zaterdag 25 november 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Bert Pinkster - Een zomer feest (47)
Gepubliceerd op: 11-01-2017 Aantal woorden: 1500
Laatste wijziging: 28-01-2017 Aantal views: 231
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Een zomer feest (47)

Bert Pinkster


M’n toilettas, de kleren waarin ik geslapen had en die ik gisteren ook al de gehele dag had gedragen plus wat spulletjes die ik her en der bij elkaar sprokkelde, moesten nog in mijn tas of rugzak. Dat was alles. Zou Heidi mijn kamer schoonmaken? Een hele kluif; ze zou er geen probleem mee hebben.
Mijn zwembroek en badlaken lagen nog in het zwembad. Om half tien ging ik op weg om die op te halen.
Powers vroeg: “Ben je klaar voor de reis?”
“Bijna, ik kom nog even langs om afscheid te nemen.”
“Hoe laat gaat je trein?”
“Om één uur, vanuit Segheim.”
“Heb je vervoer?”
“Werner brengt me.” Good old hopeless Werner. “Om half één.”
“That’s fine. I can join in and see you off in Segy.”
Geweldig! Zo hadden we Alex ook uitgeleide gedaan, lang geleden, en Leaving on a jet train gezongen. De anderen waren er stilletjes tussenuit geknepen: Art, Ton, die nog terug had zullen komen…
“Okay, I’ll see you by then,” zei ik en liep het terrein af. Ik liep het laantje af naar de T, schuin links lag Sankt Dominik, schuin rechts het begraafplaatsje dat ik passeerde, want mijn doel was Haus Johann Deo. Met kloppend hart probeerde ik de deur. Ik móest Belinda nog zien. Hij gaf mee. Het huis leek uitgestorven. Net als afgelopen nacht was er niets te horen. Beangstigend stil. Ik klom de trap op naar de eerste verdieping. Links kwam de overloop uit op de wc, bovenaan de trap waren echter twee deuren. Op goed geluk probeerde ik de rechter. Ook deze was gelukkig niet afgesloten. Er was een schrijftafeltje dat ik niet eerder opgemerkt had, wel herkende ik de gordijnstof en de posters. Het beddengoed lag dooreengewoeld, het kussen op de grond. Waar was Belinda?
Ik kon onmogelijk reconstrueren wat er gisterenavond gebeurd was, hoezeer ik het me ook voor de geest probeerde te halen. Ik had achter een boom gezeten. Ik was met Belinda mee naar binnen gegaan, had gebruik gemaakt van de wc… En toen…??
Ik kon toch onmogelijk naar de Verwaltung om haar te zien te krijgen!
Ik stormde naar beneden, gooide de deur open. In het zwembad was ze niet, Gemma Galgani was afgesloten… Ik rende het kinderdorp door, over de speelplaats waar ik haar ook niet zag, via het korte paadje langs de kerk naar Haus Theresia. Op de parkeerplaats voor het huis stond alleen de Volkswagenbus van Joe. Wat moest die hier? Ik snelde naar boven, de trap op, de gang in… En daar was ze. Voor mijn deur op de grond zittend met haar knieën opgetrokken. Ze sprong op toen ze me zag. Ze huilde, omhelsde me, drukte zich tegen me aan. “Ich hatte keine Weckeruhr und als ik wach wurde, wuβte ich nicht mal wie spät es war,” snikte ze. “Und dann bin ich hierher gekommen mich zu verabschieden. Du warst nicht da, die Tür war zu und ich dachte, du wärst schon weg und davon.” Haar gezicht werd kletsnat. Maar gelukkig wás ik er nog en sloot haar in m’n armen.
Ze vertelde dat we gisteravond allebei in slaap gevallen waren en dat Sepp op een gegeven moment de kamer binnengekomen was en mij weggestuurd had. Een fletse glimlach schemerde door haar betraande ogen. Ze was goddank net op tijd, zei ze, en had zich niet eens de tijd gegund haar haar te kammen. “Ik zie er niet uit.” Nu lachte ze gelukkig weer voluit, al leek het haar moeite te kosten.
“Ik vind je mooi.”
Ik draaide de deur open en we zetten ons op het bankje in mijn kamer. Daar zaten we in elkaars armen, bijna zonder een woord te spreken, ieder met eigen gedachten, soms met de ogen dicht, totdat om half één Werner beneden toeterde.
Ik wuifde vanaf het balkon. De sleutel van de kamer liet ik op het tafeltje achter. Zouden ze wel vinden daar, dacht ik. “Gehst du mit?” vroeg ik.
Werner hielp me met de bagage. Op de achterbank zat kleine Sebas. Er was nog ruimte zat naast hem voor ons tweeën.
Bij het zwembad liet Werner zijn claxon loeien en boven de rozenstruiken verscheen Powers’ hoofd. Hij gebaarde dat hij eraan kwam. Een gevoel van treurigheid bekroop me. Hoe had ik me gehecht aan deze plaats en deze mensen! Het deed me weer aan Alex denken…
Powers hing het slot om de beide delen van de poort en stapte voor in. “Everything ready?” draaide hij zich naar me om.
Ik knikte. “I guess so.”
We reden het Gästehaus voorbij en alle huizen tegenover de speelplaats, waarvoor ooit een prachtig mooi blond Schranke-meisje in bikini op een stretcher had liggen zonnen – ik probeerde alles in mijn geheugen te prenten. We gingen langs de Verwaltung, de kleuterschool, de kassen, de kerk – ik draaide m’n hoofd van links naar rechts en weer terug om alles nog een keer in me op te nemen –, de helling waar we Eksli’s auto geparkeerd hadden, Haus Theresia, het bosje met Heinz’ huisje, langs het tweedehandskledingwinkeltje met daarachter het eerste zwembad, de disco, de huizen, links het huis waar Rolf en Eddy woonden, die me beloofd had het poesiealbum van Goethe en Schiller te zullen geven, Schranke uit, langs Werners huis – was Ruth thuis? – en langs Don Anshelm, waar uiteindelijk inderdaad nooit iets te doen was geweest, de weg over met links de uitgestrekte heuvels, die Werner zou gaan kopen als hij er geld voor zou vinden – “No really, no shit! Sats somesing!” –, onder het treinviaduct door, langs de ARAL-pomp aan het begin van Segy, het straatje voorbij waarin het zelfbedieningswinkeltje was en nog verder weg en een hoek om bij de kantoorboekhandel, tot aan het station.
We stapten uit. Werner haalde m’n weekendtas en rugzak uit de achterbak. Gezamenlijk liepen we het perron op. Belinda en ik gingen naar het loket. “Willst du mich bis Heidelberg bringen?” vroeg ik. Ze knikte stom.
Het mannetje met de pet verscheen achter het venster. “Peking? Peking?” zou hij hebben moeten antwoorden toen ik “Eine Einzelkarte und eine Rückfahrtkarte Heidelberg, bitte,” bestelde, maar hij knikte slechts met een zuur gezicht. Ik overhandigde een van de kartonnetjes aan Belinda.
We hadden nog vijf minuten, hoewel de trein er al stond.
“Ronnie,” Werner sloeg me op m’n schouder,”Ich hoff’ du hast ‘ne gute Reise. Und wir schreiben uns, gell?”
Ja ja, dat zouden we zeker doen. Ik had z’n adres. “En doe Ruth mijn groeten.”
Ik draaide me naar Powers. “Powers…” Verder kwam ik niet, want hij sloeg beide armen om me heen, trok me tegen zich aan en drukte een kus op m’n wang. “Take care,” zei hij. “Keep in touch!” Zijn mondafdruk brandde.
“We’ll write,” bracht ik uit.
Ook van Sebastian kreeg ik een kusje.
“Sie geht mit bis Heidelberg,” verklaarde ik met een gebaar naar Belinda. Werner en Powers knikten begrijpend.
We stegen in en zochten een compartiment waar we alleen zouden zijn. De bagage zette ik op de bank tegenover ons. Werner liep naar het raam toe. Ik draaide het omhoog, hij zei: “Du kommst doch noch mal zurück, Ronnie? Oder?”
De trein vertrok en onder het opsteken van handen verdwenen de drie van het perron.

In Heidelberg hadden we twee uur tijd totdat mijn trein naar Nederland zou afreizen. Het was te kort om naar het kasteel te gaan, dus wandelden we het stationsplein over, doelloos. Belinda rookte de ene sigaret na de andere en geleidelijk aan werd ze kalmer. Ze had de hele tijd zitten rillen als een riet. Nu kwam ze langzaam over haar zenuwen heen. We kochten een broodje en een blikje Fanta en lunchten op de trappen. We keken naar het verkeer. De eestvolgende mogelijkheid, de herfstvakantie – maar ik wist nog niet precies wanneer die zou vallen –, zouden we elkaar weerzien. Of ik zou haar opzoeken, óf zij mij. En we zouden schrijven, natuurlijk. We zouden elkaar nooit vergeten. Ik hoefde me geen zorgen te maken, zei ze. Sinds ze mij ontmoet had, keek ze eenvoudigweg niet meer naar andere jongens. Ze zei: “Misschien vind je het kinderachtig, maar ik wil je graag iets geven, een aandenken,” en in mijn hand viel een groen met wit-rode motieven bestikt armbandje van minuscule kraaltjes. “Ik heb het zelf gemaakt,” vertelde ze.
Dankbaar nam ik het aan, schoof het om m’n pols. “Ich finde es wunderschön,” en ik kon wel door de grond gaan dat ik haar niets kon aanbieden. “Ich schicke dir Bilder,” was het enige wat ik kon bedenken.
“Fijn dat je hem mooi vindt.”
Ik kuste haar en weer kwamen de tranen.

Op het perron omhelsden we elkaar voor de laatste keer. Ze probeerde moedig te lachen.
Te snel zette de trein zich in beweging.
We zwaaiden lang.
Toen liet ik me op de bank neerploffen en ik liet mijn ogen over mijn medepassagiers gaan tot ze bleven rusten op het armbandje. Groen en wit en rood.




Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens