zondag 24 september 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Lowan en Harald
Gepubliceerd op: 26-03-2017 Aantal woorden: 1296
Laatste wijziging: 18-04-2017 Aantal views: 141
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Lowan en Harald

Henk Gruys


De kunstenaar Lowan, net hersteld van de jaarlijkse, landelijke griepaanval, was voor het eerst weer buiten, en trapte zijn aftandse driewieler, die een dikke achterband had van een motorfiets, – gebarsten en bleek rood verkleurd, – in de richting van het dorp.
    Op zijn schouder zat de roodblauwe papegaai Sjors, die "Ouwehoer" kon zeggen, of "Lekker weertje Lo!" In de fietsbak: huisvriend Harald in kleermakerszit, naast een levensgroot stenen beeld, dat hij van tijd tot tijd voor omvallen probeerde te behoeden.
    Deze Harald was geen artiest zoals Lowan. Hij las wel graag boeken over de Indiaanse cultuur van zijn voorvaderen. Hij kwam oorspronkelijk uit Bolivia; dus leek hij ook op een Indiaan, met zijn schouderlange, blauwzwarte haar, precies in het midden gescheiden. Zijn haar hing tot in zijn ogen; zodat het verwonderlijk was dat hij nog wat kon zien. Lowan keek recht op zijn kruin: een woeste, geblakerde graspol.
    Lowan betoogde "dat men na een ziekte zich dikwijls als herboren bevond." – Dat was om zichzelf een beetje te bemoedigen, want hij voelde zich nog lang niet de oude. Hij vervolgde: "Na de genezing is de geest opgeschoond van alle kwade invloeden van buitenaf." – "Maar je bent wel tamelijk mager geworden," had Harald tegengeworpen. – "Dat is bedrieglijk man", riep Lowan, "dat komt omdat ik zo'n raar langwerpig hoofd heb."
    Hij zuchtte, want hij was nog lang niet hersteld. Loodzwaar was het beklimmen van een steile brughelling; amechtig en bezweet trapte hij zijn driewieler dansend naar boven, het hoofd als altijd wat ingezakt tussen de schouderbladen.
    "Je ziet er in elk geval belazerd uit," zei Harald, "zal ik het soms even van je overnemen?" –
    Aldus gedaan; ze verwisselden van plaats; Lowan kroop in de bak en ging naast zijn betonnen schepping zitten. Dat was een vrouw met dikke borsten. Zij leek een boeddha. Zij was een reuzin, zij was een opeenstapeling van afgeplatte dikke bollen. – "Het lijkt wel echt!" had de afgevaardigde van het Dorpsmuseum, de opdrachtgever van het kunstwerk , uitgeroepen.
    – Ze naderden de affreuze gemeente Nooitgedacht. Dat was een dorp waarvan de meeste bouwsels nogal uit het lood hingen. Ze waren verzakt, maar de inwoners hielden vol dat ze zo bedoeld waren, door moderne architecten.
    – Harald wist er amper de weg; – dan deed hij altijd maar wat. De driewieler bereikte een straatje vol kuilen. In kleine winkels stonden achter glas etalagepoppen die uitdagend en lonkend naar buiten keken. Ze droegen gevechtskleding, hadden mosgroene helmen op, en de lichtjes op hun machinepistolen knipperden. – Dan is mijn stenen vrouw toch een stuk levensechter, constateerde Lowan tevreden. "Scheppen mag dan lijden zijn, het kost je jaren van je leven, maar het is uiteindelijk toch een succes." –
    "Allemaal gelul!" riep de roodblauwe papegaai Sjors en hij haalde een paar keer woest zijn snavel door zijn staartveren.
    Vochtige, groenig bemoste straatstenen ribbelden de bezoekers tegemoet als vijandige haaietanden, maar Harald liet zich niet weerhouden. Hij bleef fervent de pedalen trappen, uitte geen klacht; hij was zwijgzaam van karakter maar immer onverzettelijk in zijn gelijk. Hij had ooit bij een ruzie in de kroeg met een revolver een keer dwars door de tafel heen geschoten, en toen was het meteen stil: de vechtersbazen deinsden onthutst af, terug naar hun kaartspel.
    Aan de horizon groeide inmiddels een formatie van grijze wolkenbollen, en de zon zou snel verdwijnen achter opkomende buien. Op een steenworp afstand manifesteerde zich reeds een kleine windhoos van vuilnis met kantelende grammofoonplaatjes erin, dwars over de weg. Een schroeilucht woei mee, alsof er iets aanbrandde. Maar rook of vuur kon hij nergens ontdekken. De wolkenmuur aan de einder werd nevelig als een hooggebergte in Zwitserland. De donder rommelde reeds, gelijk een vijandelijke artillerie rond een belegerde stad. "Het weer baart mij zorgen," zei Lowan.
    Aan de overkant, maar een stuk verder het land in, draaide een enorme molen, met wieken die niet met zeilen, maar geheel met honderden boeken bedekt waren. De aanwakkerende wind joeg daar hele bundels losse bladen vanaf, die in de weilanden voortrolden als bij een sneeuwbui.
    De molenaar en zijn vrouw stonden op het molenerf te ruziën. Zij sprongen om elkaar heen als boksers in de ring. Lowan dacht: Het gaat er zeker om of het gevaarte niet moet worden stilgezet, nu er zo'n zware storm op komst is...
    Maar de molen stopte zijn waanzinnige koldergang nog niet. Hij begon andersom te draaien, waarbij de inmiddels lege boekomslagen oplichtten in diverse kleuren, groen als alg, blauw als de zomerhemel, oranjerood als de zonsondergang, en zwartglimmend als de nacht.
    Wat zouden dat toch allemaal voor boeken geweest zijn? dacht Harald. Maar daardoor lette hij even niet op de weg. – Hij gaf een ruk aan het stuur, maar het was al te laat; de handrem deed het niet, er zat niet eens een kabel aan, en het rechter zijwiel bonkte op een bermrand, brak af en rolde in het gras.
    De driewieler dompte. Harald werd opgetild als met een hefarm, en Lowan viel op de grond; maar bezeerde zich niet; hij wreef zich in de ogen. De kromsnavelige Sjors was opgefladderd en naast de weg geland; als iemand had beweerd dat er slechts een blauw gekleurd servetje met iets roods wegwaaide, dan had men hem geloofd.
    Nu bemerkte Lowan welke ramp hen had getroffen. Van het beeld was het hoofd afgebroken; dat lag ernaast. "Wee mij! riep Lowan, "ik weet het nu niet meer. Ik weet niets meer. En als ik het ooit al had willen weten, is dat niet gelukt!" Hij gaf Harald een pets om de oren. "Het beeld onherstelbaar beschadigd," riep hij; "de arbeid van drie maanden vernietigd! Alleen door jouw toedoen! We kunnen ons niet eens meer in het dorp vertonen zonder schaamte, we komen sowieso overal te laat voor; de burgemeester die de hele tijd op ons heeft staan wachten, is ten einde raad in het café gaan zitten. Waarom heb je niet naar mij geluisterd, en heb je mijn waarschuwingen in de wind geslagen?"
    Harald begon te huilen van de klap en keek niet-begrijpend naar Lowan op. Uit zijn neus drupte een straaltje bloed. Lowan staarde nors naar de grond. Maar diep verborgen klonk luid de inwendige stem van zijn geweten: "je lieve vrouw had jij de laatste maanden al te kort gedaan met je overmatige artistieke pretenties; het zou je terechte straf zijn, indien ze zou zijn weggelopen. En nu heb je ook nog Harald, je beste vriend en een nobel mens, geslagen. Jij bent een laf, egoïstisch en decadent monster."
    Het had de roodblauwe Sjors kunnen zijn die dit onherroepelijke en dodelijke oordeel velde. Maar die vloog terug op Lowan zijn schouder, begon ongeduldig heen en weer te wiebelen en riep: "Kunstluis! Rot op!"
    Harald zweeg en snifte af en toe. Ik moet het weer goed maken met Harald, dacht Lowan. Hij verdient het niet door mij zo vernederd te worden. Hij raapte voorzichtig het afgebroken hoofd op. Op het breukvlak fonkelde duizenden minieme diamanten in het laatste licht van de bui. "Alle kunst sterft in schoonheid," dacht hij. Mistroostig paste hij het hoofd op de romp. Zó had het gezeten.
    Toch nog onverwachts stortte de regen uit de zwarte bui in gutsende stralen op hen neer.



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens