grote vaart gezeten, vandaar…
In wend me van het groepje af. Ongezien voel ik naar het kleine etuitje in mijn zak. Ik heb honger, maar op deze schuit is niets te krijgen. Gelukkig duurt de reis niet lang. Ik ga naar binnen en zet me aan een tafeltje in de kajuit. Er liggen Engelse en Franse tijdschriften en kranten. Ik pak de Herald Tribune en begin lusteloos te bladeren.
Tijdens onze tussenstop op Jersey verlaten de meeste passagiers het schip in volbepakte auto’s, een enkele camper rijdt in de stoet mee de afrit op. Het oponthoud duurt ruim drie kwartier, dan gaan we verder. Slechts een handjevol passagiers blijft aan boord over.
Pas als Guernsey in zicht komt, begeef ik me weer aan dek. Inmiddels schijnt de zon en is het stralend weer. Nog voor St. Peter Port te zien is, worden we vriendelijk verzocht in onze auto’s plaats te nemen. Het koffertje zet ik voor de bijrijdersstoel.
Ik wacht, samen met tientallen anderen. Onder mijn oksel voel ik de bult, die langzamerhand een onderdeel van mezelf geworden is. Ik haal de envelop met de orders uit het dashboardkastje om naar het adres te kijken. “N. St. J. Paint & Sons,” lees ik, “29 Le Pollet”. Vooralsnog heb ik geen idee waar dat is, maar zo groot is dit eiland niet. Het zal wel ergens in het centrum van St. Peter Port liggen, denk ik. En als ik het niet direct kan vinden, kan ik het altijd vragen. Het is een internationaal gerenommeerd winkelbedrijf.

“Hij is toen naar een eiland voor de Franse kust vertrokken: niet Jersey, maar een ander eiland daar.”

Mijn God, dat is waar: Werner woont hier. Of heeft hier gewoond. In elk geval zal ik niet naar hem op zoek gaan. Maar wie weet kom ik hem toevallig tegen… als hij hier nog woont; het eiland is er klein genoeg voor. En als ik hem na al die jaren herken… Maar misschien is hij allang dood of vertrokken.
De voorkant van het schip scharniert open. Ik start de auto, maar moet nog geruime tijd wachten voor ik het zonlicht in kan rijden. Buiten stuur ik meteen de linkerbaan op. Blijkbaar ben ik de enige die iets aan te geven heeft.
De douanebeambten laten zich niet zien. Ik parkeer de auto, pak het koffertje en de benodigde papieren en stap uit.
In het gebouwtje kijkt de douanier achter de balie gestoord op.
“Goedemorgen,” zeg ik.
“Wat kan ik voor u doen?”
Ik laat hem de papieren zien, toon het verzegelde koffertje, diep het etuitje met diamanten uit mijn colbertjasje en vertel dat ik een pistool bezit en bij me voer.
“Heeft u daar een internationale vergunning voor?”
“Natuurlijk.”
Het wapen zelf wil hij ook zien. Ik haal het uit de schouderholster. Hij pakt het met een kennersblik over, kijkt in de loop en in de ammunitiekamer.

We klommen door een raam dat open stond. Ik keek achterom. Midden in de ruimte stond iemand met een pistool in zijn hand en een ogenblik keek ik recht in de loop daarvan.
“Scheiβholländer!” riep hij met dubbele tong. “Wo bist du?! Wo ist meine Freundin?!”
Ik voelde de grond onder m’n voeten. Belinda reikte naar m’n hand. Ze trok me mee, weg van dat raam, het bos in.

Hij knikt. “Voor wie zijn de juwelen bestemd?”
Ik overhandig hem de envelop met papieren.
Hij knikt opnieuw en zet de benodigde stempels.
Ik bedank hem allervriendelijkst.

’s Middags ben ik terug bij de haven. Wit is hier de overheersende kleur. Het is werkelijk een fascinerend gezicht al die witgeschilderde jachten met hun gezamenlijke mastenbos aan de steigers te zien liggen. Ook de huizen zijn overwegend met witkalk bewerkt. Mijn auto staat op het parkeerterrein onder een palmboom geparkeerd en genietend van de zon loop ik langs de kadekant. Er staan een paar marktkraampjes, waar vis en schaaldieren – voornamelijk krabben – verhandeld worden. Ik blijf er even bij staan kijken.
Dan wordt mijn aandacht getrokken door een vrouw met een mand aan de arm die achter mij langs loopt. Haar gezicht heeft een bruine teint en ze heeft iets jongensachtigs, ook al is ze niet zo jong meer. Ze ziet er goed en zelfbewust uit. Mij keurt ze geen blik waardig.
Ze verdwijnt met haar mand losjes tegen haar zij schommelend een straat in. Ik besluit haar te volgen, maar in de straat die ze ingeschoten is, is het vol met mensen en al gauw verlies ik haar uit het oog en kan ik haar niet meer vinden. Misschien is ze een portiek, een deur, een winkel of een kroeg ingeschoten.
Het is hoogzomer en drukkend warm. Ik wou dat ik mijn jasje kon uittrekken, maar dat gaat nu eenmaal niet.
Mijn hotel ligt op een uitstekende rotspunt een paar kilometer buiten het havenstadje. Het ligt temidden van een veelkleurige bloemenzee en het terras staat vol bougainvilles van reuzenafmetingen. Het terras zelf biedt een prachtig uitzicht op de uitgestrekte blauwheid van de zee. Er varen wat jachten en kleinere bootjes. De grote ferry’s hebben hun route buiten mijn gezichtsveld. Ik zou vanuit mijn ligstoel urenlang de verte in kunnen kijken zonder dat het me zou vervelen.
Ik heb nog vier dagen op dit eiland. De zaken met de heer Michael Paint gingen voorspoediger dan verwacht. De diamanten en het koffertje zijn afgeleverd en over de prijs hadden we het snel eens kunnen worden. Tot de terugreis heb ik de tijd voor mezelf: een korte vakantie op een Engels subtropisch eiland, waar het eten en drinken naar Franse maatstaven gemeten wordt.
De rest van de wereld is ver weg. In de haven liggen de luxe jachten van miljonairs en renteniers. Het hele eiland is proper en schoon. De markt wordt gehouden in een overdekte hal.

Met mijn auto kan ik sommige nauwe weggetjes nauwelijks door. Desalniettemin is het een heerlijke ervaring van oost naar west en van noord naar zuid te cruisen. De kleine walletjes naast de eenrichtinsverkeerswegen doen denken aan Wales, de kleine cottages op de heuvels aan de Midlands. De mensen die hier wonen, zijn vriendelijk, voorkomend en vol vertrouwen in de medemens. Veelvuldig zie ik aan de kant van de weg kistjes tomaten of aardbeien of andere groente of fruit met daarnaast een bordje met de prijs en een bakje voor het geld. Niemand hier neemt iets weg zonder ervoor te betalen.
Heb ik een bord gemist aan het begin van het weggetje? Mijn doorgang wordt versperd door zandheuvels en stapels stenen, waarmee straatwerkers in de weer zijn. Twee zitten op hun knieën, een derde stapelt stenen op een steekkarretje en een vierde lopt met een kruiwagen naar de kant van de weg. Ik zal tweehonderd meter achteruit moeten rijden om een zijstraat in te kunnen steken. Als ik mij omdraai om achter mij te kijken, port het pistool tussen mijn ribben.

Het eiland is stil en de zee een grote blauwe deken. Een kalm briesje zorgt voor wat rimpeling en brengt het gras en de boombladeren even in beweging. Het is het eind van de middag en op mijn wandeling zie ik een man met schapen in een wei. Hij loopt met zijn kudde heuvelop. Hij is ergens druk mee bezig, want hij heeft geen oog voor zijn omgeving en hij beantwoordt mijn groet niet. Ik kan echter niet uitmaken wat hij aan het doen is. Het is een wat oudere man in een grijze regenjas. Hij loopt licht voorovergeboden, zijn broek slobbert over zijn laarzen. Een wit met zwarte dalmatiër springt om hem heen.
Verderop ligt St. Sampson, het andere plaatsje op dit eiland. Het ligt er vredig in het groen. En ik heb alle tijd voor nog een wandelingetje.
St. Sampson heeft dezelfde smalle straatjes als je hier overal vindt, overal ook de lage muurtjes en de kratjes met tomaten of groente. Er is een soort jaarmarkt georganiseerd met traditionele ambachten: een schapenscheerder, een mandenvlechter.
Voor me loopt een man. Hij zeult met een plastic tasje en heeft bijna geen haar meer op z’n hoofd. Het tasje rammelt. Het bevat blijkbaar glaswerk en moet ondersteund worden, zo zwaar is het. Hij duwt een hekje open en betreedt een achterplaatsje bij een huis. Het hekje slaat dicht. Een deur van de woning staat op een kier. Het is een cottagehuisje aan het eind van een rijtje. Ik blijf even staan met m’n handen in m’n zakken en kijk om me heen. Het is al na zessen nu en er is hier geen mens te bekennen op straat. Iedereen is naar de jaarmarkt. Langzaam begin ik aan de beklimming van een grasheuveltje.
Voor mij, onder mij, ligt het huisje van de man, waarachter het dorp zich verder uitstrekt. Ik kijk zo de patio in. Het is een vrij grote ruimte, bestraat en met twee bomen die voor schaduw zorgen. Er staat een rond tafeltje met een kleedje. Ernaast staan twee witgelakte gietijzeren bistrostoelen. De man komt het huis uit en zet een fles Griekse wijn op tafel, legt er een pakje sigaretten naast. Hij roept iets naar binnen. Daarvandaan komt nu een niet meer zo heel slanke vrouw met het haar los. Ze heeft een vroegoud gezicht, zie ik, gegroefd. Ze brengt de kurkentrekker en twee glazen. Ze glimlacht met haar tanden bloot. Haar jurk is vaal en wijd. Hij fladdert om haar benen als ze weer naar binnen gaat. De man draait intussen de kurk uit de fles. Hij is net klaar met inschenken als de vrouw zich weer bij hem voegt met twee borden paella. Ook ik ga zitten, op m’n hurken. Prompt voel ik weer een por in m’n ribben. Het is nog steeds stralend weer; de hemel is staalblauw.
Zie ze hier nu zitten: de leermeester en de leerling. Ze toosten met elkaar. Ik heb de indruk dat zij meer naar hem kijkt dan hij naar haar. Toch is hij inmiddels een echt oude man geworden. Met een uitgezakt lichaam zit hij op z’n stoel, z’n hals in plooien over het zwarte T-shirt dat hij draagt. Zij is natuurlijk een rijpe vrouw geworden en haar gelaat is getekend, maar ze heeft nog altijd de gratie en de charme van een meisje. Onder het eten spreken ze met elkaar. Het is niet veel en ik kan er geen woord van verstaan. Ik neem aan dat het Duits is. Van de zon schijnen zij niet veel last te hebben, zittend in de schaduw van de bomen. Waar ik zit, is het bloody hot. Er lopen druppels transpiratievocht langs m’n lichaam.
Op een veldje verderop staan omringd door toeschouwers drie boerenjongens met dorsvlegels op een houten vlonder te slaan. Het geeft een eentonig, dof geluid, dat ver in de omgeving draagt. Niemand kijkt op als de volgende knal weerklinkt.


Henk Gruys @ 05-05-2017 09:59:04

Een reisverslag in meer dan 50 delen, die je fragmenten noemt (fragmenten van wat?)
Er is een bijna bovenaards doorzettingsvermogen vereist om die allemaal te lezen.

Dit verslag lijkt mij typisch iets wat je voor jezelf schrijft. Wil je echter ook de onbekende lezer boeien, dan moet de tekst prikkelend zijn en verrassend, en daar wordt hier, naar mijn mening, niet genoeg aan voldaan.

Ik stel voor: haal er één ding uit, een voorval, een ontmoeting, en maak daar iets aparts van, iets spannends en origineels.



Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens