zondag 27 mei 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Een droom beschrijven
Gepubliceerd op: 09-12-2016 Aantal woorden: 2007
Laatste wijziging: 04-01-2018 Aantal views: 471
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Een droom beschrijven

Henk Gruys


Omdat de dagelijkse realiteit hem de laatste tijd nogal kleurloos en alledaags voorkwam, – (zelfs in toenemende mate), verveelde Willoman zich soms een weinig.
    Hij was van huis uit tamelijk ordelijk en nauwgezet, en ook niet van creatieve en fantastische inzichten verstoken. Hij meende nu dat hij moest zoeken naar iets nieuws, verrassends, iets wat zijn fletse stemming zou kunnen doen omslaan.

Op een dag las hij in een boek over psychologie, waarin de lezers werd aangeraden eens hun dromen op te schrijven. Dat zou bijzondere ontdekkingen en nooit vermoede verrassingen opleveren, stond er. Het moest dan niet alleen gaan over wat er gebeurde of te zien en te horen was, – nee ook moesten de stemming, de atmosfeer en de wellicht euforische werking, schriftelijk worden vastgelegd. – Zodra je ontwaakte moest je daarmee beginnen.
    Het te verwachten succes leek Willoman ietwat tegenstrijdig, want zijn dromen waren meestal nogal dubieus, en niet zelden als ronduit negatief te beoordelen.
    Maar op een avond toch legde hij een bloknoot en scherp gepunt potlood klaar naast zijn bed. Daarna kroop hij onder de dekens, knipte het bedlampje uit en viel direct in slaap.

Na enige vage en onrustige activiteiten, in houten trappenhuizen in Amsterdam en in kleine kamers, waarbij hij inderdaad op een meegebrachte bloknoot notities maakte, was hij beland in een stadsdeel dat hem enigszins bekend voorkwam. Eigenlijk was het niet meer dan een nogal brede straat, met vrij hoge gebouwen, door een paar straatlantaarns kleurarm beschenen. Niet geheel duidelijk was het hoe hij hier terecht was gekomen. Mogelijk via allerlei besognes en verplichtigen die, achteraf bezien, zonder belangrijke gevolgen waren gebleven.
    Het was stil in de straat, zonder verkeer. De hemel oogde laat nachtelijk; in feite was er nauwelijks hemel te zien. Weer deze straat met bovenwoningen, mompelde hij. En het was niet zonder bezorgdheid, want als je hier was aangeland, herinnerde hij zich, wist je het vervolg van de route niet meer, het leek een topopgrafisch soort fuik, waarbij je je ging afvragen hoe in je vredesnaam Amsterdam weer kon verlaten.
    Hij vond niettemin dat ook dit alles diende te worden beschreven, zoals hij zich had voorgenomen, en hij begon. – Maar wat hij reeds in zijn notitieboek had geschreven kon hij slechts met veel moeite ontcijferen, en hij stak het boek tenslotte maar weer in zijn zak.
    Hierna moest hij gedachteloos een heel stuk verder zijn gelopen, want hij merkte dat hij een kleine stenen boogbrug over een gracht naderde. De ochtendzon brak tevoorschijn, nog half schuil gaand achter dunne fragmenten van een roze en kanariegele bewolking. In het midden van de brug stond een fragiele man met een roze flossig hoofd en een donkere jas aan, met de rug naar hem toe. De man stond bijna aangedrukt tegen de ijzeren leuning, te turen over het lage water, waarboven uit de kademuren zeer vele dunne rioolpijpjes staken.
    – Het uitzicht over het water heeft hem aangetrokken, concludeerde Willoman. Hij zag een kiektoestel van gevernist hout dat de man voor zich uit hield. Willoman liep op hem toe, glimlachend, in de hoop hem niet humeurig te maken door deze verstoring van zijn bezigheden.
    Maar de fotoman bleek niet het minst ontstemd over de onderbreking. Hij leek zelfs ervan op te leven. "Ik zal u de foto laten zien die ik net gemaakt heb," zei hij en draaide zich om teneinde hem de foto te laten zien. – "Volgens het foto-genie dat mij aangeboren is," vervolgde hij, "is dit vroege julilicht bij uitstek geschikt om vast te leggen. Sinds mijn twaalfde weet ik dat; en als ik het merk begint het gestaag te kriebelen bij zo'n onderwerp."
    Willoman keek op de fot die de man hem voorhield. De gracht was afgebeeld in de stijl van de banketbakker, in roze en geel en met een lijst van roze eromheen; het leek wel marsepein. "Mooi", zei hij zonder enthousiasme. Hij had reeds spijt het nodeloze oponthoud, hij had rechtsomkeert willen maken, maar herinnerde zich dat hij nog steeds min of meer verdwaald was. "Ik moet naar het station," zei hij zwakjes. Het klonk als de onvermijdelijke conclusie van een moeilijk probleem.
    De man veegde over zijn gezicht en antwoordde: "In de parallelstraat hierachter moet u dan wezen, – waar ik net vandaan kom. De naam is Joachim Trübel." Hij stak hem zijn hand toe. "In die straat is veel te zien, daar raak je niet gauw uitgekeken! Ik zal het u wijzen." – Het roze vel om zijn hoofd stak vol beweeglijke zwarte vlekjes.
    "Wat is daar dan te zien?"
    "Ga maar mee."
    "Een andere keer dan misschien," zei Willoman, "ik heb nu geen tijd. Ik moet beslist de eerste trein hebben."
    – "Kom, niet zeuren," zei Trübel, "tijd zat, het is nog hartstikke vroeg in de morgen." Hij legde zijn arm over Willoman zijn schouder om hem te dwingen mee te gaan.

Ze liepen, – of ze elkaar niet geheel vertrouwden, – schuin achter elkaar een vochtig steegje in waar hun voetstappen hard weerklonken en hol echoden tegen de blinde muren aan weerszijden. Het steegje kwam uit in een lichte, smalle straat. Opvallend was dat alles in de straat een zekere tint van metaalachtige grijsheid had, de huizen zowel als het plaveisel. De gevels in de hoogte schenen enigszins naar elkaar toe te wijzen.
        "Maar hier moet ik eigenlijk helemaal niet zijn," protesteerde Willoman zwakjes, "ik ben hier alleen bij puur toeval. En ik heb al zoveel tijd verloren. – Ik zal u heel erkentelijk zijn als u mij vertelt hoe ik zo gauw mogelijk bij het station kom."
    "De smederij! Wilt u dan de smederij niet zien?" vroeg Trübel op bijna verontwaardigde toon. "Iedereen die me de weg vraagt, wil maar wat graag de smederij zien! Staat nota bene op de lijst met monumenten! En die zou u zomaar voorbijlopen?"
    "Nu even dan", zei Willoman, voornamelijk om van het gezeur af te wezen. "Maar daarna ga ik direct weer door!" – Ik moet ook weer notities schrijven, dacht hij, maar dan vraagt hij natuurlijk meteen wat ik aan het doen ben. En hij mag dat niet weten.
    "De smederij dus," zei Trübel en wees onverbiddelijk met zijn vinger voor zich uit. Ze stonden voor een zwaar stenen gebouw, waarvan je van buiten eigenlijk alleen de voorgevel zag, die bovenaan rond was over de hele breedte. Door een opening aan de straat kwamen ze in een werkruimte, waar je direct tegen een muur van hitte op liep.
    Een hels kabaal galmde er. Metershoge vlammen wapperden, soms tot aan de nok, en omhulden alles met grijze en zwarte rook. Arbeiders in ketelpakken zeulden hele raamwerken naar de smidsvuren, anderen hamerden cilinders plat op kleine aambeelden. Men werkte hard; overal zag je de kleine gezichten van werklui opduiken en weer verdwijnen. Het geheel had iets van een radicaal, oorverdovend en ruw muziekstuk.
    "Ziet u wel," zei Trübel. – "Hier wordt gewerkt. Maar met zoveel vuur is het vanzelfsprekend erg gevaarlijk. De brand van de vorige maand is nog allesbehalve vergeten, toen een grote vlam uit de deur bulkte en de hele straat in vlam zette. De gevolgen zijn nog steeds in de omgeving te bespeuren, vooral in de straat. – Totdat de buurt het niet langer pikte. Maar daar is nu wat op gevonden. Ga maar kijken." – En zonder onderbreking: "Als u naar het Centraalstation wilt: dus hier naar buiten, rechtsaf straat uit en dan rechtdoor." Hij liep zonder afscheid te nemen de smederij weer in, en was verdwenen door de deur.

Willoman haastte zich naar buiten, liep zoals de man had aangegeven, verder door een vrij nauwe, zeer lange straat, die in helder ochtendlicht lag. Vreemd smalle huizen stonden er ter weerszijden, opmerkelijk grijs getint, met drie of vier verdiepingen. Toen hij goed keek bleken ze helemaal van metaal te zijn. Dat moet te maken hebben met die branden, dacht hij. Ze hebben een fantastische oplossing bedacht, en alles van aluminium en onbrandbaar gemaakt.
    Je kon er zo binnen kijken, want de voorgevels ontbraken gedeeltelijk. Ook de interieurs waren van metaal, tafels, kasten stoelen en keukengerei, van aluminium of ijzer. Zowel kamers als gereedschappen waren door roet lichtjes beslagen, alsof iemand met een walmende olielamp overal even langs was gegaan. Maar niets scheen door het vuur beschadigd of kromgetrokken.
    Dat is weergaloos , dacht hij, wat een ongekend originele oplossing! Wat een toeval dat ik deze opmerkelijke plek tegenkom! Fenomenaal dit! – Dat moet internationaal de aandacht hebben getrokken. Wat een toeval dat ik deze unieke plek tegenkom! Een geluksgevoel bij deze bijzondere ontdekking doorstroomde hem.
    Hij haalde zijn aantekeningenboek tevoorschijn, maar zag tot zijn spijt dat zijn vorige notities nagenoeg onleesbaar waren. Door elkaar en over elkaar geschreven. Misschien omdat het te donker was geweest toen hij ze maakte? Toch begon hij een nieuwe bladzijde te schrijven over de straat, telkens opkijkend naar de aluminium huizen alsof hij ze wilde na tekenen.
    Hij liep weer door. Aan het eind van de straat werd het snel lichter. De stad lag nu achter hem. Geen mens te zien. Hij keek tegen de fletse ochtendzon in. Hoe nu verder? Nergens was het Centraalstation te bekennen.

Achter donkere, grijze wolken verdween het zonlicht meer en meer, en het landschap werd ongeriefelijk. Hij zag een met zand opgespoten terrein, en begon te lopen richting de spoorbaan verderop, omdat hij daar in elk geval uit zou moeten komen.
    Al gauw stond hij aan een schuine oever en zag zijn weg versperd door een breed kanaal. Het spoor zag hij niet meer. Aan de overkant van het kanaal lag toch duidelijk het treinstation, zo stelde hij vast.. – Maar hoe moest hij daar komen, terwijl er geen overzetveer was voorzien?

Willoman ontwaakte. De zon scheen door de kieren zijn gordijnen en veel vogels floten door elkaar. Het notitieblok was door zijn gewoel op de vloer gegleden en hij moest zich ver vooroverbuigen om het te pakken.
    Met het potlood tussen de vingers probeerde zich te herinneren wat hij had gedroomd, maar er kwam niets in hem op. Alleen vaag de naam van Amsterdam – Ja, over Amsterdam had het gegaan... Daar in Amsterdam moesten situaties zijn geweest, daar ging het om, maar hij kon zich er niets meer van te binnen brengen. Toch had hij iets meegemaakt, ook iets zeer prettigs, iets volkomen nieuw, maar wat was het?
    Een kwartier lang bleef hij proberen zich iets te herinneren, maar zijn geheugen bleef in lege cirkels ronddraaien. Geen woord zou hij over deze droom kunnen boekstaven. Toen bekeek hij de bloknoot nogmaals. Er stonden, toen hij goed keek, links bovenaan vaag, met potlood geschreven twee woorden, meer niet. In grote dunne letters stond er in zijn eigen hanepoten: Verdwaald in Verdwaald? In Amsterdam? Had hij dat vannacht geschreven? – Terwijl hij droomde? Verder stond er niets. Was dit de oplossing van het raadsel? Of betekende het amper wat?.. Er was niet uit te komen. Hij knipperde met zijn ogen alsof hij pas daardoor dit geheel tot zich door kon laten dringen. Hij dacht aan het boek en de aanbeveling daarin. Het resultaat was nogal magertjes, vond hij, teleurstellend: slechts twee woorden.
    Willoman trok aan zijn deken. En nog vol vragen viel hij opnieuw in slaap.



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens