dinsdag 21 november 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Een droom beschrijven
Gepubliceerd op: 09-12-2016 Aantal woorden: 1784
Laatste wijziging: 13-04-2017 Aantal views: 285
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Een droom beschrijven

Henk Gruys


Omdat de dagelijkse realiteit hem de laatste tijd zo kleurloos en saai voorkwam, – zelfs in toenemende mate, verveelde Willoman zich gestadig.
    Hij was van huis uit ordelijk en nauwgezet, maar ook niet van creatieve en fantastische inzichten verstoken. Hij voelde dat hij moest zoeken naar iets nieuws, iets verrassends om zijn fletse stemming te doen omslaan.

Op een dag las hij in een boek over psychologie dat iemand aanraadde zijn dromen op te schrijven; dat zou ongekende ontdekkingen opleveren. Het moest dan niet alleen gaan over wat er gebeurde of te zien en te horen was, – nee ook de stemming, de atmosfeer en de soms euforische uitwerking, moesten schriftelijk worden vastgelegd. – Zodra je ontwaakte moest je daarmee beginnen.
    Die euforie leek Willoman ietwat tegenstrijdig, want zijn dromen waren meestal nogal dubieus, niet zelden als ronduit negatief te beoordelen.
    Maar op een avond toch legde hij een bloknoot en scherp gepunt potlood klaar op zijn bed. Daarna kroop hij onder de dekens, knipte het lampje uit en viel direct in slaap.

Na wazige en onrustige activiteiten, in houten trappenhuizen in Amsterdam en kleine kamers, waarbij hij inderdaad op een meegebrachte bloknoot notities had gemaakt, was hij beland in een stadsdeel dat hem bekend voorkwam. Eigenlijk was het niet meer dan een nogal brede straat, met hoge gebouwen, door een paar straatlantaarns kleurarm beschenen. Onduidelijk was het hoe hij hier terecht was gekomen; denkelijk via weer nieuwe besognes die, achteraf bezien, zonder duidelijke gevolgen waren gebleven.
    Het was stil in de straat, zonder verkeer. De hemel oogde laat nachtelijk; in feite was er nauwelijks hemel. Alweer deze straat met apartementen, mompelde hij. En het was niet zonder bezorgdheid, want als je hier was aangeland, wist je het vervolg van je route niet meer, ging je je afvragen hoe in je vredesnaam Amsterdam weer kon verlaten.
    Hij vond niettemin dat ook dit alles diende te worden beschreven. Maar wat er reeds in zijn notitieboek stond kon hij slechts met veel moeite ontcijferen, en hij stak het boek tenslotte maar weer in zijn zak.
    Hierna moest hij gedachteloos een heel stuk verder zijn gelopen, want hij merkte dat hij een kleine stenen boogbrug over een gracht naderde. De ochtendzon brak tevoorschijn, nog half schuil gaand achter dunne fragmenten van een roze en kanariegele bewolking. In het midden van de brug stond een fragiele man met een roze flossig hoofd en een donkere jas aan, met de rug naar hem toe. De man stond bijna aangedrukt tegen de ijzeren leuning, te turen over het water, waar uit de kademuren zeer vele dunne rioolpijpjes staken.
    – Het uitzicht over het water heeft hem aangetrokken, concludeerde Willoman. Hij zag het kiektoestel, van gevernist hout. Willoman liep op hem toe, glimlachend, in de hoop hem niet humeurig te maken door deze verstoring van zijn bezigheden.
    Maar de fotoman bleek niet het minst ontstemd over de onderbreking. Hij leek zelfs ervan op te leven. "Ik zal u de foto laten zien die ik net gemaakt heb," zei hij en draaide zich om hem de foto te laten zien. – "Volgens het foto-genie zoals dat mij aangeboren is," vervolgde hij, "is dit vroege julilicht bij uitstek geschikt om vast te leggen. Sinds mijn twaalfde weet ik dat; en begint het gestaag te kriebelen bij zo'n onderwerp."
    Willoman keek. De gracht was afgebeeld in de stijl van de
banketbakker, in roze en geel en met een lijst van roze eromheen; het leek wel marsepein. "Mooi", zei hij zonder enthousiasme. Hij had reeds spijt het oponthoud, wilde rechtsomkeert maken, maar herinnerde zich dat hij nog steeds verdwaald was. "Ik moet naar het station," zei hij. Het klonk als de onvermijdelijke conclusie van een onoplosbaar probleem.
    De man antwoordde: "In de parallelstraat hierachter moet u dan wezen, – waar ik net vandaan kom. De naam is Joachim Trübel." Hij stak hem zijn hand toe. "In die straat is zoveel te zien, daar raak je niet uitgekeken! Ik zal het je wijzen." – Het roze om zijn hoofd stak vol beweeglijke zwarte vlekjes.
    "Wat is daar dan?"
    "Ga maar mee."
    "Een andere keer misschien," zei Willoman, "ik heb nu geen tijd."
    – "Kom, niet zeuren," zei Trübel, "tijd zat, het is nog hartstikke vroeg bovendien." Hij legde zijn arm breeduit over Willoman zijn schouder om hem te dwingen mee te gaan.

Ze liepen, of ze elkaar niet geheel vertrouwden, schuin achter elkaar een vochtig steegje in waar hun voetstappen hard weerklonken en hol echoden tegen de muren. Ze kwamen uit in een lichte, smalle straat. Opvallend was dat alles in de straat een zekere tint van grijsheid had, de huizen zowel als het plaveisel. De gevels in de hoogte schenen enigszins naar elkaar toe te wijzen.
        "Maar ik moet hier helemaal niet zijn," zei Willoman zwakjes, "ik ben hier uit puur toeval. En ik heb al zoveel tijd verloren. – Ik zal u heel erkentelijk zijn als u mij vertelt hoe ik zo gauw mogelijk bij het station kom."
    "De smederij! Wilt u dan de smederij niet zien?" vroeg Trübel op bijna verontwaardigde toon. "Iedereen die me de weg vraagt, wil maar wat graag de smederij zien! Staat nota bene op de lijst met monumenten!"
    "Nu even dan", zei Willoman, voornamelijk om van het gezeur af te wezen. "Maar daarna ga ik direct weer door!" – Ik moet notities schrijven, dacht hij, maar dan vraagt hij natuurlijk wat ik aan het doen ben. Hij mag het niet weten.
    "De smederij dus," zei Trübel en wees onverbiddelijk over zijn schouder. Ze stonden voor een zwaar stenen gebouw, waarvan je van buiten eigenlijk alleen de voorgevel zag, die bovenaan rond was over de hele breedte. Door een gapende opening kwamen ze in een werkruimte, waar je direct tegen een muur van hitte op liep.
    Een hels kabaal galmde. Metershoge vlammen wapperden, soms tot aan de nok, en vulden alles met grijze en zwarte rook. Arbeiders in ketelpakken zeulden hele raamwerken naar de smidsvuren, anderen hamerden cilinders plat op kleine aambeelden. Men werkte hard; overal zag je kleine gezichten opduiken en weer verdwijnen. Het geheel had iets van een radicaal, oorverdovend en ruw muziekstuk.
    "Ziet u wel," zei Trübel. – "Maar met zoveel vuur is het vanzelfsprekend erg gevaarlijk. De brand van de vorige maand is nog allesbehalve vergeten, toen een grote vlam uit de deur bulkte. De gevolgen zijn nog steeds in de omgeving te bespeuren, vooral in de straat. – Totdat de buurt het niet langer pikte. Maar daar is nu wat op gevonden. Ga maar kijken." – En zonder onderbreking: "Als u naar het Centraalstation wilt: dus hier naar buiten, rechtsaf en dan rechtdoor." Hij liep zonder afscheid te nemen de smederij weer in, en was verdwenen.

Willoman haastte zich naar buiten, liep zoals de man had aangegeven, verder door de nauwe, zeer lange straat, die in helder ochtendlicht lag. Vreemd smalle huizen stonden er ter weerszijden, opmerkelijk grijs getint, met drie of vier verdiepingen. Toen hij goed keek bleken ze helemaal van metaal te zijn. Dat moet te maken hebben met die branden, dacht hij.
    Je kon er zo binnen kijken, want de voorgevels ontbraken gedeeltelijk. Ook de interieurs waren van metaal, tafels, kasten stoelen en keukengerei, van aluminium of ijzer. Zowel kamers als gereedschappen waren door roet lichtjes beslagen, alsof iemand met een walmende olielamp overal langs was gegaan. Niets scheen door het vuur beschadigd.
    Dat is ongehoord, dacht hij, een originele oplossing! Wat een toeval dat ik deze opmerkelijke plek tegenkom! Fenomenaal dit! – Een groot geluksgevoel bij deze bijzondere ontdekking doorstroomde hem.
    Hij haalde zijn aantekeningenboek tevoorschijn, maar zag tot zijn spijt dat zijn vorige notities nagenoeg onleesbaar waren. Door elkaar en over elkaar. Misschien omdat het te donker was geweest toen hij ze maakte? Toch begon hij een nieuwe bladzijde te schrijven over de straat, telkens opkijkend naar de aluminium huizen.
    Hij liep weer door. Aan het eind van de straat werd het snel lichter. De stad lag nu achter hem. Geen mens te zien. Hij keek tegen de fletse ochtendzon in. Hoe nu verder? Nergens was het Centraalstation te bekennen.

Achter donkere, grijze wolken verdween het zonlicht, en het landschap werd ongeriefelijk. Hij liep langs smalle slootjes, richting de spoorbaan verderop, omdat hij daar in elk geval uit moest komen.
    Al gauw stond hij aan een schuine oever en zag zijn weg versperd door een breed kanaal. Het spoor zag hij niet meer. Aan de overkant van het kanaal lag toch duidelijk het treinstation. – Maar hoe moest hij daar komen, terwijl er geen overzetveer was voorzien?

Willoman ontwaakte. De zon scheen door de kieren zijn gordijnen en veel vogels floten door elkaar. Het notitieblok was door zijn gewoel op de vloer gegleden en hij moest zich ver vooroverbuigen om het te pakken.
    Met het potlood tussen de vingers probeerde zich te herinneren wat hij had gedroomd, maar er kwam niets in hem op. Alleen vaag de naam van Amsterdam – Ja, over Amsterdam ging het... Diverse situaties moesten er zijn geweest, daar ging het om, maar hij kon zich er niets concreets meer van te binnen brengen. Hij had iets meegemaakt, iets zeer prettigs, iets volkomen nieuw, een unieke situatie, maar wat was het?
    Een kwartier lang bleef hij proberen zich iets te herinneren, maar zijn geheugen bleef in lege cirkels ronddraaien. Geen woord zou hij over de droom kunnen opschrijven. Toen bekeek hij de bloknoot nogmaals. Er stonden, toen hij goed keek, links bovenaan vaag twee woorden geschreven, meer niet. In grote dunne letters stond er in zijn eigen hanepoten: Verdwaald in. Verdwaald? In Amsterdam? Had hij dat vannacht geschreven? – Terwijl hij droomde? Hij knipperde met zijn ogen om dat feit geheel tot zich door te laten dringen.
    Verder stond er niets. Was dit de oplossing van het raadsel? Of betekende het amper wat?.. er was niet uit te komen.
    Willoman trok aan zijn deken. En nog vol vragen ging hij dit op zijn rug liggen overdenken.



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens