woensdag 20 september 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Bert Pinkster - Het einde van de reis (Een zomer feest 49)
Gepubliceerd op: 12-02-2017 Aantal woorden: 8626
Laatste wijziging: 05-03-2017 Aantal views: 183
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Het einde van de reis (Een zomer feest 49)

Bert Pinkster


Zo had het moeten gaan, misschien. Het had ook anders gekund. Uiteindelijk is er misschien wel geen objectieve werkelijkheid. Ook niet in gebeurtenissen, die wel of niet – en in welke vorm dan wel? – plaatsvinden. Kies maar, zie maar. Mij maakt het in ieder geval niet veel meer uit.

Vanaf de bergrug zie ik in het dal een stadje liggen. Dat zou Grasheim moeten zijn. Nog even dus. Een bord aan het begin van de bebouwde kom geeft aan dat ik me niet vergist heb: Grasheim. Ik rijd een viaduct over en moet een lus maken om op de weg door de stad te komen. Weliswaar is het een tweebaansweg, maar op een of andere manier is hij toch smaller dan in mijn herinnering. Hoewel ik mijn ogen de kost geef, ontdek ik geen enkel aanknopingspunt. Ergens hier moet toch de discotheek zijn waar we ’s nachts uitgeknikkerd zijn omdat we de laatsten waren en niets meer te drinken konden bestellen omdat ons geld op was. Maar ik herken niets en al snel rijd ik Grasheim alweer uit.
Het gaat verder richting Tschabberg (heb ik daar ooit eerder van gehoord?) en Heftling (wat wel een belletje doet rinkelen, ergens!). En verdomd, voor mij doemt het plaatsje Bergeiβ op, waar een Amerikaanse legerbasis was.
Ik zie er echter niets van terug, geen voertuigen en ook geen soldaten. De naam van het gehucht op het bordje onder het doorgestreepte Bergeiβ zegt me weer helemaal niets. Het volgende dorp echter dat vervolgens aangekondigd wordt, is Schöffling. En dat komt me zeker bekend voor: Oberschöffling, Unterschöffling, Mittelschöffling!

We zitten met z’n allen in de kamer bij Paul Weigert. Een Amerikaan in tuinbroek met daaronder een rood-zwart flanellen houthakkershemd neemt het woord: “Okay, so listen! It’s hilarious! I’ll tell you what happened. It was just this afternoon that I thought that it was about time to get myself a haircut, so… Ik zat daar in de stoel bij de kapper in Segy en de man begint te knippen en te praten and he askes me where I come from en ik had net dit verhaal gehoord van een van de Schrankekinderen, dus ik zeg: ‘Ken je die geschiedenis van die persoon uit Schöffling die op reis naar Peking wilde?’
‘Nee,’ zegt die kapper, dus ik begin: ‘Die man woont dus in Schöffling en wil naar Peking. Hij gaat naar het station van Schöffling en zegt: ‘Een enkele reis Peking graag.’ Maar de lokettist antwoordt: ‘Peking? Peking? Nooit van gehoord. Waar ligt dat?’ Dus de man zegt: ‘Kom op nou, iedereen weet toch waar Peking ligt! Zo’n grote stad… Een wereldstad!’ ‘Het spijt me zeer,’ zegt de man achter het loket, ‘maar ik heb er nooit van gehoord. Parijs ken ik wel…’ ‘Goed,’ zegt de man, ‘geef me maar een enkeltje Parijs dan.’ In Parijs aangekomen wil hij natuurlijk toch verder reizen naar Peking. Dus hij probeert zijn geluk opnieuw en vraagt om een ticket naar Peking. ‘Peking? Peking?’ zegt de Franse lokettist (en Art kan zijn lachen bijna niet meer houden). ‘Nooit van gehoord! Wel kan ik je een ticket naar Londen geven.’ ‘Okay,’ zegt de man, ‘dan maar naar Londen. Dan probeer ik het van daaruit wel weer.’ Maar ook in Londen overkomt hem hetzelfde verhaal. Hier kan de spoorwegbeambte hem wel verder op weg helpen naar Moskou, maar Peking? Nee nooit van gehoord! In Moskou lukt het de man dan om een trein naar Hongkong te nemen en eindelijk, in Hongkong, kan hij een trein naar Peking nemen. Daar loopt hij dan een paar dagen rond, ziet alle bezienswaardigheden, gaat naar de Chinese opera… en na een tijdje denkt hij erover maar weer eens op huis aan te gaan. Hij vraagt zich wel af hoe hij daar in godsnaam in zal slagen, aangezien de heenreis al zoveel problemen opleverde. Met een zwaar gemoed komt hij dus op het station en vraagt er zonder veel hoop: ‘Hebt u voor mij misschien een enkele reis Schöffling?’ Waarop de man achter het loket vraagt: ‘Jazeker. Wilt u naar Obelschöffling, Untelschöffling of Mittelschöffling?’”
We lachten, ook ik.

Na een kwartier kom ik uit op een driesprong. De weg links voert naar Kleinbucholzbach, de weg rechts naar Edelbach. Daar woonde Mildred destijds. Samen met een vriendin.

Het meisje met de zwarte haren loodste me mee naar een klein kamertje, dat lichtblauw geschilderd was en waar knuffeldieren op een rotan tweezitsbankje lagen. Het bed was een soort twijfelaar. Terwijl ik de ruimte in me opnam, verdween ze en ik liet me op het bed zakken. Daar kwam Elsbeth voorbij. In de woonkamer stond de bedbank voor haar klaar. Ik vroeg me af of ze daar altijd op sliep. Wel lekker breed, het was een driezitsbank. In de vensterbank zag ik varkentjes en beren. Het duurde lang voor ze terugkeerde. Ik begon m’n T-shirt, schoenen en sokken alvast uit te trekken. Daar liep Elsbeth weer voorbij, nu met alleen een slipje aan. Haar borstjes wipten op en neer.
“Gute Nacht,” zei ze.
“Gute Nacht,” herhaalde ik onzeker.
Even daarna kwam Mildred binnen in een soort babydoll. Ze was wat mollig, en toch ook weer niet. In haar gezicht spande haar huid om haar schedel en toch had ze een rond middel. Maar misschien kwam dat wel allemaal door de drank die ik op had, want ik merkte dat het me steeds meer moeite kostte mijn ogen op één punt gericht te houden en in me op te nemen wat ze precies registreerden.
“Waar zal ik slapen?” vroeg ik.
“Waar je zin hebt.”
Ik trok uit wat ik nog aan had en tilde het laken op. Ze had haar broekje uitgelaten. En ik dacht: wat heeft ze minuscuul kleine voetjes, toen ik het laken verder van haar af trok. Daarna zakte ik moeiteloos in haar weg.

Ik draai aan het stuur. Ik heb geen idee waar haar huis stond. Ik herken eerlijk gezegd helemaal niets. Op een kruising staat Segheim aangegeven.
Ik volg de weg, maar langs de route komt nog steeds niets me bekend voor. Elf jaar heb ik niets van me laten horen, maar ik heb ook elf jaar niets van de anderen gehoord. Niemand zal iemand iets kwalijk kunnen nemen.
Al een tijdje rijd ik nu langs een spoorlijn. De weg gaat eronderdoor. Verdomd, bij het viaduct staat een bord: Kammern. Alles komt weer boven: het Sportfest, de grote tent, de muziek, het dansen, de drank, Zur Goldenen Krone…

Ik had drie slokken van mijn whisky-cola genomen en de band zette The Mighty Quinn is als laatste nummer van de avond. Onder de coniferen die een wand vormden tussen de Bühne en de bar vond ik een plaatsje voor mijn glas en ik stormde de dansvloer op. Ik had nog nauwelijks gedanst vanavond en gaf me helemaal over aan de muziek.
“Come on without!
Come on within!”
We zongen uit volle borst. Mijn knieën sloegen tegen de planken. Vanuit een verre hoek lachte Powers me goedkeurend toe.
“You’ve not seen nothing like the Mighty Quinn!”
Een meisje verborg haar gezicht in mijn hals; het volgende moment zwalkte ze weg op het ritme van een gitaarsolo die eindeloos duurde. Nogmaals werd het refrein ingezet en nogmaals brulden we mee met onze handen in de lucht en nog eens… en toen het echt afgelopen was, plakte mijn T-shirt aan mijn lichaam alsof ik ermee in de stortregen gelopen had. “Zugabe! Zugabe!” hoorde ik om me heen. Ik wist dat het geen zin had bij deze jongens en liet mijn ‘We want more!’ achterwege.
Mijn glas stond er nog onaangeroerd. Mijn hart bonsde nog steeds wild, mijn benen voelden zwaar. Ik schuifelde naar opzij om aan de zijkant van de afgeschoten ruimte wat op adem te komen onder het lichtgekleurde zeildoek.

Een bocht naar links. Daar is het!!! Ik zie plotseling het bruggetje over het beekje waar we zo vaak overheen gewandeld zijn. Meteen daarna moet Zur goldenen Krone liggen. Ik parkeer de auto op de voorplaats van een bedrijf dat zich recht tegenover het bruggetje gevestigd heeft.

Het was elf uur geweest. We namen plaats aan de lange zijde van de bar. Mildred kwam lachend op ons af. “Zo laat nog op pad?” zei ze en tapte alvast drie biertjes voor ons. Ze had Italiaans bloed en als je haar niet goed kende, leek ze een beetje stuurs te kijken. Maar ze was bijna nooit slecht gehumeurd. In rust trokken haar mondhoeken gewoon omlaag. Daar kon ze niets aan doen.
“Mildred,” vroeg Werner, “du Süβe. Zou jij voor ons zo’n overheerlijke Pfeffersteak willen maken? Zoals jij die maakt, zo krijg je hem nergens! Doe je het? Drie? Bitte?” Haar ogen sprankelden, ze lachte superieur, maar ging toch naar achteren waar de keuken was. “Und noch drei Bier, bitte!”

Meteen na het bruggetje staan twee paaltjes met een meter tussenruimte, zodat je er niet meer met de auto door kunt. Als tweede huis links ligt echter nog steeds de kroeg waar we heel wat liters bier hebben laten vloeien. En waar ik Pfeffersteak gegeten heb. Mildred, Powers, Zur goldenen Krone!
Ik ruk me los van de aanblik. Zur goldenen Krone is niet het doel van mijn reis. Ik schakel in en rijd verder, kom langs een afslag naar Schleudorf. Nooit geweten dat die hier was – of compleet uit m’n geheugen gewist! Schleudorf! Ik herinner me een avond vol regen en illegaal getapte Asbachs in de disco van Schleudorf. Ik herinner me de woorden ‘That direction’, uitgesproken op een druilerige morgen.

“Wo wohnst du eigentlich?”
“Almacker.”
Nooit van gehoord.
“Dat ligt achter Schleudorf.”
Daar waren we gisteravond.
“Hoe wil je thuiskomen?” Ik kon bezwaarlijk iemand vragen haar te brengen…
“Ich geh’ trampen. Das hab’ ich schon so oft gemacht.” Ze was inmiddels aangekleed. “Wenn du mir wenigstens sagen kannst wo Edelbach liegt…”
“Ich kann dir die Richtung zeigen.”
“Das genügt schon.”
“Het spijt me echt ontzettend dat ik helemaal niets voor je te eten heb.” Voor de vorm keek ik nog maar eens mijn kamer rond, maar ik wist dat er niets was. “Komm!” zei ik en sloot de deur achter haar.
Met haar linnen tas over haar schouder liep ze naast me. Ze wist niet eens mijn naam. Die interesseerde haar blijkbaar niet. Van haar was alleen haar voornaam me bekend en dat ze voorbij Schleudorf woonde. En dat haar ouders in discotheek ‘Atlantik’ werkten. Dat was genoeg.
Bij de Autostraβe aarzelde ik even. Hoe neem je afscheid van iemand met wie je niet geslapen hebt, terwijl dat wel de opzet was geweest en waar je bij nader inzien blij om was dat het niet gebeurd was?
“Gelingt’s dir weiter?”
“Ich denke ja. Ich bin ja schon so oft per Anhalter gefahr’n… Sag mir nun bloβ welche Richtung ich geh’n muβ.”
“Diese Richtung,” zei ik en wees de kant van Kammern op, that direction.
Ze draaide zich om. “Tschau!”
“Tschüβ!”

Ik vraag me af of deze weg altijd zo kronkelig en zo smal is geweest. Twee auto’s kunnen elkaar ternauwernood passeren. Hoe vaak heb ik hier gelopen, alleen of met Powers? Hoeveel bochten nog tot het kinderdorp?
Toch nog onverwacht herken ik links van de weg opeens de pottenbakkerswerkplaats van good old Werner. Rechts is dan het bord: Kinder- und Jugenddorf Schranke. Precies zoals ik het me al die tijd voor ogen gehad heb, compleet met kleuren en tekeningen. Het menselijk geheugen is selectief, blijkt maar weer. Ik schakel m’n richtingaanwijzer in.
Als vanouds ligt er de asfaltweg. Rechts is een berghelling, die ik totaal uit m’n herinnering gewist had en de huizen blijken minder smetteloos wit dan ik ze in mijn dromen was blijven zien, maar ze zijn er! Ze staan doods op een rijtje en ik kan niet ontdekken of een ervan nog steeds dienst doet als ontmoetingsruimte, noch of een ander als winkel ingericht is. Wel is er aan het eind een bouwput, waar voorbereidingen voor de bouw van een nieuw huis te zien zijn. In een knik van de weg zie ik Haus Sankt Theresia. Het blok ernaast is verdwenen, afgebroken. Ik kijk naar boven als ik er voorbij rijd. Het balkon aan de voorkant van Sankt Theresia is er gelukkig nog. Achter hoge bomen worden de contouren van een kerk zichtbaar. Als ik de bocht door ben, zal ze beter te zien zijn. Alle bomen en struiken zijn gigantisch uitgegroeid. Een hond verdwijnt met de staart tussen z’n poten tussen het groen als ik voorbij rijd. In het weiland aan de binnenzijde van de bocht is de wei leeg. Ooit had daar Yoshi, de ezel, gestaan. Op een morgen was hij weg. Nooit meer terug gezien. God ja, in de volgende bocht is de kleuterschool met een zandbak en twee wiptoesellen. De Verwaltung zie ik – de kerk blijft verscholen achter gebladerte. Links grasvelden met daarop uitkijkend de Familienhäuser. Dan moet rechts de speelplaats zijn, maar een metershoge wal met veelkleurig bloeiende planten en bloemen voorkomt tegenwoordig dat de automobilist er vanaf de weg door afgeleid zou kunnen worden. Het Gästehaus komt in zicht en daartegenover moet dan de entree zijn. Ik rijd het parkeerplaatsje op, waar tussen de steentjes gras groeit en zet de auto neer. Bij het uitstappen werp ik een blik op het huis aan het begin van het parallelstraatje: Gemma Galgani. Pal ervoor worden nieuwe huizen opgetrokken, maar Gemma Galgani is er ook nog. De deur staat zelfs open. En ernaast voert een pad de helling af naar Segheim! In de kant groeien klaprozen en staat gele brem.
Ik ben toe aan een kop koffie.
Op het terras is geen vrij tafeltje meer. De buitendeur van het etablissement staat gastvrij open. Volgens mij kwamen vroeger de wc’s op het halletje uit. Dat is dus veranderd. Een volgende deur brengt me in de gelagkamer. Het is er proper, veel schoner dan het ooit, in mijn tijd, geweest is en het is er stampvol. Kinderen rennen er heen en weer, mensen praten luid. Daarbij is er dan ook nog het geluid van popliedjes uit een muziekinstallatie. Het duurt even voor het me lukt structuur in de geluidsbrij te vinden. Ik ga op zoek naar een plaatsje en of de duvel ermee speelt, kan ik aan onze eigen vroegere Stammtisch aanschuiven, waar ik na enkele minuten het rijk alleen heb. Aan de muur hangt een schildje, voorstellend een verguld duivelskopje op rood velours. Eronder staat met zwarte letters: SATANSSCHRANKE. Hoewel ik het nog nooit eerder gezien heb, weet ik het meteen te plaatsen. Dan zullen Paul en Aleit Weigert hier vast ook nog wonen.

“Wij houden hier elke vrijdag Stammtisch, moet je weten,” verduidelijkte Paul.
“Oh.”
“Wij vormen een eigen gezelschap: die Satansschranke, wie man sagt,” vulde de jongeman met het kale hoofd, die ook aan de tafel zat, aan.
“Ja, das konnte ich ja nicht wissen…”
“Na, schau dir das mal an!” riep de poppenspeler en hij wees naar de ingang.
We draaiden ons om. De Amerikanen waren binnengekomen: Powers en de anderen, een van hen in onvervalste Lederhose.
“Waar heb je die vandaan?” wilde Paul Weigert weten.
In de tweedehandswinkel hier hadden ze ze.
“Ach, verkopen ze daar nog zulke dingen?” riep Aleit verrast.
“Ik heb er nog een in m’n koffer. They’re great!”
Powers zei: “I like them. I’d like to have one of those too.”
“Ik weet niet of ze er nog meer hebben. Dit waren de enige twee die ik kon vinden. Maar ik heb ook alleen bij de grote maten gekeken…” Hij grijnsde in zijn baard.
“Well, it’s worth trying. Where do they sell’em?”
“In een van de gebouwen aan je linkerhand die je voorbijkomt als je het dorp binnenkomt. Naast het Jugendheim…”
Ik zag mijn kans schoon bij de Amerikanen aan het andere tafeltje te gaan zitten.
“Paul, Bier bitte!” bestelde Powers. De barkeeper kwam met een tweeliterglas in de vorm van een laars aanzetten. De jongen in de tuinbroek gilde het uit bij het zien van zoveel bier in een glas. “It’s hilarious!”
“Go on, you’ll have the first sip!”
“And please, no backwash!”
“Okay!”
Daar ging de eerste slok. Vervolgens werd het glas doorgegeven en dronken we om beurten. “The one that ends it, has to pay for the following one!” werd er geroepen toen het bier nog tot boven de enkel stond.
De tuinbroek had hem juist in handen nadat iemand gezegd had: “Here’s the tricky part,” en liet een springgolf over zijn gezicht spoelen. Nu gierden wij het uit en zat hij er bedremmeld bij. Wel betaalde hij sportief voor de volgende Stiefel.

Een meisje met grove krullen, zwarte kleding met een wit schortje, komt de bestelling opnemen. “Koffie, graag,” zeg ik. “Zwart zonder suiker.” Ze schuddebilt weg. Aan de muren hangen behalve het schildje allerlei foto’s. Ik zou ze allemaal minutieus willen bekijken of er iemand op staat die ik misschien herken, maar blijf zitten. Gedachteloos pak ik de menukaart. Cevapčiči staan er niet meer op. Zeker uit het assortiment genomen.

Mildred kwam met de rolletjes gekruide gehakt – elke zaterdag vaste prik – uit de keuken naar onze tafel.
In koor zeiden we: “Cevapčiči!”
Maar Powers keek eens goed en zei: “But no! You’re all wrong! This is the Cevap-Yoshi! For sure, I recognize it.”

Terwijl ik als terloops de overige gasten opneem, laat ik mijn lepeltje in de koffie rondgaan. Geen van de aanwezige gezichten komt me bekend voor. Het grofgekrulde meisje loopt samen met een kortgeknipt zwartharig heen en weer van de zaal naar de keuken en terug. Ze lopen de benen uit hun lijf. Achter de tap staat een jonge man met geplakte haren. In mijn herinnering stond de snoepvitrine voor op het buffet, nu staat ze naast het doorgeefluik naar de keuken op een plank aan de muur. Voorzichtig proef ik van mijn koffie. Hij is sterk en bitter. Uit het gangetje naar de keuken komt een mollige vrouw met diepe groeven in het gelaat. Over de rand van mijn kop kijk ik naar haar, ondertussen kleine slokjes nemend. God, wat is ze klein en wat toont ze vermoeid. Ze heeft wallen onder haar ogen gekregen. Met haar geprononceerde achterste staat ze tegen de vrieskist, waarin het ijs en de ijsthee bewaard worden. Haar mouwen heeft ze opgestroopt. Ze praat met de nieuwe chef terwijl haar haar piekt. Nu kijkt ze naar mij. Herkent ze me? Haar ogen blijven onder het praten op mij rusten en ook nadat het gesprek geëindigd is, blijven ze secondelang op mij gericht. Ik weet zeker dat zij het is. Maar wat moet ik? Wat kan ik?
Ook ik ben natuurlijk ouder geworden.
Ze schuifelt in het gangetje terug. Ik drink mijn kopje leeg en beheerst plaats ik het in het midden van het schoteltje.
Ik blijf nog een tiental minuten zitten, dan vraag ik de juffrouw met de krullen om de rekening. Wellicht kom ik vanmiddag nog terug om de maaltijd te gebruiken…
Op weg naar buiten stoot ik op goed geluk in het halletje een deur open. Erachter bevindt zich een nauwe sluis. Aan het eind ervan is een deur met een telefoontje, maar rechts komt eerst een deur met een vrouwspersoon-in-silhouet en dan een met een manspersoon-. Zo zat dat! Ik sta nu in een betegelde ruimte met tegen een wand vier urinoirs. Ook zijn er vier deuren met een draaislot. Hier hebben Powers en ik dus heel wat gesprekken gevoerd!

“Ron! This is it! Whooow!!”
“It’s great,” vulde ik aan.
“En wat een chicks!”
“Great!”

Het rook toen lang niet zo fris naar schoonmaakmiddelen als tegenwoordig.
Zonder van de gelegenheid gebruik te maken, loop ik terug naar het halletje.
Ik ga naar buiten en steek over, naar het in cirkels bestrate plein met de fontein, die buiten gebruik is, in het midden. Links ervan is een kunstmatige heuvel waarvanaf een glijbaan van ettelijke meters voert. De heuvel is opgebouwd uit korte, lichtgroene stammetjes. Er is een kabelbaan voor kinderen en daarachter torent de enorme touwpiramide, hoger en groter dan ik ooit ergens anders gezien heb.
Midden in de touwconstructie bengelt een jongetje ondersteboven terwijl een ander verwoed probeert op de onderste koorden te komen. Ze roepen naar elkaar. Luttele tellen later komt een meisje van de glijbaan afgeroetsjt. Ik ben dan al via een van de paadjes aan het uiteinde ervan gearriveerd, juist op tijd om te zien hoe het kind in het mulle zand terechtkomt.
Ik sla de richting van de waterspeelplaats in.
Vanaf de Chinese schommel wordt het snel drukker met kinderen die door elkaar rennen en ik zie veel dagjesmensen. Ik denk tenmiste dat het dagjesmensen zijn. Na de schommel staat een soort stormram met twee paardenkoppen waar meerdere kinderen tegelijk op kunnen zitten, daarachter bevindt zich een draaischijf waarvan het de kunst is erop te blijven staan als hij in beweging raakt en een trampoline, die op het moment afgedekt is met planken, defect. Tussendoor is een mager stroompje dat uitkomt in het kleine meertje. Daar rondom zijn zandstrandjes waar houten toestellen met emmertjes en hijsbalkjes opgetrokken zijn, met steigers en loopbruggetjes naar een eilandje. Ook zijn er sluisjes en aparte hijsinstallaties.
Een jongetje roept vanaf het fort op het eiland naar een meisje dat huilend op het strandje staat.
Een moeder troost een kind en samen gaan ze op een bankje zitten.
Ouders lopen met hun kinderen af en aan. Tussen de kinderen zullen er vast ook wel van hier zijn, maar ik zie er weinig alleen. Ook zijn er weinig jongeren van een jaar of twintig. Sommige volwassenen zitten met kinderen om zich heen in het gras verderop.
Ik heb het gezien. Het wordt tijd voor het zwembad. Langs de achterkant van de speelplaats volg ik een paadje dat bij het labyrint uit moet komen. Maar eerst kom ik langs een grasweide, waarvan ik me vaag herinner dat Powers en ik er met wat kinderen voetbal gespeeld hebben. Het veld wordt aan een kant omzoomd door gewelfde muren. Daarvoor zijn op betegelde rechthoeken betonnen banken met in de grond verankerde betonnen tafeltjes met bordspelen erin aangebracht. Ook zijn er twee tafeltennistafels van hetzelfde materiaal met metalen netjes. Niemand speelt hier. Wel zitten een paar jongens en meisjes verveeld met elkaar te praten en te roken. Zoveel is er dus niet veranderd.
Ik voel iets tegen mijn been als ik verder wil lopen. Het is een klein jochie dat beduusd op de grond zit, dan in een onbedaarlijk huilen uitbarst. Snel zet ik de dreumes op zijn beentjes en mompel: “Sorry”, meer tegen de man en de vrouw die toegelopen komen dan tegen het slachtoffertje zelf en maak me uit de voeten.
Een klein weggetje brengt me bij het doolhof terug. Drie spelende kinderen kijken me vreemd aan; het kan me niet schelen. Onder aan de heuvel met de touwpiramide kom ik weer tevoorschijn. Ook deze kant van de heuvel is beklimbaar dankzij de rechtopstaande balkjes. Met m’n handen in de zakken loop ik naar de grofhouten poort die de noordelijke uitgang markeert.
Het zwembadlaandje! Bijna recht tegenover mij is het toegangshek van het bad. Alle gaten in het hek zijn gerepareerd, zie ik vanaf een afstandje al. Er kan dus niet meer gratis gezwommen worden ’s avonds en ’s nachts.

We volgden de omrastering tot om de hoekl van de ingangspoort en kwamen al snel bij het gapende gat, dat daar zat. We konden er zelfs zonder heel ver te bukken doorheen. Het was doodstil. Als inbrekers slopen we naar de waterkant. Er was niemand.
Een plons!! En nog een! Het pikzwarte water was in beroering gekomen. “Come in! The water’s fine!” riep iemand.
Ik liet me op en knie zakken en voelde met m’n hand. Het water was ijskoud.

Maar als ik dichterbij kom en ik de klink van de rasterdeur naar beneden duw, die geen centimeter meegeeft, zie ik dat er iets niet klopt. De huisjes waarin de kleedruimtes, de douches en de toiletten waren, zijn neergehaald. Ook het onderkomen van de Bademeisters is weg. De meeste van de rozenstruiken die om het bad stonden, zijn eveneens verdwenen. Als ik me uitrek, op m’n tenen sta en nog beter kijk, zie ik alleen een groot grasveld: het bad is gedempt! In opkomende paniek loop ik het hek langs, de hoek om tot bij het pomphuisje. Dat is er nog wel, maar uiteraard is ook hier de deur afgesloten. Het hele terrein is veranderd in een soort kampeerterrein, maar dan zonder faciliteiten. Het enige wat ik zie, is een overdekt barbecueplaatsje met wat bankjes. Eigenlijk is het alleen geschikt voor campers.
Bij de hoofdingang rammel ik nog eens aan het slot, zonder dat het enig effect heeft. Ik realiseer me dat ik geen enkele claim op het zwembad kan leggen, maar hoe hebben ze dit kunnen doen?!? Verslagen slenter ik terug in de richting van het Gasthaus. Rechts passeer ik woonblokken. In het laatste ervan heeft Belinda de laatste nacht doorgebracht.

Alles was stil. Op onze tenen slopen we in het trappenhuis naar boven. Daar stond een klein kamertje open, dat ingericht bleek te zijn voor een klein meisje, maar nu was Belinda er ondergebracht.
“Ik moet even weg,” fluisterde ze en verdween de gang op.

Links is het Gasthaus, ‘Sankt Dominik’ staat op het uithangbord; rechts is het begraafplaatsje. Aangezien alles waar ik nog heen wil voorbij Sankt Dominik ligt, besluit ik het kleine kerkhofje eerst te bezoeken. Er blijkt een muur omheen te staan. Onder een afdakje is een soort binnenplaatsje met een kraan boven een grote zinken bak en een ingemetselde gedenksteen met een bijbeltekst. Daaronder de mededeling dat hiermee de laatste rustplaats gemarkeerd is van pater Janini, ‘der Gründer des Dorfes’, eerverleden jaar overleden. De overige graven liggen achter een hekje. Waren het er vroeger een stuk of zeven geweest, nu staan er wel vijftien stenen. De meeste zijn nog steeds van kinderen: tien, dertien jaar. Eén graf is van een meisje van drie. In de laatste steen van het rechterrijtje staat gebeiteld: ‘Gustav Flämer, 1913 – 1983’. Ik blijf er even in gedachten bij staan.

Het onooglijke koksmannetje, dat met een hap snor onder zijn purperpaarse neus en waterige oogjes de pollepel zwaaide, kwam de gelagkamer binnen: “Schmeckt’s? Schmeckt’s gut?”
Powers proestte. “Herr Flämer,” stootte hij uit en hij rees op om een spontane arm om de smalle schouders te slaan en een stofwolkje uit het gedrocht te kloppen. “Schmeckt’s gut! My friend! Schmeckt gut, ja!”
“Ja ja,” knikte Flämer en liet een paar stompjes van tanden zien. “Schmeckt gut.” En hij waggelde terug naar zijn keuken.

Verderop is de school en aan het eind rechts moet het terrein liggen waar jaarlijks het Sommerfest gehouden wordt. En ergens in de bossen daarachter is de Grillhütte, als die tenminste nog bestaat. Misschien kan ik daar vanmiddag nog even rondneuzen, nu loop ik de andere kant op, langs het Gasthaus en de parkeerplaats waar de auto staat tot ik voor de half afgebouwde huizen sta. Bij de meeste kun je nog zo naar binnen kijken, omdat de voorgevel ontbreekt. Pleisterkalk, houten balken, spinten en loshangende elektriciteitsleidingen bieden een aanblik als van een rampgebied na een bombardement of wervelstorm. De kans dat er overlevenden onder het puin vandaan zullen kunnen worden gehaald, moet klein worden geacht.
Uit de deuropening van Gemma Galgani komen twee jongens. Ze zien mij niet. Natuurlijk is er van Belinda of de anderen geen spoor. Bedaard loop ik het pad naar Segheim een meter of honderd op. Dan keer ik me om en werp een blik op de achterkant van het huis. Op het balkon is een jongen met een mes bezig een punt aan een stok te snijden. Daaronder zie ik een venster. Daarachter een kamertje van drie bij vier met een bed, een bureautje…

“Gehst du mit mit mir?” fluisterde ze in mijn oor.
Ze maakte de voordeur met haar sleutel zonder geluid open. Er werd geen licht gemaakt. Met haar vinger tegen haar lippen beduidde ze dat we stil moesten zijn; tante sliep. Toen sloot ze de deur zacht. Het huis was stikdonker, ik zag niets, maar ze pakte m’n hand en leidde me naar haar kamertje.
Het ijzeren bed was smal, maar breed genoeg voor ons tweeën… We hadden niet veel ruimte nodig.

Wat zoek ik toch? Waarom ben ik teruggekomen?
Ik sla het straatje in. In een van de tuintjes staat Edelweiβ. Waar woonden de Weigerts ook weer? Ergens rechts, maar in welk huis toch? Ze lijken zo klein allemaal, nooit groot genoeg om een gezin van vier mensen te herbergen. En bijna alle huizen zijn wit gekalkt, een enkel slechts geel of roze. Niets herken ik, niets. Maar hoe zit dat dan met de ‘SATANSSCHRANKE’? Ze móeten er nog zijn. Ik ben al bij het kleuterschooltje aangekomen. Op het tweede stuk woonden ze zeker niet. Nogmaals het straatje op en neer lopen dan maar. Opnieuw lukt het me niet de juiste woning te vinden. Ofwel mijn geheugen laat me in de steek, ofwel ze zijn uit het dorp weggetrokken…
Dan maar naar Werner! Neem ik de zigzagweg? Als die er nog is, tenminste! Dan kan ik via Haus Theresia teruglopen, eventueel om nog maar eens door het straatje te lopen straks.
Gehaaster dan eerst loop ik nu het tweede stuk van het parallelstraatje door. Na de laatste huizen strekt zich een open plek uit, omzoomd door bos. Er staat een autowrak en er ligt een kapotte voetbal. Werners huis ligt schuin links beneden. In die hoek zoek ik naar een doorgang. Vergeefs. Ook in het midden, recht tegenover de straat, bieden de bosschages geen opening. Maar aan de andere zijkant wel! Er staat zelfs een paaltje bij met een verroest bordje: een ruitertje. Er is in de loop der jaren wel wat begroeiing bijgekomen, waar ik me een weg door moet banen, maar dan ligt het pad er ook, net als vroeger. Hier is niets veranderd! Het is er nog steeds even steil en er zijn nog precies evenveel wendingen. Alleen in de haarspeldbochten hangt soms een struik of tak over, maar echte hinder ondervind ik er niet van. Gelukkig heeft het al een tijd niet geregend, want het pad is prima begaanbaar.

Hoewel het niet eens zó donker was (afnemende maan) – wel waren sommige stukken modderig en dus glad geworden van de regen – gleed ik twee keer onderuit, beide keren kon ik me maar net met mijn handen opvangen. Powers daarentegen holde met de fles goedkope wijn in zijn handen ongehinderd omlaag, hele stukken afsnijdend. Beneden hield hij even in om me naderbij te laten komen.
“We’re almost there!” riep hij.

De laatste bocht. Het laatste stukje. Hier moet ik me weer door het struikgewas vechten. Blijkbaar wordt het toch niet meer zo vaak gebruikt.
Voor me ligt de Autostraβe, links van me de tunnel die daar onderdoor voert, naar Don Anshelm en Werners huis. Een auto raast over me heen als ik beneden aan de trap ben aangeland.
Tot mijn verrassing blijkt Don Anshelm fris opgeschilderd te zijn. Het gras om het huis is keurig gemaaid en in een bloemperk staat zelfs een bank in de vorm van een halve cirkel. Rond het terrein staat een tot in de puntjes verzorgde heg en het is er doodstil. Voor de ramen hangen hagelwitte gordijntjes. Hier wonen zeker geen Zivildienstleister meer!

In Don Anshelm is altijd iets te doen! It’s great!! I love it!
Ik kwam de gemeenschappelijke ruimte binnen waar twee banken stonden – de stalen veren schemerden door de slijtplekken heen – en nog wat ander meubilair, waarop jongelui hokten. In een van de hoeken stond een stapel van drie bierkratten naast twee van zes. Het bovenste krat van de lage stapel bevatte nog acht flesjes, maar door de mazen van de bodem zag ik dat het kratje eronder nog boordevol was. Een jongen in Indiaas kaftan zei: “Hallo,” en verdween achter een deur. Op een keukenstoel zat iemand die ik vaag kende te praten met drie jongens die een plaats op de grond en in de vensterbank hadden gevonden. Niemand nam notitie van me. Ik liep maar naar de hoek met de kratten en nam er een pilsje uit. Een jongen met een vlassig baardje, die er toevallig in de buurt stond, wees me de flesopener aan een touw, bevestigd aan een haak waaraan tevens het dartbord bungelde.
Het was duister, bedompt en vol, rookflarden hingen in lagen onder het plafond. Een paar meisjes, en twee jongens, zaten op de grond bij een cassetterecorder. Hij schetterde zachtjes. Omdat ik een niesbui voelde aankomen, zette ik mijn pils even naast het apparaat.
“Ha… ha… Hatsjoe!!!” en “Hatsjie!!!” proestte ik.
“Ssst! Ssst!” siste een van de meisjes, terwijl ik mijn zakdoek terug in mijn zak duwde. De ander keek gepikeerd naar me op. “Ssst! Das ist die Melanie.”
Nu herkende ik inderdaad het liedje: Beautiful People. Ik pakte snel mijn bier vanonder de toornige blikken van de muziekliefhebsters vandaan.
Een jongen met krullen tot in zijn nek stak een hand naar me uit. “Willst du rauchen?”
“Nein danke, bin Nichtraucher.”
“Warte mal, ich hol’ dir was zu trinken.” Voor ik er iets tegenin had kunnen brengen, had hij zich al omgedraaid naar de bierkrattenstapel en tilde er twee flesjes uit. Met grote slokken liet ik het bier vanuit het flesje waar ik nog mee stond naar binnen gulpen. Het was net leeg, toen de jongen terugkeerde met het ontkurkte nieuwe biertje.
“Das ist die Christiane,” zei hij, knikkend naar het meisje bij de cassetterecorder.
“Aha,” reageerde ik en klokte een slok vers bier naar binnen.
“En dat is Pamela.” Hij legde een arm om het meisje dat zojuist binnengekomen was en naast hem was gaan staan. Ze had een prachtig gave huid, strak gespannen, rimpelloos en ietsjes dof met minuscule poriën. Er was geen oneffenheidje te bespeuren.
“Hi!” zei ze en ik pakte haar kleine hand, waarin ik de botten voelde bewegen.
“Woon jij ook hier?”
“Helaas,” zei ze hoofdschuddend en met spijt in haar stem, “vermaak jij je?”
“Wenn’s ein Fest gibt, ist’s immer schön.”
“Dinsdag over een week geef ik een feest. Da sollst du dann auch kommen.”
“Natürlich, danke! Wo?”
“Hier, kommst du?”
“Natürlich. Ja klar!”
“Whooooohooohooow!!!!” Powers betrad het vertrek, dat kon niet missen met dit geluid, “Whooow!!”
Hij was meteen zeer nadrukkelijk aanwezig. Hij had een woord voor iedereen – de meesten verstonden geen fuck van wat hij zei, maar who cares? – en klopte op schouders en ruggen, terwijl hij zich een weg zocht naar de bierkratten in de hoek. Ook de opener wist hij feilloos te vinden.
“Hey Ron! Drink this!” Ik kreeg alweer een nieuw flesje. “And be quick! All these motherfuckers have are empty bottles! They drank it all themselves!”
De meisjes van de cassetterecorder waren opgestaan en trokken zich terug. Ik zag dat de jongen in de kaftan het laatste pilsje pakte. “Ihr amüsiert euch?” vroeg hij.

Zouden er überhaupt nog wel Zivildienstleister zijn in het dorp? Het ziet er allemaal zo netjes uit met goed onderhouden huizen en plantsoenen.
Hiernaast woonde ergens ook nog die poppenspeler, een aardige man. Ik loop het kiezelpaadje weer af, maar er blijkt daar geen ander huis meer te zijn. Ook de verbinding met Werners huis is er niet meer. Ik moet het talud van de snelweg opklimmen en de honderd meter daarlangs afleggen.
De schuur, het atelier en het magazijn. De deur die nooit op slot was, de etalageruit van de showroom waar voor het venster naast keramiek nu ook olieverfschilderijen getoond worden. Ik zie het reeds vanaf de weg. Op het erf staat een camper en daarnaast een rode Citroën. Verder ligt er een hoop schroot. Aan de muur boven de etalage is een groot houten bord bevestigd, waarop in glanzend gelakte reliëfletters te lezen staat: ‘Ruth Alemann – Kunst und Poterie’.
Geen ‘Werner Alemann’! Geen ‘Werner und Ruth Alemann’! Alleen ‘Ruth Alemann’.
De auto’s op het erf hebben allebei een kenteken van het stadje verderop: GRA. In de stilte is alleen het ruisen van het beekje achter het huis te horen. Wat was hier gebeurd?
In de ruimte waar de klanten vroeger ontvangen werden, zie ik – heel even maar – een grijsgeworden vrouw met penselen in haar hand binnenlopen en weer weggaan. Minutenlang blijf ik zo staan. Ruth?!
Ik voel me licht en misselijk worden en ben niet in staat iets te ondernemen. Natuurlijk kan ik naar beneden gaan, aanbellen of –kloppen en mijzelf bekend maken. Maar wat dan? Zou ze me herkennen? Zou ze me zich herinneren? We hadden altijd veel meer contact gehad met Werner. Ruth had in het hele verhaal nauwelijk meegespeeld. Wat was er met Werner gebeurd? Waren ze gescheiden? Wat als hij dood was? En kon ik dat dan aan haar vragen? Ik durf me van haar reacties en antwoorden geen voorstelling te maken.

Flink aangeslagen wandel ik opnieuw de huizen van het straatje langs, waarbij ik probeer niet al te opzichtig naar binnen te kijken of de mensen in hun tuintje aan te staren. Maar er is bijna niemand.
Ginds loopt een vrouw met een wasmand onder haar arm. Het is een tamelijk klein vrouwtje, vrij gezet met stevige armen. Ze heeft een stuk wasgoed laten vallen en bukt zich moeizaam. Als ik nader, kijkt ze een moment mijn kant uit. Aleit?? Dat zou wel erg toevallig zijn…
Ze vervolgt haar gang, achter het huis moet de was opgehangen worden, ze heeft niet de hele dag de tijd.
“Neem me niet kwalijk!” verman ik mezelf. Ik zou altijd nog de weg kunnen vragen, maar als ze me aankijkt, zeg ik: “Neem me niet kwalijk, maar bent u Frau Weigert?”
“Ja,” antwoordt ze, niet in het minst verbaasd. “En dan ben jij een Ehemaliger?”
Verdomd!!! Ze is het! “Ja, dat klopt,” zeg ik vlug, “ik ben hier vroeger badmeester geweest.”
“Ach, Bademeister.” Klinkt er teleurstelling in haar stem? Haar ogen schieten langs me heen, de straat in. “Ja, dat is natuurlijk mogelijk, maar je naam…”
“Ron. Uit Holland.”

De vrouw richtte het woord tot mij en zei: “Sie müssen wohl der neue Bademeister sein…?”
“Ja,” bevestigde ik.
“Ik had U aan de telefoon toen U arriveerde, maandag.” Het was dezelfde vrouwenstem die me in het gesprek zo lang had laten wachten!
“Ach so.”
“Aleit Weigert,” zei ze en stak een hand uit. Ook haar man schudde mij de hand: “Paul Weigert.” Met zijn borstels van wenkbrauwen en diepe put in z’n kin deed hij aan Kirk Douglas denken.

Ze denkt lang na. “… Ron…???”
“De Reine!” help ik haar.
“Ach ja!” zegt ze, maar veel herinneringen schijnen niet boven te komen want haar ogen achter haar brillenglazen blijven in dichte mist turen. “…En wat brengt je dan zo hier?”
“Voornamelijk nostalgie, ben ik bang. Eigenlijk.”
“Was het dan zo leuk toentertijd? Met wie was je hier dan, toen?”
“We waren met zo velen. Veel Amerikanen. Hoe heetten ze? …Powers!” Als een kanonskogel schiet zijn naam eruit, veel harder dan ik had gewild.
“Ja, Powers! Powers James! Die… wacht eens… die is vier jaar geleden hier nog geweest. Ja, ik geloof dat het vier jaar is nu…” Ze trekt rimpels, pijnigt opnieuw haar geheugen. “Ja toch, die is getrouwd en was met z’n pasgehuwde vrouw hier. Maar slechts heel kort. Ze wilden in Italië trouwen… Of ze waren net getrouwd! Ja, zo zat het. Powers blijft altijd dezelfde. Ach, hij is wat rustiger geworden misschien, maar hij zit nog altijd vol grappen. Hij kwam toen hier in het dorp en onze dochter Margrete – herinner je je Margrete nog? – heeft hem toen binnengelaten, omdat ik aan het werk was in de Verwaltung. En toen heeft hij me opgebeld en gezegd: ’Ik kom langs.’ Ik dacht dat hij van het vliegveld in Frankfurt belde en ik vroeg: ‘Waar ben je nu?’ en toen antwoordde hij: ‘In jouw keuken.’ Mijn God, in mijn eigen huis was hij, nauwelijks één straat verder! Ja, dat was leuk. Maar ook alweer vier jaar geleden. De tijd gaat snel…”
Ze schudt haar hoofd. Dan zegt ze: “Maar het zwembad is nu dicht.”
Dat heb ik gemerkt ja. “Sinds wanneer is het weg?”
“Sinds twee jaar al! Er zaten grote scheuren in het bassin, zowel in de wanden als in de bodem. Die waren werkelijk niet zo één, twee, drie te repareren. Dan had men het vanaf de grond opnieuw moeten opbouwen en dat kost natuurlijk veel te veel geld. Dat hebben we niet.”
“Zo zonde!!!” Alle feesten en alle lol, alle drank die we gedronken hebben, het lijkt allemaal voor niets te zijn geweest.
“Vorig jaar, toen de laatste Amerikaanse Bademeister hier waren, hebben we nog een pendeldienst naar het zwembad van Heftling onderhouden. Iedere dag zijn ze zo’n vier- tot zesmaal heen en weer gereden, maar langzaamaan is de belangstelling dan toch minder geworden. Het was ook niet hetzelfde. Wij vinden het allemaal erg jammer, maar de nieuwe Verwaltungsleiter zwemt niet en die vindt dat het geld beter aan andere doelen besteed kan worden, renoveering van huizen en zo. Misschien komt er ooit in de toekomst nog eens een nieuw bad. Dat kost echter wat…”
“Tja…!”
“…een hoop geld…”
“Er is vast ook verder veel veranderd in het dorp.”
Ze knikt.
Als ik haar vraag naar de familie Eitel, weet ze zich niets van hen te herinneren. “Het was een vrouw met drie kinderen: een tante en drie zusjes. Ze woonden in het eerste huis vanaf het Gästehaus.”
“Daar zijn allemaal nieuwe huizen gekomen.”
“Maar dat huis staat er nog. De kinderen hadden Indiaans bloed en kwamen uit Canada…”

“M’n vader en moeder zijn gescheiden en wonen in Canada. M’n vader is een grote knappe Duitser, een man met een geweer en een grote snor. M’n moeder is een Indiaanse, een Sioux-squaw.” Ze lachte, maar werd meteen weer ernstig. “Toen ze uit elkaar gingen, kon Papi ons niet bij zich houden. Hij heeft ons toen hierheen gestuurd. Ik kan me van die reis nog maar heel weinig voor de geest halen. Ik was nog heel klein, zes. We weten er niet veel meer van. Maar m’n vader komt ons ophalen, dat heeft hij beloofd. Dan ga ik terug naar Canada. Leuk hè? Ich kann dir Bilder zeigen, wenn du willst… Zu Hause.”

“Zo iemand heeft hier nooit gewoond in het dorp,” zegt ze gedecideerd. “Het zegt me helemaal niets.”
“Dan weet u ook niet wat er van ze geworden is?” probeer ik toch.
Ze schudt haar hoofd. “Ik kan je niet helpen.”
Ongelooflijk. Zonder blikken of blozen wordt mij hier iets op de mouw gespeld. Belinda heeft nota bene bij haar in hetzefde kantoortje gewerkt, op de Verwaltung. Voor dit moment is zij echter mijn enige link met vroeger. Zonder haar blijft Belinda voorgoed een schim uit het verleden.
“Herinnert u zich werkelijk niets?” Het is absurd!
Weer schudt ze haar hoofd en klemt haar wasmand steviger onder haar arm.
“Heeft u misschien dan het adres van Powers? We hebben zoveel samen meegemaakt; ik zou hem graag eens schrijven.” Terwijl ik het zeg, voel ik al dat de overgang veel te abrupt is.
“Nee, helaas heb ik geen idee waar hij nu woont. Hij komt zo nu en dan, als hij zin heeft. Er is geen peil op te trekken.”
Ja ja.
Ik zou haar mijn adres kunnen geven voor als hij weer eens op zou duiken, maar ik verwerp de gedachte meteen als dwaasheid. Behalve dat ik me belachelijk zou maken door zo aan te dringen, zou ze het papiertje met mijn adresgegevens waarschijnlijk in de eerste de beste prullenbak gooien die ze tegen zou komen.
“En Werner Alemann? Met hem zijn we ook veel omgegaan. Hoe is het met hem toch?” Informatie wil ik. Feiten, want ik wil nu verder. Dat Belinda er niet meer zou wonen, had ik op m’n tien vingers kunnen natellen. Dat zij er niets over wil loslaten, kan ik helaas niet veranderen, maar Werner had mij ooit nog wel eens een berichtje gestuurd, waarin hij gesproken had over Belinda.
“Die woont niet meer hier. De Alemanns zijn al sinds een jaar of vijf uit elkaar en hij is toen naar een eiland voor de Franse kust vertrokken: niet Jersey,…” Ze denkt na. “…Een ander eiland daar.”
Gescheiden dus, niet dood!
“Ik kan me daar niet mee bemoeien en ze wonen buiten het dorp – Ruth komt bijna nooit boven –, maar ik geloof wel dat dit zo het beste is. Werner was op het laatst zowat elke dag onder invloed van alcohol. Er was geen land meer met hem te bezeilen. Nee, die heeft z’n gezin ernstig tekort gedaan…”
Ja, ik wist dat hij wel van een glas hield.
“…je hoort zo wel eens wat, niet? Het schijnt zelfs zover gekomen te zijn, dat hij die arme Ruth het huis door geslagen heeft…”
Werner??? Ik heb het gevoel in een andere dimensie terechtgekomen te zijn. Werner dronk stevig, ja. En Ruth probeerde hem daar vanaf te houden, maar hij dronk stiekem toch.

“Willen jullie whisky? Ik heb hier nog een fles…” en hij opende een keukenkastje.
“Is Ruth asleep?” wilde Powers weten. “Dan kunnen we misschien beter weggaan.”
“Neenee! Blijf gerust! Drink wat!”
Powers keek naar mij.
“Jullie moeten het zelf weten. Hij lachte schalks. “Maar jullie drinken toch nog wat, niet?”
Hij schonk wat whisky in een eierdop en reikte die mij aan.

En hij was een schuinsmarcheerder die het aanlegde met andere vrouwen.

“What do you think of Ilse?”
“Of whom?” vroeg ik.
“Ilse. Gabi’s Mutter. She’s really somesing. Und sie sieht noch recht gut aus, nicht?”
“Jawohl…”
“I’ll bring her home tonight and sen I’ll spoil her, you know what I mean, verwöhnen…”
We begrepen het. Maar Ilse was minstens 70!

Hij liep er zelfs mee te koop. Ook Ruth was er al eens achtergekomen en er was destijds al eens een Krach geweest. Maar dat hij zich ten opzichte van Ruth gewelddadig zou hebben gedragen… Ik kan het me niet voorstellen.
“En de kinderen? Ze hadden toch een zoon – kleiner Sebastian? – en een dochter?”

“Doch! Doch! Er hat ihn!” klonk het opeens achter me en direct daarop sprong kleine Sebastian op m’n nek. We vielen om, ik liet de kaarten waarmee we speelden door de kamer fladderen en kreeg vervolgens ook Claudia bovenop me. We rolden door de kamer, wild spartelend. Ik schreeuwde, lachte. De kinderen probeerden me tegen de grond gedrukt te houden en kietelden me waar zo konden. Uiteindelijk wist ik me met moeite los te rukken en ik rende de kamer uit, schoot Sebastians kamertje in en verschanste me achter het gietijzeren bed. Van twee kanten kwamen ze nu… Zodra ze tot de aanval overgingen, koos ik Sebas’ kant. Ik greep hem onder z’n okseltjes en tilde hem in het ledikant. Door de hoge spijlen zou hij daar slechts met veel inspanning weer uit kunnen komen en Claudia bleef ik met gemak voor in de rondjes om het bed.
“Hör auf mit dem Lärm!! Was macht ihr da?!!” Ruth keek om de hoek van de deur. “Ach, du bist’s.”
“Ja…” legde ik uit, “ik kwam om Werner te spreken, maar die had eerst iets anders te doen en toen was er telefoon en dus dacht ik…”
Ze wimpelde mijn verontschuldigingen weg. “Dat telefoongesprek is nu wel afgelopen, zo langzamerhand. Met dit lawaai…”
“Ja, dat denk ik toch ook wel…” en samen met Claudia (Sebastian was nog druk doende met uit zijn bed klimmen ging ik terug naar het atelier.

“Daar is natuurlijk ook niets van terechtgekomen. Wat wil je met zo’n voorbeeld? En Ruth doet echt haar uiterste best. Der Sebastian is allang niet zo klein meer. Die is echt het verkeerde pad op gegaan. Hij komt dan nog wel eens thuis, maar veel invloed kan Ruth niet meer op hem uitoefenen. Zo gaat dat dan, hè? Hij gaat z’n eigen weg. En Claudia is al heel jong de deur uitgegaan. Wij weten ook niet alles en je moet er maar niet aan denken wat zich daar in huis allemaal heeft afgespeeld.”
Nee, daar moeten we maar niet aan denken misschien, en je kunt inderdaad niet alles weten. Ik herinner me Aleits eigen dochter: Judith.

“Je kent Judith toch? Maggy’s sister?”
“Yeah, sure.” De vrouwelijk Kirk in jonge gedaante.
“You know she and Felix were seeing each other, they’re kind of engaged?”
Wist is, was geen nieuws.
“Well, poor old Felix is having a rough time now, ‘cause he found out, that she’s been fuckin’ with almost every man in Segy and surroundings, all over the place.”
“No!”
“Yes, it’s the truth! Terwijl Paul en Aleit op vakantie zijn, heeft ze zowat iedereen in bed gehaald, I’m telling ye! And before that she was already seeing some on a regular base!
En poor Felix wist van niets.”
“That’s sad,” zei ik.

…Maar we staan hier maar. Je wilt vast en zeker Paul ook nog even begroeten. Hij is even naar Haus Lambertus en zou zo weerkomen. We kunnen naar hem toe lopen, dan zeg ik dat even tegen m’n gasten.” Ze maakt een hoofdbeweging naar boven en zet haar wasmand neer.
“Heb je gasten? Ach weet je, ik vind het zelf wel. Waar is hij, zei je? Haus Lambertus?”
“Haus Lambertus ja. Ik had hem al thuis verwacht. Hij zou alleen Margrete’s honden te eten geven. Het is meteen naast de kleuterschool. Waar vroeger de tuinerij was, zo te zeggen.”
“Dan vind ik het wel.” Ik moet er vanaf Werners huis langsgeklomen zijn. “Is Margrete daar ook?”
“Nee, helaas niet. Zij is met haar man, Thomas – misschien herinner je je hem –, met een groep naar Zweden. Je moet hem kennen. Hij werkte toentertijd in het huis hier recht tegenover.”
Helaas zegt die naam mij helemaal niets. Waarschijnlijk was het een van de Praktikanten. Ik kijk naar het huis aan de overkant en kan me met de beste wil van de wereld geen gezichten voor de geest halen die daarmee verbonden waren. Die hele Thomas interesseert me ook geen barst. Maar heel gewiekst heeft ze nu wel de rollen omgedraaid en sta ík nu het bestaan van personen te ontkennen. Na mijn hulpeloze: “Nee, werkelijk niet,” valt er een lange pauze.
“En Judith woont in Heidelberg. Die zien we niet zo vaak. Ze is journaliste,” vervolgt ze toch nog. “Wanneer ga jij terug naar Holland?”
“Oh, vanavond pas. Misschien zien we elkaar nog vandaag.”
“En mocht dat niet het geval zijn: Gute Reise!”
“Dank je. In de toekomst kom ik vast nog wel een keer langs.”
We schudden elkaar de hand.
“Goede reis dus!”
“Tschüβ!” zeg ik en wandel naar het verbindingsweggetje met de geasfalteerde slingerweg waaraan het schooltje ligt. Wat ze me verteld had, lijkt ongelooflijk. Maar wie zou het kunnen bevestigen of ontkennen? Ruth? We waren altijd met Werner omgegaan en Ruth was wel zijn vrouw geweest, maar met haar hadden we geen echte band gehad. Ik zou ook niet kunnen voorspellen hoe ze zou reageren, als ik nu bij haar langsga. En Belinda en Powers? Voorgoed onvindbaar geworden.
Zachtjes begint het te regenen. In sommige huizen wordt licht opgestoken.
De tuinderij is inderdaad verdwenen. Op de plaats van de kassen en schuurtjes staan nu drie eengezinswoningen. De eerste ervan heeft op de brievenbus het opschrift: LAMBERTUS. Ik druk op de bel naast de voordeur. Een hond slaat aan, verder blijft het stil. Binnen beweegt zich niemand. Als ik nogmaals bel, brengt dat alleen maar teweeg dat de hond harder gaat blaffen.
En de regen zet door.


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens