woensdag 15 augustus 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Lowan en Harald
Gepubliceerd op: 26-03-2017 Aantal woorden: 1227
Laatste wijziging: 31-12-2017 Aantal views: 453
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Lowan en Harald

Henk Gruys


De kunstenaar Lowan, net hersteld van de jaarlijkse, landelijke griepaanval, was voor het eerst weer buiten, en trapte zijn aftandse driewieler, die een dikke achterband had als van een motorfiets, – gebarsten en bleek rood verkleurd, – in de richting van het dorp.
    Op zijn schouder zat de roodblauwe papegaai Sjors, die "Ouwehoer" kon zeggen, of "Lekker weertje Lo!" In de fietsbak: huisvriend Harald in kleermakerszit, naast een levensgroot stenen beeld, dat hij van tijd tot tijd voor omvallen probeerde te behoeden.
    Harald was geen artiest zoals Lowan. Hij las wel graag boeken over de Indiaanse cultuur van zijn voorvaderen, aangezien hij oorspronkelijk uit Bolivia kwam. – Dus leek hij op een Indiaan, met zijn schouderlange, blauwzwarte haar, precies in het midden gescheiden. Het hing tot in zijn ogen; – hoe verwonderlijk was het dat hij nog wat kon zien. Lowan keek recht op zijn kruin: een woeste, geblakerde graspol.
    Lowan betoogde "dat men na een ziekte zich dikwijls als herboren bevond." – Dat was om zichzelf te bemoedigen, want hij voelde zich nog lang niet de oude. Hij vervolgde: "Na de genezing is de geest opgeschoond van alle kwade invloeden van buitenaf." – "Maar je bent wel tamelijk mager geworden," had Harald tegengeworpen. – "Ach dat is bedrieglijk man", riep Lowan, "dat komt omdat ik zo'n langwerpig hoofd heb."
    Hij zuchtte, want hij was inderdaad nog lang niet hersteld. Loodzwaar was het beklimmen van de steile brughelling; amechtig trapte hij zijn driewieler dansend naar boven, met het hoofd als altijd wat ingezakt tussen de schouderbladen.
    "Je ziet er in elk geval belazerd uit," zei Harald, "zal ik het soms even van je overnemen?" –
    Aldus gedaan; ze verwisselden van plaats; Lowan kroop in de bak en ging naast zijn betonnen schepping zitten. Dat was een vrouw met dikke borsten, een opeenstapeling van afgeplatte dikke bollen, een reuzin. – "Het lijkt wel echt!" had een afgevaardigde van het Dorpsmuseum, de opdrachtgever van het kunstwerk , uitgeroepen.
    – Ze naderden een affreuze gemeente: Nooitgedacht. Dat was een dorp waarvan de meeste bouwsels nogal uit het lood hingen. Ze waren ernstig verzakt, maar de inwoners hielden stug vol dat ze zo bedoeld waren, door moderne architecten.
    – Harald wist er amper de weg; – dan deed hij altijd maar wat. De driewieler bereikte een straatje vol kuilen. In kleine winkels stonden enige etalagepoppen die uitdagend en lonkend naar buiten keken. Ze droegen gevechtskleding, hadden mosgroene helmen op, en de lichtjes op hun machinepistolen knipperden. – Dan is mijn stenen vrouw toch een stuk levensechter, constateerde Lowan tevreden. "Scheppen mag dan lijden zijn, het kost je jaren van je leven, maar het is uiteindelijk toch een succes." –
    "Allemaal gelul!" riep de roodblauwe papegaai Sjors op zijn schouder en hij haalde een paar keer woest zijn snavel door zijn staartveren.
    Groenig bemoste straatstenen en vijandige haaietanden ribbelden hen tegemoet, maar Harald bleef fervent de pedalen trappen, en uitte geen klacht; hij mocht dan zwijgzaam van karakter zijn, hij was onverzettelijk in zijn gelijk. Ooit had hij bij een ruzie in de kroeg met een revolver dwars door de tafel heen geschoten, en toen was het meteen stil: de vechtersbazen deinsden af, terug naar hun kaartspel.
    Aan de horizon inmiddels groeide een formatie van grijze wolkenbollen, en de zon zou wel snel verdwijnen achter opkomende buien. Op een steenworp afstand manifesteerde zich reeds een kleine windhoos van vuilnis, waarin kleine grammofoonplaatjes kantelden, dwars over de weg. Een schroeilucht woei mee, alsof er aardappels aanbrandden. Maar rook of vuur kon hij nergens ontdekken. De wolkenmuur aan de einder was nevelig als een hooggebergte in Zwitserland, en de donder rommelde, gelijk een vijandelijke artillerie rond een belegerde stad; "dit baart mij ernstig zorgen," zei Lowan, "kunnen we nog wel door?
    Aan de overkant, een stuk verder het land in, draaide een grote molen, met wieken die niet met zeilen, maar met honderden boeken bedekt waren. De aanwakkerende wind joeg er hele bundels losse bladen vanaf, die in de weilanden voortvlogen als een vroege sneeuwbui.
    De molen stopte zijn waanzinnige koldergang niet. Hij begon zelfs andersom te draaien, waarbij boekomslagen oplichtten in diverse kleuren: groen, blauw als de zomerhemel, oranjerood als de zonsondergang, en zwartglimmend als de nacht.
    Wat zouden dat allemaal voor boeken geweest zijn? dacht Harald. Maar hij lette niet op, gaf nog een ruk aan het stuur, maar het was al te laat; de handrem deed het niet, er zat niet eens een kabel aan, het rechter zijwiel bonkte op de bermrand, brak af en rolde in het gras.
    Harald werd opgetild als met een hefarm, de driewieler dompte.en Lowan viel op de grond, maar hij bezeerde zich niet. Kromsnavelige Sjors was opgefladderd en gemakkelijk naast de weg geland. Als iemand had beweerd dat er slechts een blauw gekleurd servetje met iets roods wegwaaide, dan had men hem geloofd.
    Lowan zag welke ramp hen had getroffen. Van het beeld was het hoofd afgebroken; dat lag ernaast. "Wee mij! riep Lowan, "ik weet het nu niet meer. Ik weet niets meer. En als ik het ooit al had willen weten, is dat niet gelukt!" Hij gaf Harald een draai om de oren. "Het beeld onherstelbaar beschadigd," riep hij; "de arbeid van drie maanden vernietigd! Alleen door jouw toedoen! We kunnen ons niet eens meer in het dorp vertonen zonder schaamte, we komen sowieso overal te laat voor; de burgemeester die de hele tijd op ons heeft staan wachten, is ten einde raad in het café gaan zitten. Waarom heb je niet naar mij geluisterd, en heb je mijn waarschuwingen in de wind geslagen?"
    Harald begon te huilen en keek niet-begrijpend naar Lowan. Uit zijn neus drupte een straaltje bloed. Lowan staarde nors naar de grond. Maar diep verborgen klonk de luide stem van zijn geweten: "je lieve vrouw heb je de laatste tijd al te kort gedaan met je overdreven artistieke pretenties; het zou je terechte straf zijn, indien ze zou zijn weggelopen. En nu heb je ook nog Harald, je beste vriend en een nobel mens, geslagen. Jij bent een laf, egoďstisch en decadent monster."
    De roodblauwe Sjors vloog terug op Lowan zijn schouder, begon ongeduldig heen en weer te wiebelen en riep: "Kunstluis! Rot op!"
    Harald zweeg en snifte nog af en toe. Ik moet het weer goed maken met Harald, dacht Lowan. Hij verdient het niet door mij zo vernederd te worden. Voorzichtig raapte hij het afgebroken hoofd op. Op het breukvlak fonkelden duizenden minieme diamanten in het valse licht van de naderende bui. "Alle kunst sterft in schoonheid," dacht hij. Mistroostig paste hij het hoofd op de romp. – Zó had het gezeten.
    Er kwam antwoord hierop, toch nog onverwachts, en de regen uit de zwarte bui stortte in gutsende stralen op hen neer.



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens