woensdag 20 september 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Bert Pinkster - Het einde van de reis en verder (Een zomer feest 50)
Gepubliceerd op: 14-02-2017 Aantal woorden: 2490
Laatste wijziging: - Aantal views: 155
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Het einde van de reis en verder (Een zomer feest 50)

Bert Pinkster


Midden in de nacht schrik ik wakker van een droom.
In een vreemd ver land zat een meisje met haar zusjes voor een houten onderkomen papaja’s te eten. Er waren hoge bomen en de zon scheen en ze genoten zichtbaar van het samenzijn, maar plotseling werd het tafereel wreed verstoord door een oudere Indiaanse vrouw, die duidelijk onder invloed was van alcohol of drugs. Ze stormde het terrein op met een geweer in haar handen. Ze riep iets onverstaanbaars en de meisjes keken naar haar en lachten. Ze schreeuwde en tierde in een onbegrijpelijke taal, maar de meisjes raakten niet onder de indruk. Toen richtte ze haar geweer en drukte af. Nog steeds glimlachend liet het oudste meisje haar papaja in haar schoot vallen en viel langzaam naar de zijkant om.
Ik sta op om wat water te drinken. Wel vaker heb ik de laatste tijd dromen waarin Belinda een rol speelt. Soms spelen ze in Duitsland, vaak ook in Canada.

Met het bord op schoot schakel in mijn televisietoestel in. Er wordt vanavond een oude film van Sidney Pollack uitgezonden, Jeremiah Johnson, waarin Robert Redford in z’n eentje een winters berglandschap moet trotseren. Hij ontmoet in deze wildernis een Indiaanse vrouw en blijft met haar samen, totdat… Zou ik Belinda nog wel herkennen als ik haar zou tegenkomen?

“Weet je wat jij moet doen?” zegt een vriendin met wie ik na een voorstelling waar ik met haar naartoe ben geweest in de kroeg een glas wijn drink. “Waarom probeer je haar niet te zoeken? Ze moet toch ergens te vinden zijn. Iedereen laat sporen na. Zelfs als je eropuit bent spoorloos te verdwijnen, is dat vrijwel onmogelijk. Dus moet het op een of andere manier toch lukken haar verblijfplaats te vinden of te achterhalen wat er van haar geworden is.”
Ik moet toegeven dat daar iets in zit.
“Je zult er wat moeite voor moeten doen, maar het moet zeker kunnen. Er zijn officiële instanties die allerlei gegevens over mensen in een archief hebben. Daar moet achter te komen zijn.”
“Ja, dat zal wel…”
“Of je moet het niet echt willen…”
“Dat zit ik me natuurlijk ook al een hele tijd af te vragen. Als ik haar opnieuw zou tegenkomen, is het nog wel hetzelfde meisje als ik me herinner. En wat is dat nou helemaal? Ik ben maar één zomer – twee maanden misschien – met haar samen geweest. En dan al zo lang geleden. Ik heb het beeld van die tijd geweldig geromantiseerd. Toch blijft ze in m’n hoofd spoken. Maar misschien ook wel juist daarom. En wat ook meespeelt, is het feit dat ik nooit fatsoenlijk afscheid van haar heb kunnen nemen.

Ze zei: “Ik wil je graag iets geven, een aandenken,” en ze tastte in haar zak. In mijn hand viel een groen met wit-rode motieven bestikt armbandje van minuscule kraaltjes. “Ik heb het zelf gemaakt,” vertelde ze erbij.
Dankbaar nam ik het aan, schoof het om mijn pols. “Ich finde es wunderschön,” kon ik slechts uitbrengen.

Toen ik haar achterliet, was alles nog prima in orde. We zouden elkaar weerzien en in de tussentijd schrijven. Opeens was er toen een brief dat er een ander in het spel was en van het ene op het andere moment was het voorbij. Brieven werden niet meer beantwoord, de telefoon niet opgenomen; er was geen enkel teken van leven meer. Ik ben nog afgereisd naar het dorp, maar heb haar daar ook niet gesproken. Haar zus vertelde dat ze op reis was naar het buitenland. Die vertelde voorts dat het geen enkele zin meer had verdere toenadering te zoeken, want dat ze helemaal in beslag genomen werd door deze nieuwe vriend. Het was meteen definitief voorbij.
Maar misschien vergis ik me wel niet. Ik weet alleen dat ik er nog niet klaar mee ben…
Ja, ze heeft gelijk: ik moet haar gaan zoeken. Kome wat ervan kome. Het is het enige wat ik kan doen.”
Ik sta op. “Je hebt gelijk, groot gelijk. Ik ga er achteraan. Morgen meteen!”

De volgende ochtend sta ik echter weer gewoon als elke andere dag voor de klas Duitse woordjes te overhoren. De helft van de leerlingen heeft ze weer eens niet geleerd. Ik speel dat ik boos ben en dreig ze de volgende les een schriftelijke overhoring te laten maken. Niet dat ze daar ondersteboven van zijn; ik weet nu al dat het onvoldoendes zal regenen. Het kan ze geen moer schelen. En eigenlijk maakt het ook mij niets uit. Mijn contract loopt aan het einde van dit schooljaar af en ik heb inmiddels voldoende ervaring opgedaan om te weten dat mijn toekomst niet in het onderwijs zal liggen. De kranten staan vol vacatures. Vorige week heeft een zwager van een vriend me al een baan aangeboden als vertegenwoordiger in de juwelenbranche, die me erg aanspreekt. Veel afwisseling en je reist de hele wereld over. Ik zie wel. Eerst dit jaar afmaken.
“Neem jullie boek voor je!
Bladzijde 28! Kapitel sechs: ‘Die Indianer Süd-Amerikas’”

Eren zwart-witfoto toonde drie meisjes in zonnejurkjes op de trappen voor een houten huis. De ramen stonden open, een gordijn hing naar buiten. De kinderen zaten geposeerd, maar de foto was van te ver genomen om gezichten te herkennen. “Zo leefden we toen,” kwam Belinda’s commentaar en ze liet een andere foto zien, waarop de drie meisjes voor het huis aan het spelen waren. Meer prentjes uit die tijd had ze niet.
“Und deine Mutter?” vroeg ik.
“Heb ik geen foto van. Ze wilde nooit op de foto. Ze is nog heel wild, weet je. Ze jaagt nog op dieren met pijl en boog. Een keer heeft ze op mijn vader geschoten met zijn geweer. Ze is toen door het venster gevlucht en bleef drie weken in het bos.”

Ik zit achter m’n computer en lees de tekst op het beeldscherm:
‘Meine Damen und Herren,
Gerne möchte ich einige Auskünfte eines Mädchens, dass vor Jahren bei euch im Dorf gewohnt had. Ihr Name ist…’
Ik kijk naar de datum, waarop dit document vervaardigd is. Bijna een halfjaar terug. Ik heb er niets meer op gehoord. Als Frau Weigert nog steeds op de Verwaltung werkt… Zo kom ik dus niet verder.

“Ja Guten Morgen, met De Reine. Ik zou graag een en ander over een van de vroegere bewoners van Schranke willen weten, kan dat?
Nou, het gaat om een meisje dat vroeger in het kinderdorp gewoond heeft…
Begin jaren tachtig.
Belida Witth.
Nee, het gaat erom dat ik vroeger, begin jaren tachtig dus, in Schranke gewerkt heb als Bademeister en toen heb ik goed contact met Belinda gehad. Maar zoals dat vaker het geval is, zijn we elkaar uit het oog verloren. Zo gaan die dingen, nietwaar? Maar nu zou ik het contact graag weer vernieuwen. Dus als u me zoudt kunnen vertellen, waar ze op dit moment verblijft, dan…
Ja, ik wacht wel even…
Ja…
Ja hoor.
Pardon? Wat zegt u?
Hoe bedoelt u?
En zojuist ging u…
Ja okay, ik snap dat…
Ja.
Maar hoe…?
Okay. Ja, u zult er ook wel niets aan kunnen doen. Regels zijn regels, nietwaar… Nee, ik heb er alle begrip voor.
Ja, vervelend vind ik het wel, maar…
Ja, goed… Bedankt.”

Dit keer kom ik langs de andere kant Segheim binnen. Er blijkt tegenwoordig een flyer achter het station langs te zijn. Dat scheelt de hele rit dwars door het dorp en over de Autostraβe. Deze route voert langs het bos, waarin de Grillhütte moet zijn, als die nog niet afgebrand is tenminste.

Er was slechts één jongen die me vagelijk bekend voorkwam tussen alle mensen aan de lange, houten tafels. Hij had een rosse baard en scheen mij ook te herkennen, want hij stak een hand op en nodigde me uit naast hem plaats te nemen.
“Hey, Mr. Lifeguard,” noemde hij me
“Hi, how’re you doin’” Ik wist het weer: het Schöffling Sportfest! En meteen kwam het mopje boven: Oberschöffling? Unterschöffling? Maar misschien had ik hem die al verteld…
“Still in Schranke?” informeerde hij.
Ik bevestigde. “Nice Fest,” poogde ik de converstatie gaande te houden. “Right in the middle of the forest, whereas from the road there is no sound you can hear from it. It’s amazing!”
“Das ist nun eben auch das Manko,” zei de baard, die liever wat stevige rockmuziek erbij had gehad.

Zo kom ik aan de ’achterkant’ van het kinderdorp uit. De weg blijkt door te lopen, maar ik sla bij het sportveld, waar niet lang geleden het jaarlijkse Schrankefest gehouden moet zijn af. Langs de school, het kerkhofje en de Schwimmbadstraβe. Langs de speelplaats, langs Gästhaus Sankt Dominik. Voor de Verwaltung parkeer ik m’n auto, half op de stoep.
Binnen vraag ik aan de juffrouw achter de balie waar ik informatie over oud-bewoners kan krijgen.
“Welke informatie had u gehad willen hebben?”
“Ik zou graag willen weten waar iemand gebleven is, die hier vroeger gewoond heeft.”
Blijkbaar is dat niet een erg ongewoon verzoek, want ze kijkt me vragend aan en ik vervolg: “Het gaat om een meisje – inmiddels zal het een vrouw zijn – die hier begin jaren tachtig in het kinderdorp gewoond heeft. U houdt vast wel een register bij of zo.”
Jazeker, dat hebben ze. Ze zet zich achter de computer die aan de zijkant op de desk staat, toetst een paar keer iets in, kijkt naar het scherm en dan naar mij.
“Het gaat om een meisje met de naam Belinda Witth. Ze woonde destijds in Haus Gemma Galgani.”
“Witth, zegt u?”
Ik spel haar naam. Ze verricht wat handelingen.
“Ja, hier heb ik een Familie Witth. Die Frau Elsbeth, Belinda, Kristel en Monika. Om wie ging het, zei u?”
“Belinda.” Ik kan het bijna niet geloven.
“Ja, hier heb ik haar. Wat wilt u precies weten?”
“Waar ze naartoe gegaan is toen ze Schranke verliet. Kunt u dat voor me opzoeken?”
“Ja, dat zal wel lukken. Hier staat dat ze in 1983 het kinderdorp verlaten heeft met bestemming Grasheim.”
“En een adres? Staat er ook een adres bij?”
“Nee, het spijt me. Alleen de stad. Grasheim.”


“Maar wat wilt u nu, meneer? En met welk doel, als ik vragen mag. U kunt toch ook gewoon het telefoonboek raadplegen, als ik zo vrij mag zijn… Dan weet u meteen adres en telefoonnummer. U snapt toch wel dat wij niet voor iedereen die toevallig iemand ontmoet heeft alle gegevens maar kunnen gaan opzoeken. En dan nog iemand uit 1983! Nee meneer, ik moet u teleurstellen: dat is een doodlopende zaak. Gelooft u mij maar. En ik heb al helemaal geen tijd en zin me met zulke futiliteiten bezig te houden. Dat loopt nergens op uit. Ziet u dat toch zelf ook in.”
“Nou ja… Als u me dan niet wilt helpen…”
“Heeft geen enkele zin, meneer.”
“Okay.”
Terug in de hal valt mijn oog op het bordje ‘huisvesting’, dat door middel van een gestileerd handje een gang in nodigt. De ambtenaar die mij net te woord gestaan heeft, is intussen met ongetwijfeld veel interessantere zaken bezig dan mijn simpele verzoekje en heeft geen oog meer voor mij. Vooruit! De gang in.
Na ongeveer tien meter is een nis met een balie en een jongeman achter een computer. Hij kijkt me vriendelijk aan.
“Goedemiddag,” zeg ik, “een collega van u heeft me hierheen verwezen. Dit is toch ‘huisvesting’?”
“Jazeker, wat kan ik voor u doen?”
“Ik zoek een vrouw, die hier in 1983 is komen wonen. Haar naam destijds was Witth. Belinda Witth met twee t’s en een h op het eind.”
De man drukt een paar toetsen van z’n computer in.
“W-i-t-t-h.”
Hij beroert opnieuw een paar toetsen, tuurt weer naar het scherm.
“1983, zei u?”
Licht opgewonden bevestig ik.
Dan schudt hij zijn hoofd. “Nee het spijt me, maar daar kan ik u niet helpen. Ik heb in mijn gegevens niemand met de naam Witth. Het kan natuurlijk zijn dat ze hier wel is komen wonen, maar zich niet ingeschreven heeft als inwoner van Grasheim. Vooral bij jonge mensen komt dat vaak voor. Misschien heeft ze een tijdje bij iemand in huis gewoond of op kamers.”
Hij kijkt me over zijn halve brilletje vol medegevoel aan. Het spijt hem echt zeer, maar hij kan me niet verder helpen.

Ik heb zojuist Edelbach achter me gelaten als me naast de weg een manege opvalt met de naam ‘Steingarten’.

Het interieur was geheel en al met houten balkjes betimmerd. Er waren afgescheiden tafels met banken eromheen. Er was een houten bar, waarboven een paardenhoofd hing. Aan de wanden van het lokaal hingen allerlei paardenattributen: leidsels, zweepjes, hoofdstellen en hier en daar een verdwaald hoefijzer. Bij de tafels helemaal aan het eind van het middenpad was lawaai, gelach en geschreeuw. Daar moesten we dus zijn. Toen Werner ons in het oog kreeg, riep hij: “Powers! Ronnie! Come here! Jullie kunnen hier zitten!” Hij vermaakte zich zo te zien uitstekend en tegen een meisje dat rondliep en bestellingen opnam, zei hij: “Nochmals für mich, bitte!”
We konden aanschuiven en kregen twee grote potten bier voor onze neus. Het was overwegend een mannenaangelegenheid. De meesten maakten grote gebaren en schreeuwden om het hardst. Ook als ze gewoon praatten, maakten ze herrie. Waarschijnlijk waren er veel lui van de Amerikaanse basis, want de voertaal was overwegend Engels. Powers had dan ook direct aansluiting. Hij moest vertellen waar hij vandaan kwam, wat hij hier deed… De enkele Duitsers die er tussendoor liepen, deden hun uiterste best ook Amerikaans te lijken. Eén, met een stetson op zijn knar en cowboylaarzen aan, sprak Duits met een zwaar accent. “I lived in Dallas, Texas, for five years,” legde hij ongevraagd uit en vrat pinda’s met handen tegelijk uit het schaaltje dat op tafel stond.

Monika was gek van paarden geweest.
Ik gaf een ruk aan het stuur en parkeerde de auto naast een dressuurbak.


Op pag. 18 van de Frankfurter Allgemeine staat mijn advertentie:

‘Gezocht: Belinda Witth
Leeftijd: ca. 40 jaar
Belinda heeft eind jaren ’70 in Kinderdorp Schranke gewoond (nabij Segheim). Daarna is ze verhuisd naar het stadje Grasheim (onder Heidelberg). Iedereen die informatie heeft in verband met Belinda’s huidige woonplaats of anderszins wordt opgeroepen contact op te nemen met:
Ronald de Reine
Tel.: 003120*******’

Maar ik weet natuurlijk helemaal niet of ze die krant leest. Vroeger in Schranke had ik altijd alleen maar een regionaal dagblad gezien. Ik zou een campagne kunnen beginnen in alle landelijke en regionale bladen in Duitsland… En dan wellicht ook buiten Duitsland. Canada?

“M’n vader komt ons ophalen, dat heeft hij beloofd. Dan ga ik terug naar Canada. Leuk hè?”

Het is een naald in een hooiberg en ik besluit het maar bij deze ene poging te laten. Komt er respons: prima, uitstekend; komt er niets: jammer.

Er komt niets.


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens