woensdag 20 september 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - De Geurenecho - Afl. 1 van 2
Gepubliceerd op: 30-01-2017 Aantal woorden: 1738
Laatste wijziging: - Aantal views: 176
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

De Geurenecho - Afl. 1 van 2

Henk Gruys




Niet meer dan toeval leek het, die eerste keer... het begin van een onvermijdelijke eigenaardigheid, waartegen ik vrijwel weerloos was...

– Hoe het is begonnen:
    Toen ik klein was, ging ik eens met een buurman, – bij wie ik graag over de vloer kwam om te spelen, – op een avond voor de aardigheid mee naar een leeg huis. De precieze aanleiding weet ik niet meer; misschien was er geen speciale reden en gebeurde het als per ongeluk.
    Een kennis van die buurman (een man die ik niet kende en ook nooit had ontmoet) had daar gewoond; was naar een andere straat vertrokken of naar een andere stad, en had zijn vriend gevraagd nog wat achtergebleven spullen op te halen.
    Het was een avond in juni, nog niet donker maar het motregende gestaag in de straten, met een regen die zilverachtig iriseerde in het stervend schemerlicht dat naar natte modder rook.
    We moesten zijn in een stille straat die ik, hoe jong ook, nogal deprimerend vond, al was het niet aan te wijzen waarom; misschien door die zinloze, onberekende bocht in het begin, die de straat iets zeldzaam ongezelligs meegaf.
    Het huis waar we moesten zijn stond mij ook al tegen, een laag, vrijstaand stenen blok met een plat dak (in de straat had geen enkel ander woonhuis dat), en het lag midden in die bocht. Nummer 17.
    Terwijl de buurman in de lege huiskamer doende was de gordijnen weg te halen, ging ik, omdat ik niets anders te doen had dan wachten, op onderzoek uit. Al van heel jongs af aan fascineerden mij lege huizen. En hier zag ik (doordat de deuren op wijde kieren stonden), een smal en armzalig keukentje opzij van de woonkamer.
    Een soort ontdekkingskoorts kwam in mij gevaren; met mijn kinderlijke fantasie hoopte ik in de keuken geheime ontdekkingen te doen, – ofschoon ik me er tegelijkertijd van bewust was dat dat mij ook treurig kon maken en neerslachtig alles wat ik onder deze omstandigheden zou tegenkomen.
    Ik zag een smal aanrechtje met een gebarsten gootsteen, een koperen waterkraan en blauw geverfde keukenkastjes, waarvan de randen door het gebruik waren afgesleten.
    Mijn hart bonsde. Ik knielde en trok de deurtjes een voor een open aan houten handvatten. Het was schemerig in het keukentje, er was maar een klein raam, – maar dat de plankjes leeg waren kon ik zien, en dat het kookgerei daar oude kringen op had achtergelaten.
    Meteen vond ik er een grijs email pannetje dat kennelijk bij het verhuizen was vergeten, klein en een beetje beroet onderaan.
    Nieuwsgierig maar ook wat beducht trok ik het naar voren en lichtte voorzichtig het deksel eraf.
    Er bleek nog een restant zuurkool in de pan te zitten. Opgebakken geweest, constateerde ik en ik rook er aan...
    Het was misschien niet eens echt bedorven, maar het stonk... Het stonk op een manier die zich onmogelijk laat beschrijven. Een vreemdsoortige, modderige geur mengde zich bij de indrukken die ik in het lege huis had opgedaan en die te zamen nu een dans leken uit te voeren voor mijn zintuigen, ogen, oren en reukorgaan. Zo eigenaardig werd het dat ik even vreesde mijn gedachten niet meer bijeen te kunnen houden.
        Ik bleef minutenlang voor me uit staren, ademloos, alleen met die rottende lucht, terwijl de schemering buiten inmiddels wat oplichtte achter het met regen bespikkelde keukenraampje en de voetstappen in de lege woonkamer als in een echokelder zo hol klonken.

Ik zette de pan weer op zijn plaats, maakte mij los van de confrontatie en keerde terug naar de woonkamer, waar de vriendelijke buurman met het inpakken van de laatste verhuisspullen klaar was.
    Met geen woord repte ik over mijn ontdekking, en buurman vroeg niet wat ik al die tijd in de keuken had uitgevoerd.
    Toen we buiten stonden vroeg ik na enig nadenken: "Hoe heette eigenlijk die man die hier woonde?" – "Gerrit Tatje" zei hij, terwijl hij een kartonnen doos met rafelig touw op de bagagedrager van de fiets bond.
    "Hm, dเt dacht ik wel," zei ik peinzend. Ik wist niet waarom ik dat zei, het kwam vanzelf uit mijn mond. Het moest vooral door die achternaam zijn, die naar iets lichamelijks leek te verwijzen, naar iets rimpeligs of verschrompelds. Hoe dan ook, met die man kon je maar beter niets te maken hebben, zo armoedig en ziek moest hij zijn. Maar de naam paste volmaakt bij alles, het lege huis, de zuurkool en de motregenavond; zodanig dat het mij opnieuw aan het nadenken zette over mijn onwelriekende vondst.
    Even nog keek de buurman mij aan door dat antwoord, – alsof hij wilde weten waarom ik dat dan wel had gedacht. Maar hij vroeg niets.
    Ik voelde mij opeens moe, koortsig en opgewonden en hoopte dat we gauw weer thuis zouden zijn. Het verschil was dat we nu de afstand lopend zouden moeten afleggen in plaats van per fiets, vanwege die kartonnen doos, die de buurman zo behoedzaam behandelde dat het was of er het fijnste porselein in zat.

Ook toen ik thuis was en in bed lag, – het was half negen en inmiddels donker – rook ik die geur nog steeds.
    Minder geworden leek hij ook niet, eerder sterker. Hoe kon een restje eten zo stinken...
    Ik kon er niet van slapen; steeds beeldde ik mij die geur in, en dan zag ik dat keukentje weer in het vale licht, met zijn klemmende blauwe deurtjes en dat vergeten, grijze pannetje.
    – Werkelijk dagenlang heb ik het nog geroken. Overal ging die zure geur met mij mee, naar school, naar buiten als ik in de straat met vriendjes speelde; en in bed 's avonds rook ik het nog.
    Tenslotte leek het mij maar het beste er zo weinig mogelijk aandacht aan te geven. Maar het was, doordat er geen einde aan leek te komen, toch hinderlijk, en het bracht mij uit mijn evenwicht.

Dat was het eerste verschijnen van de "geurenecho", – zoals ik die later ben gaan noemen, – aanvankelijk gekenmerkt als opmerkelijke jeugdherinnering in de Ondragtstraat.

Een passende verklaring leek uiteindelijk: suggestie. Want in werkelijkheid had ik die lucht natuurlijk niet terug door de regen mee naar huis genomen. Verbeelding moest het zijn. – Zo ongeveer zoals men een ambulance of politieauto, die met gillende sirenes voorbij vliegt, nog een tijd lijkt te horen als hij allang is gepasseerd en zijn noodsignaal heeft uitgezet.
    Nog een bijkomend aspect: had die ziekenwagen iemand meegenomen die je kende of familie was, des te sterker en langduriger was het effect van die echo: de fantasie aangejaagd door rechtstreekse betrokkenheid.

Vanaf toen kreeg ik vaker met de geurenecho te maken. Al waren het heel verschillende geuren, ze hadden zeker verwantschap in hun uitwerking. Gebeurtenissen, belangrijke of onbetekenende – kregen een vervolg door hun geuren. Ontving ik iets nieuws, nieuwe kleren die een penetrante textiellucht afgaven, of schafte ik spullen aan voor school die met de atmosfeer van kantoren en boekwinkels in verband konden worden gebracht, of kocht ik voor iemand een cadeautje dat een bijzondere papier- of verfgeur met zich meedroeg, dan nam ik die langdurig en nauwkeurig op, telkens en telkens weer. Dat moest, – aan die fascinatie ontkomen leek onmogelijk. Het gevolg was dat ik dagen, zelfs weken door die geur vergezeld werd. Een inbeelding die zo sterk was dat hij alle andere geuren tijdelijk overtrof.

In de puberteit is men voor indrukken dubbel gevoelig. De geuren van toen herken ik nog precies, hoe banaal en huisbakken ze toen ook waren. Hoe de nieuwe soldeerbout van mijn vader rook als deze een onderdeeltje in zijn zelfgebouwde radio verving, – of van mijn nieuwe manchester broek en knalrood overhemd als ik die van het hangertje haalde omdat ik naar een schoolfeestje ging.
    De huiselijke situatie lag daarmee vast, inclusief de beelden en achtergronden die ik er, half gedwongen, half uit eigen wil, bij fantaseerde. Ik leek er niet genoeg van te krijgen; iedere keer opnieuw inhaleerde ik de bijzondere, vooral nieuwe geuren. Soms was de herinnering zwak en had mijn verslaving wel iets aangenaams en boeiends, maar vaak duurde het te lang voor ik een hinderlijk aroom kwijtraakte. Bijvoorbeeld als de lucht van het privaat in het oude huisje van mijn grootmoeder maar niet uit mijn herinnering wilde verdwijnen.

Ik heb wel geprobeerd met schoonmaken en stofzuigen in huis de geurenecho te lijf te gaan. Of door drie keer per dag schone kleren aan te doen. Mijn ouders, aan wie ik niets vertelde, hielden mijn overdreven hygi๋ne voor puberaal gedrag waar je maar beter niet op in kon gaan; het zou vanzelf wel verdwijnen. Natuurlijk liet ik mij niet van de wijs brengen; parfumnevels, andere zeep, badschuim, nieuw voer voor de kat Smoeltje...
    Maar het gaf allemaal niets.

Ik heb in een latere periode met het idee gespeeld een maandkrant over dit onderwerp uit te geven: Een blad waarin alles wat met geuren en hun beleving (vooral die laatste) te maken had, zou worden behandeld. De naam had ik dus al: De Geurenecho. Op die manier zou ik uit reacties van lezers te weten komen of er nog anderen waren met dit echocomplex. Iedereen zou ervaringen mogen inzenden; en dan zouden wij, als gelijk gestemden elkaar eventueel kunnen bijstaan. Want in mijn eigen dromerige plannenmakerij sloot ik niet uit dat ik mensen zou ontmoeten die z๓ obsessief met deze bijzonderheid waren behept dat hun hele leven erdoor werd ontregeld.
    Dat tijdschrift is er nooit gekomen.
    Achteraf bezien was het plan ook nogal gewaagd, vind ik. Ik zou veel aandacht naar mij toetrekken op een wijze die onrust en onzekerheid met zich zou brengen. Bovendien zou ikzelf, door zoveel nadruk, het gevaar lopen helemaal te worden bezeten door het fenomeen dat tot nu toe nog tamelijk beheersbaar was gebleken.
(Wordt vervolgd met nog ้้n aflevering).



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en Ren้ Claessens