vrijdag 22 september 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Lompen en Metalen
Gepubliceerd op: 19-11-2016 Aantal woorden: 954
Laatste wijziging: 28-01-2017 Aantal views: 332
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Lompen en Metalen

Henk Gruys


Vriend Kees was een jaar ouder dan ik en een hoofd groter. Hij leek soms niet geheel gezond; hij was immers veel te mager, en zijn blote knieën, vol rare vlekken, wezen altijd naar elkaar.
    Maar wel hadden wij allebei grijze slip-overs aan, als een soort uiting van solidaire gezamenlijkheid – in de jaren toen nog een bijna nationale klederdracht. Zo leken we toch weer een beetje op elkander.

Als de moeder van Kees weer eens oude kleren en vodden kwijt moest, propte ze die in een goor kussensloop, en dan kwam Kees even later bij onze achterdeur naar mij fluiten om mee te gaan naar buurman Noorda, die zijn bedrijf had verderop aan de rivier. Vijf minuten lopen. Het was dan altijd (vrije) woensdagmiddag.

Ons einddoel aan de Hoofdstraat, zag je al uit de verte. Tussen lage huizen rees die kubus van roodbruine baksteen op, drie verdiepingen hoog, met zes blinde, gebarsten ramen van draadglas. Boven de toegang hing een wit bord:
                J. Noorda Lompen en Metalen.
    Oude glorie; want de verf was er al bijna afgeregend.

De ijzeren poort in het pakhuis, met gaten bovenaan in plaats van ramen, liepen we door.
    De zolders, zoals je kon zien, waren tot het uiterste volgestouwd met balen lappen in allerlei kleuren. Smalle doorgangetjes, als weggevreten, waren ertussen opengelaten.
    Mogelijk gaven die toegang tot de nesten van vreemde, gevaarlijke dieren, vermoedde ik soms.

Overal op de grond lagen losgeraakte, vuile lappen. Noorda zag je nooit. Nadat Kees zijn meegebrachte vodden ergens in een rommelhoek had neergesmeten, gingen we niet direct huiswaarts, maar liepen verder. – Misschien was dat wel door de grote verveling, waaraan we altijd zoveel mogelijk probeerden te ontkomen.
    Achter het pakhuis had Noorda zijn buitenopslag, waar het vol lag met hopen ijzeren pijpen, kachels, plaatijzer, tandwielen met vet of geheel verroest, ijzeren kastrekken, fietsenframes, een nodeloos wit fornuis, dat op wankelen stond, hoger, – en alles wat nog een beetje glom onherkenbaar op elkaar lag of in elkaar stak.

Kees zocht altijd direct iets om zich ermee te vermaken. En omdat hij immers de buurjongen van de eigenaar was, beschouwde hij het als zijn volste recht, om hier te zijn en te doen wat hij wou. Dat merkte je aan zijn hele gedrag.
    Eerst gingen we een hut bouwen van koperen traproedjes, gasbuizen, ijzeren stangen en roestige blikken platen. Een schuilplaats waar wij ons in konden verbergen. Soms haalden we er onze hand open aan een scherpe blikken rand, maar wat hinderde dat? Gewoon je zakdoek eromheen.
    Ik had daar vaak een soort terugkijkvisioen: dan zag ik Kees zijn strenge moeder, mopperend op haar altijd zo eigenzinnige zoon. Ik zag hun lage gereedschapsschuur vol smerigheid en roestige rommel, en het tuinpad, waar aardbeien en aalbessenstruiken langs groeiden.

Maar de hut verveelde ons ook alras. Dan schakelde Kees automatisch over naar een nieuw onderwerp. Hij zocht kachels waaromheen een gietijzeren hekwerk zat met bladmotief, dat hij stuk kon rammen met een ijzeren staaf. Hij was onverzadigbaar in het kapotmaken en vernielen. Maar dat wist ik al lang.
    Als hij geen kachels meer kon vinden, begon hij dunne ijzeren en koperen staven als een speerwerper zo ver mogelijk de rivier in te gooien. Of hij deed zijn rits open en sproeide met licht doorgezakte knieën over het fornuis, tot het droop.

Betrapt of verboden werden we niet. Noorda had geen knechten, en hijzelf was, onbegrijpelijk genoeg, nooit zichtbaar.
    De zon scheen warm boven ons en lichte wolken dreven over, losten op. – Nog heb ik thuis deze herinnering: als ik 's middag half twee met mooi weer in mijn schommelstoel zit, en naar buiten kijk. Dat het zonlicht nu precies hetzelfde nog is als toen.

Dat schrootterrein grensde aan het water. Links stak een steiger wat meer naar voren, – en daar lagen de steenkoolhopen van een fabriek, en bergen as die branderig stonken.
    Het uitkijken over de rivier, vanaf de verrotte beschoeiing met dood gras, afval en olieachtig geklots was deprimerend. Groenteslierten, oude kranten, kartonnen dozen, doeken en vergane balken dreven voorbij. Het brede water was al grondig verpest door de bedrijven erlangs, die van alles loosden. Aan de overkant stonden de lage huizen en fabrieksgebouwen bijna om en om aan de oever. En in het midden tuften binnenvaartschepen langzaam voorbij, temidden van een ploffende oliewalm, waarvan een blauwe nevel nog minutenlang boven het water bleef hangen.
    Soms blies men op een hoorn, voor de klepbrug in de verte.

Nadat we de terugtocht hadden aanvaard, dan waren wij na vijf minuten weer in onze straat: een geul van twee rijen zwartige huizen; vaak met een opvallend accent van helrood of blauw: een buiten gehangen zonnescherm.
    – Ik was dan al geheel moedeloos geworden, "Stijg op tot grote hoogte," mompelde ik. Maar niets kon mij over de zwaarheid van de woensdagmiddag heen tillen. Ik had het gevoel of de straat, eigenlijk de hele omgeving mij zwaar op de schouders drukte; zodat ik mij klein en weerloos voelde.
    Ik wist zeker dat niemand mij hieruit kon redden.
    – Mijn vader en moeder? Die zouden intussen wel uit de straat zijn weggelopen, veronderstelde ik. Mij achterlatend. Voorgoed.



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens