zaterdag 25 november 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - De Geurenecho (slot)
Gepubliceerd op: 31-01-2017 Aantal woorden: 1675
Laatste wijziging: - Aantal views: 304
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

De Geurenecho (slot)

Henk Gruys




Mijn ouders zijn vroeg gestorven, vlak na elkaar. Na hun dood bleef ik wonen in het ouderlijk huis. Nog oude geuren hingen er, die rechtstreeks met mijn ouders te maken hadden. Keer op keer staken deze de melancholie in mij aan. Er waren er bij die mij blijvend onaangenaam troffen, vooral die welke behoorden bij het laatste levensjaar van mijn moeder en haar langdurige en pijnlijke ziekbed.
    Maar van lieverlede werden ze zwakker of verdwenen. –

Ik bleef lang alleen. Jarenlang kende ik geen enkele toenadering tot het andere geslacht.
    Het was niet dat ik nooit verliefd werd. In tegendeel. Ik was vrijwel elke dag verliefd. Ik werd verliefd op iedere leuke vrouw die ik tegenkwam.
    Zo raakte ik niet alleen verliefd op de vrouwelijke collegaatjes van het kantoor waar ik mijn brood verdiende, ook op het meisje achter de kassa bij de benzinepomp of bij de supermarkt, de Hema, de telefoonwinkel, de bouwmarkt, de banketbakker, – of de wildvreemde vrouwen die ik dagelijks tegenkwam als ik op de fiets van en naar mijn werk reed. En op degenen waar ik toevallig tegenover in de trein zat. En niet in de laatste plaats op de vrouwen die ik zag op de televisie en die mij schijnbaar zo vriendelijk en meelevend toespraken.
    Ik fantaseerde dat ik een van hen mee naar huis had genomen, ik praatte tegen haar, dekte de tafel voor twee.
    Maar ik zocht nooit echt contact, in de overtuiging dat mijn verliefdheid slechts in mijn fantasie bestond en uit zoiets als een toevallige blik, parfumgeur, of van zachte blonde haren was opgebouwd en spoedig weer zou zijn vervluchtigd.
    Inderdaad duurde het nooit langer dan enkele dagen.
    Ik achtte de meeste meisjes overigens volkomen onbereikbaar. Daarom leek het ook zinloos om moeite te doen ze te veroveren...
    Ik moet erkennen, ik genoot intens van deze fantasieën. Voor nader contact was ik echter veel te beschroomd. Ook meende ik nog niet bij machte te zijn de vereiste houding en prestaties voor een blijvende relatie al aan te kunnen. Als ik somwijlen toch iets moest zeggen tegen de vrouw van mijn dagdromen, – dat was soms niet te vermijden – dan voelde ik mij als verlamd en kon ik nauwelijks een woord uitbrengen.
    Wat mij bevreemde (en ook enigszins verontrustte), leek op zelfkwelling. Dat ik aan het lijden, veroorzaakt door mijn beschamende onmacht en verlegenheid, een allesbegrijpende, strelende troost bleek te kunnen ontlenen, en dat ik die daarom telkens opnieuw wilde beleven. –

Het was al veel later dat ik kennis kreeg aan Louisa.
    Geuren speelden natuurlijk weer een belangrijke rol. Louisa ademt een zwak parfum, dat zij als een soort fluïdum overal naartoe meeneemt, een onbesproken frisse zucht van het voorjaar, een die bij haar kleren hoort, haar lingerie, bij alle dingen die zij aanraakt.
    Dit is Louisa: met de warmte van die ijle, doorzichtige wolk waar ze in rondzweeft. Als zij er is lijkt alles ervan doortrokken. Zo goed als zeker is dat de reden waarom ik verliefd op haar werd.
    Niets lijkt ons langdurig geluk in de weg te staan, en toch ben ik niet zonder bezorgde gedachten; geen uur.
    Ik vreesde namelijk dat ik onverhoopt een geurenaanval te verduren kreeg, met een blijvende, afstotende geur, zo overstelpend, dat ik die niet meer van Louisa kon losdenken.

In de maand juni regelden wij vrijaf om in Kampen Louisa's moeder te bezoeken.
    Het was een ideale zomer, met prachtig zonnig weer en niet drukkend warm. Terwijl wij lunchten daar in de achtertuin, leek alles wat ik zag of deed van de overheersende geur van de kamperfoeliestruiken doortrokken. Ik werd er bijzonder door geïmponeerd. Maar van mijn eigenaardigheid is Louisa's moeder niet op de hoogte, en ik wilde er geen opmerkingen over maken.
    Vier dagen na dat bezoek had ik steeds die daverende, intrigerende kamperfoeliegeur in mijn neus.
    Subtiel herinnert hij aan het (giftige) benzeen, – maar daarmee heeft de natuurlijke geur feitelijk niets te maken.

Toen wisselde de echo op een onverwachte manier. Diezelfde week, vroeg in de avond, zouden we naar een klassiek concert in een oude kerk aan de gracht. Meestal werden er barokwerken ten beste gegeven, maar nu betrof het een uitvoering door een ander orkest dan gewoonlijk, met een andere bezetting en moderner repertoire.
    Het werd gaandeweg een vreemde gewaarwording. Ik zag in het schitterlicht van de lampen de musici met hun instrumenten, maar mijn aandacht vloeide steeds weg. De suggestie was zó dat er een zwakke, maar afschuwelijke geur uit het gezelschap van strijkers en blazers opsteeg. Een stank van rottend vlees, krioelende maden, verse uitwerpselen, smerige ziekten en vergane dood, – daar moest ik almaar aan denken.
    En sterker werd het. – Zelfs het aroma van de pauzekoffie, doorgaans een mengeling van karamel met een vleugje honing, vermocht de stank niet verdringen.
    Het maakte het concertbezoek tot een ietwat onheilspellende gebeurlijkheid, omdat het vergezeld ging van een niet te negeren voorgevoel, een onverklaarde angst. Waar het mee te maken had, wist ik niet. – Tegen Louisa vertelde ik niets, quasi-geïnteresseerd hield ik mijn blik gevestigd op de musici en hun verrichtingen en ik applaudisseerde langdurig mee na het daverend slotstuk.

Het programma was vroeg afgelopen. Toen we weer buiten stonden was de avond lauw en de hemel licht bewolkt. Donker niet, want het was juni en de zomertijd ingevoerd.
    Een vreemde indruk liet het concert op mij achter, een gevoel of alles al eens eerder gebeurd was; of ik getuige was van een zekere bedoeling, van iets waarvan ik de aard niet kende en nog minder het verdere verloop.
    Toen we bijna bij ons huis waren, – van het lopen enigszins bezweet, – zagen wij twee politieauto's staan. Jonge agenten, een lange manlijke en een kleine vrouw kwamen onmiddellijk op ons toe, kalm en ernstig.
    "U woont u hier?" vroeg de vrouwelijke. – Mijn god wat is er aan de hand, dacht ik, terwijl mijn blik zich fixeerde op de auto's met gekleurde strepen.
    Maar het bleek om ons niet te gaan, – maar om de vraag of wij de buren nog hadden gezien afgelopen dagen. De buren, die een paar jaar geleden naast ons zijn komen wonen, bejaarde mensen al. Ze zijn voorkomend en behulpzaam, maar veel contact hebben we toch niet; ze zijn een beetje op zichzelf.
    Wij vertelden de agenten wat de buren ons hadden meegedeeld.
    "Zij zitten denk ik weer in Friesland, in Joure bij hun zoon," zei ik, tegen de vrouwelijke agent, die mijn mededeling met opvallend ironische blik aanhoorde alsof zij ieder woord omdraaide om te zien of het wel deugde.
    Over dat bezoek hadden ze al vernomen. Jazeker, en wel van de zoon zelf. Die had vanavond de politie gebeld omdat de telefoon bij zijn ouders al dagen niet werd opgenomen.
    Op dit moment viel me op dat ik steeds de ontbindingsgeur uit de concertzaal in mijn neus had. Zelfs uit de uniformen van de agenten leek die op te stijgen. Door alle besognes had ik er even niet aan gedacht. Ik voelde me ineens moe en licht onpasselijk.
    In het huis naast het onze was geen enkel teken van leven te bespeuren; als een bastion zo gesloten. Louisa was inmiddels weggelopen om bij een van de voorramen naar binnen te gluren.
    "Hebt u misschien een sleutel van het huis?" vroeg de lange agent. – Ja, die had ik, want die van onze achterdeuren pasten op elkaar, – hetgeen bij oude huizen, uit een tijd dat er nog zelden werd ingebroken, wel voorkomt. Afgesproken hadden we dat we de sloten eerdaags zouden vervangen, maar dat was nog niet gebeurd.
    Nadat de agenten hadden getelefoneerd bij hun auto's, begaven ze zich met onze sleutel achter het huis. Ik liep naar de voorkant en ging bij Louisa staan. Een paar nieuwsgierigen keken van afstand toe. Het leek of in de straat een fatale mist hing van onzekerheid en noodlot.
    Louisa zweeg en keek mij aan, alsof zij afwachtte of ik dezelfde onvermijdelijke conclusie zou trekken als zij.
    Toen ik door het raam keek – het werd schemerig, maar ik kon het zien, – ontwaarde ik allemaal vliegen op het glas, honderden kleine, als glanzende stukjes kool. Uitsluitend aan de binnenkant; ze liepen op en over elkaar.
    Op dat moment golfde een stank als van een moddersloot op ons toe. De politie had de achterdeur geopend en de avondwind veroorzaakte een tochtstroom naar de straatzijde.
    Wij hadden allebei de neiging om weg te lopen, maar deden niets dan elkaar ontroerd aankijken.

Ja, beiden waren dood. Tegelijk overleden, geniepig overvallen in hun slaap door de koolmonoxyde van een oud heetwaterapparaat. Ze lagen twaalf dagen in bed.
    Er kwamen meer agenten in de straat, en wij werden dringend verzocht weg te gaan, in ons huis of waar naartoe dan ook.
    Maar in ons huis zijn leek ons op dit moment buitengewoon onwezenlijk, en wij gingen voor overnachting een hotel zoeken.

Ik moest eerder de avond, zonder dat te merken iets van de stank hebben meegenomen naar de concertzaal, waarna de ontbindingslucht zich had ontwikkeld.
    Maar als de echo niet alleen een herinnering, maar nu ook een voorspelling in zich kon meedragen, dan werd alles zeer, zeer onoverzichtelijk.
    – Ik was bang dat ik die afschuwelijke geur nooit meer zou kwijtraken.



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens