woensdag 20 september 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Bert Pinkster - Een zomer feest (48)
Gepubliceerd op: 30-01-2017 Aantal woorden: 6388
Laatste wijziging: - Aantal views: 178
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Een zomer feest (48)

Bert Pinkster


“Jongens, ophouden met dat geklier!” In m’n achteruitkijkspiegel zitten Michiel, met z’n knieën op de bank en dus ook al niet in de gordels, en Eline naar elkaar te meppen. Meestal gaat dat zo door tot een van de twee in huilen uitbarst en bijna altijd is dat Eline, de jongste.
“Hoe lang duurt het nog?” vraagt Michiel verongelijkt en om de aandacht van zijn gedrag af te leiden.
“Ik heb geen idee,” geef ik korzelig als antwoord terug.
Sietske zegt: “Als we uit deze file zijn, zal het wel niet zo lang meer duren, maar papa weet ook niet hoe lang de file is. Dat kan hij ook niet weten, natuurlijk. Dus we moeten geduld hebben.”
“Stom.”
“En waar is die speeltuin dan, hè? Nou hè?”

We zijn vanmorgen al vroeg op pad gegaan, toen de kinderen nog sliepen. We hebben ze in de auto moeten dragen. Goddank werden ze pas vanaf Karlsruhe wakker. ‘Zijn we er al?’ was het eerste wat ze wilden weten. ‘Nee, maar het duurt niet zo vreselijk lang meer,’ heb ik ze beloofd. Niet lang daarna zijn we in deze file terechtgekomen.
De auto voor me trekt op, stopt dan weer.

We hebben net drie weken in Frankrijk achter de rug. Heerlijk lui in de zon gelegen, geen boek aangeraakt. Pas drie dagen geleden heb ik voorzichtig een balletje opgegooid: ‘Zeg, zullen we ‘ns via Duitsland terugrijden? Hoe lijkt je dat?’ In eerste instantie had Sietske er natuurlijk geen oren naar. Weer zo’n rare gril van hem, moet ze hebben gedacht. ‘Waarom?’ had ze gevraagd, ‘Het is een eind om…’ ‘Ach wat! We hebben nog twee weken! Wat maakt een omweg dan uit? En ik weet een heel grote speeltuin in Duitsland.’ Hop! Daar hadden de kinderen hun oren gespitst en toen was het pleit snel beslist. ‘Naar die speeltuin! Naar die speeltuin!’ Niet lang daarna had Sietske toegestemd, al wilde ze wel het naadje van de kous weten. ‘Ik ben daar vroeger eens geweest,’ heb ik alleen gezegd. Nooit heb ik haar verteld van de jaarlijks weerkerende drang naar het kinderdorp terug te keren, laat staan van de dromen die ’s nachts, merendeelds in het Engels, door mijn hoofd spookten. Tot zo’n vier jaar geleden had ik bij het aanbreken van de zomer telkens dat gevoel gehad. Sietske had me echter al in het begin van onze relatie duidelijk te verstaan gegeven een bloedhekel aan Duitsland en het Duitse volk te hebben. Haar vader had als jongeman een deel van zijn jeugd in een kamp moeten doorbrengen, had ze me meermaals als verklaring gegeven.
Drie jaar geleden is hij overleden en ik heb bij de voorbereiding van de vakantieplannen achteloos een brochure over Zuid-Duitsland tussen de reisgidsen gestopt. Het moest en zou echter Frankrijk worden dit jaar. ‘Laten we dan weer eens naar de Elzas gaan,’ was ik begonnen. In het eerste jaar van onze relatie hadden we daar bij de druivenpluk geholpen en vrienden voor het leven gemaakt. Het was een van onze leukste vakanties geweest, vond ze. In Riquewihr vonden we een onderkomen dat betaalbaar was en van de nodige gemakken voorzien. De wijn is er goed en de mensen spreken naast Frans ook Duits.
Uiteraard was er veel veranderd in al die jaren. Weliswaar werden we hartelijk onthaald door de zoon van de familie Ève, met wie we nog altijd correspondentie voerden, maar in zo’n face-à-facesituatie blijk je altijd toch veel minder aan elkaar mee te delen te hebben dan je aanvankelijk gedacht had. Met vader en moeder ging het allemaal niet geweldig meer, vertelde Jean. Beiden sukkelden met hun gezondheid en een bezoek zouden ze op dit moment zeker niet kunnen hebben. Ze zouden ons ook niet herkennen na al die jaren. De Elzas bood ons verder meer dan genoeg mogelijkheden om ons te vermaken.

Heilbronn wordt al een tijdje op de borden aangegeven. “Nog even en dan moeten we eraf,” zeg ik.
“Het zou tijd worden,” zucht Sietske.
Het begint warm te worden in de auto. De auto voor me moet met een kokende motor naar de vluchtstrook. Dat scheelt tenminste weer. Eline, die nog in het kinderstoeltje zit vastgesnoerd, heeft een blad papier voor zich genomen, waarop ze met een kleurpotlood wilde strepen zet. Michiel zit achter mij en drukt waarschijnlijk zijn neus tegen de ruit om goed te zien wat er met de auto op de vluchtstrook aan de hand is. We schuiven weer een paar meter op.
Ook in het kindedorp zal er veel veranderd zijn. Ik stel me zo voor dat ik op een goed moment Sietske en de kinderen in het zwembad achter kan laten en gelegenheid heb op m’n eentje het dorp te doorkruisen. Er moet een hele generatie nieuwe kinderen zijn en ook de praktikanten zullen wel allemaal vervangen zijn. Heel misschien is Paul Wimmer nog in het Gästehaus, maar de vraag is of die mij nog zal herkennen. Na Riquewihr weet ik niet zo goed meer wat ik verwachten mag. Natuurlijk zullen er dingen veranderd zijn, maar zo’n kinderdorp is zo’n besloten gemeenschap dat toch ook wel een en ander hetzelfde zal zijn gebleven.
Sietske schuift Vijf jaar hits van Boudewijn de Groot in het cassettedeck. Het bandje is niet teruggespoeld en begint met de laatste nummers van kant twee. “Om alvast weer een betje in de stemming te komen,” zegt Sietske, en: “Wat ben je stil.”
“’t Is niets,” zeg ik en stuur de auto langs het boord ‘AUSFAHRT’. “Nu gaat het opschieten, hoor!”
Het laatste wat ik ooit van Powers vernomen heb, is een beschreven kaart met als illustratie het interieur van een bar. Die kwam nadat ik twee brieven aan hem had geschreven. Hij had wel eerder het plan gehad terug te schrijven, vertelde hij daarin, en hij had ook daadwerkelijk een brief voor me klaar gehad, maar die had hij in de auto van een vriend laten liggen en toen hij die vriend weer zag… was de brief verdwenen. ‘It’s those beautiful little fuckers that hurt te most and are the hardest to let go,’ had hij geschreven en er een tekeningetje van een gele BMW bij gemaakt met als tekst: ‘Die, Hollander!’ Van Werner heb ik nog een paar kerstkaarten gekregen en van Art diezelfde winter nog een ansicht uit Wenen. Ton heb ik nog een paar keer gezien op een terugkomdag van de opleiding.
“Papa, hoe groot is die speeltuin?”
“Héél groot, wacht maar tot we er zijn.”
“Maar het duurt zo lang.”

Als we na Heilbronn de aanduidingen Heidelberg volgen, verschijnt al gauw Grasheim op de borden. “Nu zijn we er in een scheet, jongens!” Sietske kijkt me van opzij onderzoekend aan.

Vanaf een bergrug zien we in het dal een stadje liggen. Het kan niet anders of dat moet Grasheim zijn. Mijn hart maakt een sprongetje. Zo dichtbij! Een bord bij het begin van de bebouwde kom geeft aan dat we daadwerkelijk Grasheim binnenrijden. Ik moet over een viaduct heen en eerst nog een lus maken voordat ik op de bekende weg dwars door de stad kom. Het is een brede tweebaansweg, de levensader van Grasheim, maar smaller dan in mijn herinnering. Ik geef mijn ogen goed de kost, maar kan geen enkel aanknopingspunt meer vinden. Hier aan deze weg moet toch ergens de discotheek liggen, waar we ons halfdood gedanst hebben. Ik herken niets en voor ik het besef, ligt Grasheim alweer achter ons.
We rijden richting Tschabberg (?) en Heftling (!). En verdomd, voor me doemt het plaatsje Bergeiβ op. Bergeiβ, waar die Amerikaanse legerbasis was. Misschien nog steeds is!
We komen echter geen militaire voertuigen of soldaten tegen. De naam van het plaatsje op het bord onder dat met een doorgestreept Bergeiβ zegt me weer niets. Maar als we dat gehucht eenmaal doorgesjeesd zijn, wordt aangegeven dat het eerstvolgende dorpje Schöffling is. “Zie je hoe dat plaatsje heet? Schöffling,” maak ik Sietske attent. Ze heeft het gezien. “Eigenlijk zijn dat drie plaatsjes: Oberschöffling, Unterschöffling en Mittelschöffling.”
“Zo, “ zegt Sietske zonder veel enthousiasme in haar stem.
“Nee wacht nou even, ik ken daar een mopje over. Er is een man en die woont in dat dorp en die wil naar Peking op vakantie. Dus hij gaat naar het station…”
“Mam, mogen we een reep?”
“Papa heeft gezegd, dat we er zo zijn… Ach wat maakt het ook uit…? Jullie hebben natuurlijk gezien dat ik ze gisteravond voorin gelegd heb, hè? Nou, vooruit dan maar. Jij ook?”
Ik bedank en zie dat we op een driesprong uitkomen. De weg links voert naar Kleinbucholzbach, de weg rechts naar Edelbach. Edelbach! Waar Mildred woonde, met wie ik een wilde nacht heb doorgebracht en waar ik de wippende borstjes van haar vriendin –
Elisabeth, geloof ik – heb mogen aanschouwen. Ik draai het stuur naar links en even later rijden we inderdaad Edelbach door. Ik heb geen idee waar Mildreds huis destijds was. Om eerlijk te zijn herken ik helemaal niets. Maar op een kruising staat nu zowaar Segheim aangegeven. “Kijk jongens, daar staat het al: Segheim.” Ik zie in mijn spiegeltje twee hoofden opveren.
“Waar dan? Ik zie helemaal geen speeltuin.”
“Even geduld nog. Die speeltuin is in Segheim en dat staat nu al op de borden, dus we zijn er zo.”
“Weet je wel zeker…” probeert Sietske.
“Honderd procent.”
Ik volg de weg. Nog steeds komt niets me bekend voor, maar elf jaar is ook een hele tijd… Eigenlijk ben ik een jaar te laat, maar ik heb niets meer gehoord, terwijl mijn moeder tot op de dag van vandaag op hetzelfde adres is blijven wonen…
We rijden al een tijdje langs een spoorlijn en worden er nu onderdoor geleid. Verdomd, bij het viaduct staat een bord: Kammern. Het Sportfest, de tent, de muziek, de drank, Zur goldenen Krone…
Er komt een bocht naar links. Daar is het! Daar is het!!! Ik zie plotseling het bruggetje over het beekje dat we zo vaak overgewandeld zijn. Erachter moet Zur goldenen Krone liggen. Ik stop de auto op de voorplaats van een bedrijf dat zich tegenover het bruggetje gevestigd heeft.
“Wat doe je?” vraagt Sietske.
“Is het hier?” klink het van achter.
“Niets, ik kijk alleen even.” Op het bruggetje staan paaltjes met een meter tussenruimte, zodat je er niet meer met de auto overheen kunt. Maar daar, als tweede huis, ligt nog wel degelijk de kroeg waar we heel wat liters bier hebben laten vloeien. En waar ik de eerste avond Pfeffersteak gegeten heb. Klaargemaakt door Mildred. Die vergeet ik van m’n leven niet meer. Zur goldenen Krone!
Ik schakel in en rijd verder. Een afslag gaat naar Schleudorf. Mijn god, nooit geweten dat hier een zijweg was! En naar Schleudorf nog wel. Daar waren we meerdere malen in een disco en een keer heb ik er een meisje van meegenomen… Ik herinner me een avond vol van regen en illegaal getapte Asbachs. De woorden ‘That direction’ vallen me te binnen, uitgesproken op een druilerige ochtend.
Ik ben de zijweg intussen voorbij. Was deze weg echt zo kronkelig? En zo smal? Twee auto’s kunnen elkaar hier ternauwernood passeren. Hoe vaak heb ik hier niet gelopen, alleen of met Powers? Hoeveel bochten moeten we nog, eigenlijk?
Nog één!!! Toch nog onverwacht herken ik links van de weg de pottenbakkerswerkplaats van Werner. Rechts staat het bord: Kinder- und Jugenddorf Schranke. Precies zoals ik het me al die tijd herinnerd heb. Ik zet m’n richtingaanwijzer aan. “Jaah! We zijn er!!” klink het opgeluchte geschreeuw achter mij.
De asfaltweg ligt er als vanouds. De huizen zijn niet zo smetteloos wit als in mijn dromen, maar ze zijn er! Rechts begint meteen een steile berghelling. Ook die was ik geheel vergeten. De huizen links staan doods op hun rijtje. Ik kan niet ontdekken of een ervan nog altijd als ontmoetingsruimte voor de jeugd dienst doet, noch of een ander als winkel ingericht is. Na een knik in de weg zie ik Haus Theresia. Het blok ernaast is verdwenen, afgebroken blijkbaar. Onder het voorbijrijden kijk ik naar boven. Het balkon aan de voorkant is er gelukkig nog. We ronden de bocht. Iets van mijn opwinding slaat over op de kinderen. Michiel dringt zich tussen de voorstoelen om beter te kunnen zien. Ja hoor! Achter hoge bomen zijn de contouren van de kerk zichtbaar. Als we de bocht door zijn, zullen we haar beter kunnen zien. Alle bomen en struiken zijn gigantisch uitgegroeid. God ja, links in de volgende bocht ligt de kleuterschool met een zandbak en wat wiptoestellen ervoor. De Verwaltung herken ik – de kerk blijft verscholen achter het gebladerte. Links de grasvelden met daaraan grenzend de Familienhäuser. “Hier moet de speelplaats zijn, hier rechts,” zeg ik, maar een metershoge wal ontneemt ons het zicht erop. Het Gästehaus doemt voor ons op en daartegenover is dan de entree van het langverbeide speelterrein. Ik rijd het parkeerplaatsje op, waar tussen de steentjes gras is gegroeid en zet de auto neer. Onder het uitstappen kan ik me niet bedwingen een blik op het huis aan het begin van het parallelstraatje te werpen: Gemma Galgani. Het is er nog, al zijn er pal voor nieuwe woningen opgetrokken. De deur staat open. Ernaast voert een pad de helling af. Naar Segheim, weet ik.
Michiel en Eline willen naar de overkant van de straat hollen, maar worden in hun ren gestuit door Sietske, die vraagt: “Kom je bijna, Ronald?”
“Ik ben eigenlijk wel toe aan een kop koffie,” zeg ik.
“Ook goed. Zullen we dan eerst koffiedrinken?”
“Hè nee! We willen spelen!”
“Spelen!! Spelen!! Spélen!!”
“Dan krijgen jullie een ijsje,” probeert Sietske.
“Laat ze toch spelen. Ze kunnen geen kwaad hier en als ze dorst krijgen, komen ze maar hierheen terug, dan zullen we eens zien wat ze hier allemaal hebben.”
“Ja!!”
“Goed,” stemt Sietske in, “maar dan moet je wel aan de overkant blijven staan. Wij houden dat dan wel in de gaten, zodat we je over kunnen loodsen. Ga nu maar, er komt nu geen auto aan!”
Uitgelaten stormen ze naar het bestrate pleintje vanwaaruit verschillende paden het speelterrein over lopen. “Bij elkaar blijven, hoor!” roept ze ze nog na.
Samen wandelen wij naar het trappetje dat naar beneden voert, naar de ingang en het terras, waar geen tafeltje meer vrij blijkt te zijn. Galant houd ik de deur open en betreed vervolgens een halletje, waar volgens mij vroeger de wc’s op uitkwamen. Een volgende deur brengt ons in de gelagkamer. Het is er uitgesproken proper – een ander woord komt niet bij me op – veel schoner dan het ooit, vroeger, in onze tijd, geweest is en het is er stampvol. In de grote zaal is het een lawaai van jewelste, kinderen rennen heen en weer en mensen praten luid. Het geluid van een muziekinstallatie die popmuziek speelt daarbij gevoegd levert een onbehoorlijke hoeveelheid decibels op. Slechts geleidelijk wennen we aan de ‘gezellige’ zondagsherrie. “Kom,” zeg ik, “daar is nog een plaatsje vrij.” En of de duvel ermee speelt, kunnen we met ons tweeën aan onze eigen vroegere Stammtisch aanschuiven. Aan de muur hangt een schildje, een verguld duivelskopje voorstellend op rood velours. Met zwarte letters staat eronder: SATANSSCHRANKE. Hoewel ik het nog nooit eerder gezien heb, weet ik meteen waar het op slaat. Dat is er dus ook nog steeds! Dan moeten Paul en Aleit Weigert hier vast ook nog wonen.
Een meisje met grove krullen, zwarte kleding met een wit schortje, komt de bestelling opnemen. “Zwei Kaffee, bitte,” zeg ik. “Schwarz ohne Zucker.” Ze schuddebilt weg. Aan de muren hangen behalve het schildje allerlei foto’s. Ik zou ze wel allemaal minutieus willen bekijken of ik misschien iemand herken, maar dat is natuurlijk uitgesloten. Ik houd me in. Op onze tafel staat, net als op alle andere, een menukaart. Quasi gedachteloos heb ik hem opgepakt. Nee, ćevapćići staan er niet meer op.
“Wil je hier ook eten?” vraagt Sietske.
“Het is hier niet duur,” antwoord ik. “Misschien is het een idee.”
Onze koffie wordt op de tafel gezet.
Terwijl ik als terloops de overige gasten opneem, laat ik mijn lepeltje in het zwarte vocht rondgaan. Geen van de aanwezige gezichten is in staat iets uit mijn geheugen te doen herleven. Het grofgekrulde meisje loopt samen met een kortgeknipt zwartharig heen en weer, de benen uit haar lijf. Achter de tap staat een jongeman met geplakte haren. In mijn herinnering stond de snoepvitrine voor op het buffet, nu staat ze naast het doorgeefluik naar de keuken. Voorzichtig proef ik van mijn koffie. Hij is sterk en bitter. Uit het gangetje naar de keuken komt een vrouw, een mollige vrouw met dikke groeven in haar gelaat. Over de rand van mijn kop kijk ik naar haar, kleine slokjes nemend. God, wat is ze klein geworden en wat toont ze vermoeid. Ze heeft wallen onder haar ogen gekregen. Met haar geprononceerde achterste staat ze nu tegen de vrieskist, waarin het ijs en de ijsthee bewaard worden. Haar mouwen heeft ze opgestroopt. Ze praat met de nieuwe chef en haar haar piekt. Nu kijkt ze naar mij. Herkent ze me? Haar ogen blijven onder het praten op mij rusten en ook nadat het gesprek geëindigd is, blijven ze secondelang op mij gericht. Ik weet zeker dat zij het is. Maar wat moet ik? Wat kan ik?
“Lekkere koffie,” haalt Sietske me uit mijn overpeinzing.
“Ja, beetje sterk, maar verder wel lekker,” zeg ik en kijk in haar donkere ogen, waarin weerspiegeld wordt dat ook ik ouder geworden ben. Ik wil opnieuw naar haar kijken, maar ze schuifelt juist in het gangetje terug. Beheerst zet ik mijn kopje op het schoteltje.
Als ook Sietske haar koffie op heeft, vraag ik de juffrouw met de krullen om de rekening.
“We moesten maar eens gaan kijken waar de kinderen uithangen,” vindt Sietske, nadat ik betaald heb en het wisselgeld opgeborgen.
“Ja,” zeg ik, “en misschien is het inderdaad een goed idee hier vanmiddag de maaltijd te gebruiken.”
Samen lopen we naar het halletje.
“Even nog naar de wc,” zeg ik en stoot op goed geluk een deur open. Erachter bevindt zich een nauwe sluis. Aan het eind ervan is een deur met een telefoontje, maar rechts is eerst een deur met een vrouwtje-in-silhouet en dan een met een mannetje. Zo zat dat dus! Ik kom in een betegelde ruimte met vier urinoirs en vier deuren met een draaislot. Hier hebben in onze bezopenheid Powers en ik heel wat afgeluld! Toen rook het vast niet zo fris als nu.
Zonder van de gelegenheid gebruik te maken, loop ik terug naar het halletje, waar Sietske me staat op te wachten.
“Jij was snel verdwenen.”
“Hoge nood,” antwoord ik.
Buiten ligt het in cirkels bestrate plein met in het midden een fontein, die buiten gebruik is. Links ervan is een kunstmatige heuvel waarvanaf een glijbaan van ettelijke meters voert. De heuvel is opgebouwd uit korte, lichtgroen verweerde stammetjes. Erbovenop is een kabelbaan voor kinderen en daarachter torent de enorme touwpiramide, hoger en groter dan ik ooit ergens gezien heb.
“Papa! Mama!” hoor ik en jawel! Midden in de touwconstructie zie ik Michiel bengelen, terwijl Eline met de onderste koorden nog de grootste moeite heeft. Ze zwaaien en joelen. Luttele tellen later komen ze de glijbaan, die achter het pleintje uitkomt, afgeroetsjt. Ik ben dan al via een van de paadjes aan het uiteinde gearriveerd, net op tijd om Eline op te vangen.
“Is het een mooie speeltuin of niet?” vraag ik.
“Papa, er is een heel doolhof daar!” roept Michiel.
“Ik weet het, ben je er al in geweest?”
“Ja.”
“Leuk hè? Ben je ook al verderop geweest?” en ik wijs in de richting waar de waterspeelplaats was.
“Nee.”
“Kom op dan!”
Hand in hand rennen we het andere paadje op. Sietske heeft zich intussen bij ons gevoegd, maar loopt lang niet zo hard als wij. Bij de Chinese schommel laat ik de kinderen los – het is nu niet meer te missen – om haar op te wachten. Na de schommel zien we een soort stormram in de vorm van een paard met twee koppen waar eveneens meerdere kinderen tegelijk op kunnen zitten, daarachter een draaischijf waarvan het de kunst is erop te blijven staan en een trampoline, die helaas met planken afgedekt is, en daar onderlangs en tussendoor stroomt een mager beekje dat uitkomt in een meertje, waarin allerlei toestellen met emmertjes en hijsbalken neergezet zijn, met steigers en loopbruggetjes naar een eilandje. Ook zijn er allemaal sluisjes en hijstoestelletjes op het zandstrandje eromheen.
“Hier! Hier!” schreeuwt Michiel vanaf het fort op het eiland. Het is mij een raadsel hoe hij daar zo snel is kunnen komen. Eline komt huilend op ons af. Ze had ook wel graag op dat eiland willen zijn, maar had het tempo van haar grote broer niet kunnen volgen en voelt zich nu vreselijk in de steek gelaten.
“Kom maar,” troost Sietske en we gaan op een bankje aan de zijkant zitten.
Als Michiel zich even later bij ons schaart, begint Eline opnieuw hartstochtelijk te blèren. “Michiel, laat jij je zusje voortaan niet meer zo alleen achter, wil je?! Ik vind dat vreselijk flauw, als je zo doet. Jullie kunnen toch samen spelen?”
Op het horen van die woorden stopt Elines tranenstroom subiet. Michiel kijkt bedremmeld. “Maar ze wilde zelf niet…” probeert hij. Sietske kapt het af met: “Natuurlijk wel. Anders zou ze niet zo van streek zijn. Nou vooruit, samen spelen!”
Eline glijdt van haar schoot en Michiel zegt met zijn liefste stemmetje: “Zullen we daarheen?” terwijl hij een hijsapparaat aanwijst. “Dan mag jij telkens het emmertje met zand vullen.” Blijkbaar lijkt dat haar wel wat, want samen hollen ze naar het toestel.
“Heerlijk, zoals ze met elkaar kunnen spelen,” verzucht ik.
Sietske draait haar gezicht naar de zon en laat zich door de stralen verwarmen. Ik kijk naar haar, naar haar donkere, halflange haar waaraan zich een permanent aan het ontgroeien is, naar haar ooghaartjes die zich over elkaar sluiten, naar haar lichtgebogen neus, naar haar smalle lippen die op elkaar een streep in haar gezich trekken, op de onderste een symmetriedoorbrekend pukkeltje, de vlekjes op haar wangen en haar kin en ik realiseer me naast de moeder van mijn kinderen te zitten. Rust doorspoelt mij. Alles is goed. Wat gebeurd is, is gebeurd en de aarde draait haar baan. De mens erop is nietig als een speldenknop.
“Blijf jij hier zitten?”
Ze opent haar ogen en kijkt me verbaasd aan. “Hoezo?”
“Ik wil even een stukje wandelen. Als ik me niet vergis, moet hier ook nog ergens een zwembad zijn. Kunnen we vanmiddag misschien heen. Jij let op de kinderen?”
Ze knikt en sluit haar ogen weer om zich opnieuw met welgevallen over te geven aan de warmte van de zonnestralen.
“Goed.” Ik sta op. De kinderen spelen zandverplaatsertje.
Hier en daar kom ik een volwassene tegen met vier of vijf kinderen om zich heen, maar de meeste mensen komen zo te zien van buiten en maken er een dagje uit van. Ik bewandel een van de paadjes die langs de achterkant van de speelplaats bij het labyrint uitkomen. Eerst zie ik een grasveld, dat geheel en al uit mijn geheugen gewist was, maar waarvan ik me nu opeens herinner dat Powers en ik er met wat kinderen nog eens een soort voetbal gespeeld hebben. Langs de kant van het veld zijn gewelfde muren en banken op betegelde vierkanten met in de grond verankerde betonnen tafeltjes waarin bordspelen aangebracht zijn. Ook staan er twee tafeltennistafels van hetzelfde materiaal met metalen netjes. Er speelt niemand. Wel zitten een paar jongens en meisjes verveeld met elkaar te praten en te roken. Zoveel is er dus niet veranderd.
Ik voel iets tegen mijn been als ik verder wil lopen. Het blijkt een klein jochie te zijn, dat beduusd op de grond zit, dan in onbedaarlijk huilen uitbarst. Snel zet ik de dreumes op zijn beentjes. “Verzeihung,” mompel ik, meer tegen de man en vrouw die toegelopen komen dan tegen het kind zelf en maak me uit de voeten.
Een kort verbindingspaadje brengt me terug bij het doolhof. Gebukt loop ik erdoorheen. Twee kinderen kijken me vreemd aan; het kan me niet schelen wat ze denken. Onder aan de heuvel met de piramide kom ik weer tevoorschijn. ‘Als ik me niet vergis, is hier ook nog ergens een zwembad,’ heb ik gezegd. Langs de rechtopstaande balkjes, die ook aan deze kant de heuvel beklimbaar maken, loop ik met de handen in m’n zakken naar de grofhouten poortboog die een uitgang markeert.
Het zwembadlaantje! Bijna recht tegenover mij is de toegangspoort. Hij is afgesloten. Ik zie vanaf een afstand al dat de gaten in het hek gerepareerd zijn. Tevergeefs probeer ik de klink van de metalen rasterdeur, waarop geen papier hangt dat de afwezigheid van personeel verklaart of de reden van de sluiting aangeeft. Het is zondagochtend. Wellicht houden ook de huidige Bademeisters de traditie in ere dat dan later begonnen wordt. Het zullen wel altijd nog Amerikanen zijn, denk ik. Tegen de muur van het kleedhok waar ik tegenaan kijk, ligt een roodplastic glijbaan. In het gras ligt iets blauws. Ik kan het niet direct thuisbrengen, maar het zal wel een of ander speeltuig zijn. Wat leuk toch dat ze dat tegenwoordig ook in het zwembad hebben! Hoge struiken benemen me ieder zicht op het bad zelf. Ik rammel nog eens aan het slot. Als iemand komt kijken, zal ik zeggen dat ik een oud-collega ben en benieuwd ben hoe alles erbij ligt. Maar niemand komt en ik slenter op m’n dooie akkertje het laantje af in de richting van het Gasthaus. Rechts staan de woonblokken waarin Belinda die laatste nacht heeft moeten doorbrengen, weet ik nog.
Aangezien alles wat ik verder nog wil zien voorbij het Gasthaus ligt, besluit ik rechtsaf te gaan en eerst het kleine kerkhofje te bezoeken. Er is nu een muur omheen gebouwd en nadat ik een poort doorgegaan ben, kom ik op een soort binnenplaatsje waar een kraan is en een grote zinken bak onder een afdak. Een ingemetselde steen toont een bijbeltekst en de mededeling dat hier de laatste rustplaats gemarkeerd is van pater Janini, ‘der Gründer des Dorfes’, eerverleden jaar overleden. Een hekje geeft toegang tot de rest van de graven. Waren het er vroeger een stuk of zeven geweest, nu staan er wel vijftien stenen. De meeste zijn van kindergraven: tien, dertien jaar. Eén graf is van een meisje van drie. In de laatste steen van het rijtje staat gebeiteld: Gustav Flämer. Ik blijf er even in gedachten bij staan. ‘Schmeckt’s gut? Hat’s geschmeckt?’
Verderop in de straat is de school van het dorp en aan het eind moet het terrein liggen waar het Sommerfest gehouden werd. En ergens in de bossen daarachter is de Grillhütte. Misschien heb ik vanmiddag, als Sietske en de kinderen in het zwembad zijn, tijd om daar nog wat rond te neuzen. Nu loop ik de andere kant op, langs het Gasthaus met aangebouwd het huis met Joe’s kamer, langs de parkeerplaats waar de auto staat tot in voor de nieuw gebouwde huizen sta.
Uit de deuropening van Gemma Galgani komen twee jongens. Ze keuren mij geen blik waardig. Natuurlijk is er van Belinda of de anderen geen spoor meer. Bedaard loop ik het pad naar Segheim op en volg de route een meter of honderd. Op het balkon van Gemma Galgani is een jongen met een mes bezig een punt aan een stok te snijden. Daaronder is een venster, een kamertje van drie bij vier: een bed, een bureautje…
Wat zoek ik hier? Waarom ben ik hier teruggekomen?
Ik sla het parallelstraatje in. In een van de tuintjes staat Edelweiβ. Waar woonden de Weigerts? Alle huizen lijken zo klein, nooit groot genoeg om een gezin van vier mensen te herbergen. En bijna alle huizen zijn witgepleisterd, een enkele woning is geel of roze. Niets herken ik, niets. Maar de ‘Satansschranke’ dan? Ze móeten hier nog zijn! Ik ben echter al bij het kleuterschooltje aangekomen. Op het tweede stuk woonden ze zeker niet. Ik draai om, besluit nogmaals het straatje door te lopen. Ik kan Sietske niet te lang alleen laten en ik wil ook nog langs Werner…
Ik probeer niet al te nieuwsgierig te lijken als er mensen voor het raam zitten of in hun tuintje bezig zijn. Ze zouden eens kunnen informeren wat ik hier doe…
Ginds loopt een vrouw met een wasmand onder haar arm. Zou het…? Het is een tamelijk klein vrouwtje, ze is vrij gezet met stevige armen. Als ik nader, kijkt ze een moment mijn kant uit. Is zij het?? Ze loopt verder, de was moet achter het huis opgehangen worden en ze heeft niet de hele dag de tijd, natuurlijk.
“Verzeihung!” verman ik me. Ik kan altijd nog de weg vragen (welke weg, waarnaartoe?), maar als ze me aankijkt, zeg ik: “Verzeihung. Aber sind Sie Frau Weigert?”
“Ja,” antwoordt ze, niet in het minst verbaasd. “Und dann bist du wohl ein Ehemaliger?”
Verdomd!!! Ze is het!! “Ja das stimmt,” zeg ik vlug. “Ich war hier mal Bademeister.”
“Ach, Bademeister!” Klinkt er teleurstelling in haar stem door? “Ja, das kann schon sein. Und dein Name…”
“Ron. Ich bin aus Holland.”
Ze denkt na. “…Ron…???”
“De Reine.”
“Ach ja!” zegt ze, maar ik meen te zien dat er niet veel herinneringen boven komen drijven, want haar ogen achter brillenglazen blijven in dichte mist turen. “…Und was bringt dich denn hier?” Het gesprek moet op gang gehouden worden, niet?
“Vornehmlich Nostalgie, eigentlich.”
“Ach! Waren es denn so schöne Zeiten? Mit wem warst du denn damals?” Slim! Dat zou aanknopingspunten kunnen geven.
“Mit so vielen. Edward…”
“O, der Edward Killian! Der ist noch mal hier gewesen, kann ich sagen, nachher. Da war er unterwegs nach Österreich, wenn ich mich nicht irre. Der wollte ja immer klettern…”
“Und John…”
“John Shriver, ja. Von dem haben wir nie mehr gehört. Ach ja, so geht das nun einmal.”
“Powers!” Als een kanonskogel schiet zijn naam eruit.
“Ja, Powers! Powers James! Der… der war hier vor vier Jahren noch mal. Ja, ich glaub’ vier…” Ze trekt rimpels, denkt. “Ja, der hat geheiratet und war dann hier mit seiner neuvermählten Frau. Aber nur so ganz kurz. Die wollten dann heiraten in Italien… Oder die hatten gerade geheiratet! So war’s. Der Powers hat sich niet wesentlich geändert. Ja, er ist etwas ruhiger geworden, aber der hat noch immer Witze gemacht. Da ist er hierher gekommen und die Margrete hat ihn dann ‘reingelassen, weil ich ja in der Verwaltung beschäftigt war, und dann hat er angerufen, gesagt: ‘Ich komm’ vorbei.’ Ich hab’ gedacht er sei auf dem Flugplatz in Frankfurt oder so und da hab’ ich gefragt: ‘Wo bist du denn jetzt?’ und er hat da geantwortet: ‘In deiner Wohnung.’ Mein Gott, in meiner Wohnung hat er gesagt, kaum eine Straβe entfernt! Ja, schön war das. Aber auch schon wieder vier Jahre her. Die Zeit vergeht ja so schnell…”
“Und ich war dann auch noch mit Arthur Bruer da.”
“Ach, der Art Bruer. Der hat sich gar nicht mehr seh’n lassen. Dann und wann läβt er grüβen, aber selber ist er nie mehr hier gekommen. Der soll jetzt Professor sein, wie ich gehört habe.”
“Ach so! Und Alex?” Die deed ook iets in het onderwijs, als ik me niet vergis.
“McCain, Alex McCain? Von dem haben wir kein Lebenszeichen mehr vernommen.”
“Das ist schade. Und der Ton, der war auch noch eine Weile da.”
“Ton…? De naam scheen geen beelden voor haar geestesoog te brengen. “Den erinnere ich mich nicht.”
“Ton Noordhoff!” prbeer ik haar te helpen, maar ze schudt haar hoofd.
Dan zegt ze: “Aber das Schwimmbad ist zu.”
“Es ist zu?” Natuurlijk, zondagochtend! Vanmiddag gaan we er wel heen. Maar uit haar blik begrijp ik dat ze iets anders bedoelt.
“Seit zwei Jahren schon! Da gibt’s ganz groβe Risse in den Wänden und Boden. Und die sind nicht so leicht wiederherzustellen. Da müβte man es van der Grube aus ganz nau aufbauen. Und das kostet einfach viel zu viel Geld. Das haben wir eben nicht.”
“Das ist aber schade!!!” Of iemand mij een stomp op mijn borst gegeven heeft!! Geen zwembad meer! En hoe zijn die scheuren er dan in gekomen. Jarenlange verwaarlozing?
“Wir haben voriges Jahr, als die letzten amerikanischen Bademeister hier waren, noch einen kleinen Busdienst unterhalten mit dem Hallenbad in Heftling. Jeden Tag sind die so vier oder sechsmal hin- und hergefahr’n, aber allmählig hat dann die Interesse doch nachgelassen. Es war auch nicht dasselbe. Wir alle finden’s schade, aber der neue Verwaltungsleiter, der Herr Klein, schwimmt selber nicht und der meint, das Geld könne man besser für was anderes verwenden. Renovierung von Häusern zum Beispiel. Auch wichtig natürlich, klar, aber ich meine, wenn der Schroeder noch hier gewesen wär’, würde das nie so weit mit dem Bad gekommen sein. Aber vielleicht finden wir im Zukunft das Geld noch mal dafür. Zwei Millionen…”
“Tja…”
“…Das ist eine Menge…”
“…Und wie geht’s Paul?”
“Ach ja, wir steh’n nur hier. Er ist mal kurz in Haus Lambertus. Er sollte gleich wieder heimkommen. Wir können ja zu ihm gehen, dann sage ich nur jetzt meinen Gästen Bescheid.” Ze maakt een hoofdbeweging naar boven, zet haar wasmand neer.
“Du hast Gäste!? Weiβt du, dann werde ich es schon selber finden. Wo ist er? Haus Lambertus?”
“Haus Lambertus ja. Ich hatte ihn schon wieder erwartet. Er sollte nur die Hunde Margretes was zu fressen bringen. Es ist gleich neben dem Kindergarten. Wo es früher die Gärtnerei gab, sozusagen.”
“Dann finde ich es schon.” Het is op de route naar Werners huis. “Ist die Margrete auch da?”
“Nein, leider nicht. Sie ist mit ihrem Mann, dem Thomas – vielleicht erinnerst du dich seiner – mit einer Gruppe nach Portugal.”
“Sie hat sich also doch nicht mit Franz-Josef verheiraret?”
“Das du das alles noch weiβt!”
“Ich träume noch öfters von dieser Zeit.”
“Von der Margrete?”
“Nein, so vom Jugenddorf im allgemeinen.”
“Ach so. Aber nein, das hatte doch nicht geklappt so wie man sich das so vorgestellt hatte. Und dann muβ man Schluβ machen, nicht? Aber die sind als gute Freunde auseinander gegangen und auch Franz-Josef hat sich eine nette Frau gefunden, ein Mädchen aus Kammern. Die geh’n gut miteinander um. Und der Thomas, ja, der arbeitete damals im Hause hier gleich gegenüber und die zwei haben einander dann mal so recht in die Augen geschaut und da haben die gedacht: ja, jetzt muβ es mal geschehen. So geht das ja… Und wann wirst du wieder weiterfahren?”
“Heute abend erst. Vielleicht sehen wir uns noch. Meine Frau und Kinder sind auf dem Spielplatz…”
“Ja gut, und wenn nicht: Gute Fahrt!”
“Danke, vielleicht werde ich im Zukunft mal öfter vorbeikommen.”
We schudden elkaar de hand.
“Gute Fahrt also!”
“Tschüβ!” zeg ik en wandel naar het verbindingsstraatje met de geasfalteerde slingerweg waaraan het schooltje ligt. De Gärtnerei is inderdaad verdwenen. Op de plaats waar de kassen en schuurtjes stonden, staan nu drie eengezinswoningen. De eerste heeft op de brievenbus het opschrift: LAMBERTUS. Ik druk op de bel die naast de deur aangebracht is. Een hond slaat aan, verder blijft het stil. Ook als ik nogmaals bel, gebeurt er niets dan dat de hond harder begint te blaffen. Jammer. Misschien vertelt Aleit wel dat ik op bezoek ben en tref ik Paul later op de dag nog ergens.
Dan nu naar Werner! Neem ik de zigzagweg? Als die nog begaanbaar is! Dan kan ik via Haus Theresia weer teruglopen.
Na de laatste huizen strekt zich een open plek uit, omzoomd door bosschages. Er staat een autowrak en er ligt een lekke bal. Werners huis ligt ergens schuin links. In die hoek zoek ik naar een doorgang. Vergeefs. Zou het weg zijn? Nee, aan de andere kant is een opening tussen de bosjes. Er staat zelfs een verweerd paaltje bij met een verroest ruitertje. Ik moet wat begroeiing opzijschuiven om in het bos door te kunnen dringen, maar dan ligt het pad er weer als vroeger. Het is nog steeds even steil en er zijn nog steeds even veel wendingen. Alleen in de haarspeldbochten hangt soms een tak of hele struik over het pad. Echte hinder ondervind ik er niet van.
De laatste bocht, het laatste stukje. Het wordt al weer lichter. Hier moet ik me wel weer door struikgewas vechten. Blijkbaar wordt er toch niet veel gebruik meer van gemaakt.
Voor me ligt de Autostraβe. Ik weet dat links van mij een tunnel is die daar onderdoor voert, naar Don Anshelm en Werners huis. Als ik net beneden aan de trap ben aangeland raast er een auto over me heen.
Don Anshelm blijkt helemaal opgeschilderd te zijn. Het gras voor het huis is keurig gemaaid en rond een bloemperk staat zelfs een bank in de vorm van een halve cirkel. Er staat een zorgvuldig bijgeknipte heg rondom het terrein. Het is er doodstil. Voor de ramen hangen gordijnen, hagelwit. Hier wonen geen Zivildienstleister meer! Zouden ze er überhaupt nog zijn? Het hele dorp ziet er zo netjes uit met keurig onderhouden huizen en plantsoenen. Hiernaast ergens woonde ook nog de poppenspeler! Ik loopt het kiezelpaadje weer af, maar zie geen huis ernaast. Ook het pad naar Werners huis is verdwenen. Ik zal de snelweg weer op moeten klimmen en de honderd meter daarlangs af moeten leggen.
De schuur, waarin het atelier en het magazijn. De deur die altijd open stond, de etalage van de showroom waar naast keramiek nu ook olieverfschilderijen te zien zijn. Ik zie het allemaal vanaf de weg, sta voor de toegang naar het erf. Er staat een camper, daarnaast een rode Citroën. Verder ligt er een hoop oud schroot. Aan de muur boven de etalage is een groot houten bord bevestigd met in glanzend gelakte reliëfletters: ‘Ruth Alemann – Kunst und Poterie’.
Geen “Werner Alemann’? Geen ‘Werner und Ruth Alemann’? Alleen ‘Ruth Alemann’! Ik ben te laat.
Verstard blijf ik staan. De auto’s op het erf hebben allebei een kenteken met GRA. In de stilte is alleen het ruisen van het beekje achter het huis te horen.
In de ruimte waar vroeger de klanten ontvangen werden, zie ik – heel even maar – een grijsgeworden vrouw met een pot penselen binnenlopen en weer verdwijnen. ‘Werner!’ wil ik roepen, ‘Wo bist du?!’, maar ik verroer me niet.


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens