dinsdag 21 november 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Joly-Pardoes - Afl. 1 van 2
Gepubliceerd op: 26-09-2016 Aantal woorden: 1518
Laatste wijziging: 01-05-2017 Aantal views: 394
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Joly-Pardoes - Afl. 1 van 2

Henk Gruys


    "Vanavond draait er een bijzondere film in de Pardoes," zei Herman, "bel jij even voor kaartjes voor acht uur?"
    De zaterdagavond was bij hem en Sieglinde geen vaste uitgaansavond; zij volgden eerder de kalender, met een voorkeur voor iets verrassends, eens of twee keer per maand. Hetgeen dan meestal toch weer neerkwam op de oude, bekende gelegenheden.
    Natuurlijk waren ze weer veel te vroeg van huis gegaan. Files waren er ditmaal nauwelijks, en ook minder treinen klaarblijkelijk, want de spoorbomen bleven omhoog, de brug was niet open en wonder boven wonder bleek bij de oude pakhuisjes voldoende parkeerruimte, zodat ze niet alle zijstraatjes van de sloopwijk hoefden af te zoeken. – Alle verkeersobstakels en hindernissen, – waarvan men op doordeweekse dagen denkt daar nooit aan te wennen,– leken tijdelijk opgeheven.
    Het filmtheater waar ze moesten zijn heette Joly-Pardoes, een bijna feestelijk klinkende naam, maar het huisde in een voormalig kraakpand, dat in brand had gestaan. Het was ook geen echte bioscoop, maar een zogeheten Art house, hetgeen volgens de initiatiefnemers betekende dat films uit de reguliere verhuur absoluut taboe waren en er uitsluitend bijzondere werken uit het alternatieve en undergroundcircuit werden vertoond. Een credo dat zijzelf onophoudelijk, en met een zekere aplomb, aanhingen, waarbij de in hun ogen verfoeilijke kwalificatie "bioscoop" angstvallig vermeden werd.

Het gebouw had van buiten niets van een theater, eerder van een
deels ingestorte vetsmelterij. En binnen nog minder. Het was niet meer dan een openbare wachtruimte van een afvalopslag. De geringste allure ontbrak, waardoor je, als je hier onbekend en vol verwachting binnentrad, door een zekere beangstiging werd bevangen.
    Langs beide lange zijkanten van de filmzaal was een lange rij zeer lage houten banken geplaatst, ongeverfd en gladgesleten door gebruik, hetgeen Herman aan het gymnastieklokaal uit zijn jeugd deed denken. Vanaf die banken kon je, indien gewenst, de film bekijken, als je het risico van een verdraaide nek of blijvende schele hoofdpijn tenminste voor lief nam. Aan de voorkant, dat wil zeggen helemaal achterin de zaal, bevonden zich de "betere" zitplaatsen, met echte, hoewel gammele stoelen, die op een hoop gedreven leken of tijdens een storm op de kust aangespoeld.
    Sieglinde ging de bestelde plaatsbewijzen ophalen en Herman zette zich zolang op een van de lange banken, in de buurt van een paar jonge vrouwen die op zijn komst besmuikt begonnen te giechelen. Nadat hij was gaan zitten gingen ze over op fluisteren, en het was duidelijk dat ze het uitsluitend over hem hadden. Misschien dat ze hem onsympathiek of belachelijk vonden, al begreep hij absoluut niet waarom; ze kenden elkaar niet.
    Zo als altijd keek hij weer in lichte verbazing rond. Links van hem torende de achtermuur op, een hoge bergwand van brokkelige, rode bakstenen, vol cementresten, bulten en hiaten, waarop, hoe bestaat het, een rechthoek van vijf bij zeven meter wit was gekalkt. Het "filmdoek." In het vale licht van grote plafondlampen (een was er kapot) zag dat er natuurlijk erbarmelijk uit. Maar doordat tijdens de voorstelling de lichtbundel van de projectie erop valt, ten naaste bij onder een hoek van 90 graden, zie je nauwelijks schaduwen meer, en zijn de brokkeligheid, spleten en steenpuisten veel minder zichtbaar.
    Herman had ooit bedacht dat hij met zijn bedrijf wel zou kunnen helpen door de muur af te bikken, te vlakken en wit te schilderen. Maar door drukte was het er nooit van gekomen, en later had hij gedacht: och waarom ook eigenlijk....
    Hij constateerde toen hij op zijn horloge keek, dat over een half uur pas de voorstelling begon. Officieel althans, want zulke vermeldingen zeiden hier niets. Soms begonnen ze zo'n twintig minuten te laat. Soms een kwartiertje te vroeg. Hij hoopte dat Sieglinde intussen wel een beetje opschoot met haar kaartjes, want indien het druk was, en dat was het meestal op zaterdagavond, dan konden de zitplaatsen zó op zijn. – En alles duurde hier altijd lang.
    Al rekening houdend met mogelijke vertragingen en wachttijden, had hij klein een pocketboekje bij zich gestoken. Voordat hij ging lezen overzag een moment met verstrooide blik de vrouwen, die terugkeken alsof ze verwachtten dat hij wat tegen hen ging zeggen. Toen sloeg hij of hij heel alleen was, het boekje open en dacht voor de zoveelste keer: waarom drukken ze literatuur altijd op wc-papier? Wordt er anders weer niet genoeg aan verdiend? Maar hij begon te lezen op de pagina waar hij een leeg suikerzakje als bladwijzer in had gestoken.
    Al gauw werd zijn aandacht afgeleid door een jongeman die aan de overkant was gaan zitten op de lange bank tegenover hem. Hij had bleke, ingevallen kaken, zwartige oogkassen en een langwerpig hoofd waar een draderige baard uit was gegroeid die vast niet elke dag werd bijgeknipt. Herman herkende vaag een van de vroegere oprichters, wietgebruiker en lid van de groep die zich dit pand had toegeëigend. De man zat steeds naar hem te loeren, en schudde telkens het hoofd of hij zich aan Herman zat te ergeren, bijvoorbeeld vond dat deze zich misdroeg. Tenslotte scheen hij zich niet langer te kunnen inhouden.
    "U leest een boek meneer!" riep hij boos.
    Ondanks zijn zwakke uiterlijk had hij een luide en geoefende stem. De twee vrouwen begonnen weer direct te giechelen en schenen de gemakkelijkste houding te zoeken om dit incident zo comfortabel mogelijk te kunnen volgen.
    Herman keek op van zijn boekje, wachtte vier seconden en antwoordde:
    "Nee, op dit ogenblik dus niet!"
    "Het is niet toegestaan meneer hier boeken te lezen. Ik wil het hier graag zuiver houden!"
    "Ik lees geen boeken," zei Herman. "Slechts één."
    "Het is hier geen openbare leeszaal meneer maar een filmruimte!"
    "Dat is geheel juist, en tot mijn genoegen mag ik zeggen."
    Ik ben in gezelschap van een halvegare, rijp voor het gesticht en drie hysterische wijven, dacht hij. – Waar bleef Sieglinde toch? Hij had haar willen zien aan komen lopen, de ruimte diagonaal overstekend met haar stevige pas; de afgescheurde plaatsbewijzen wapperend in haar ene hand, en zijn lederen portemonnaie in de andere. Maar nog steeds was zij niet te zien.
    Herman keek nog even; toen stond hij op met zijn boekje en deed een paar passen naar het midden van de zaal om naar haar uit te kijken.
    "U gaat dus weg meneer?" De harde stem van de baardman weer, die waarschijnlijk dacht dat Herman zijn gezelschap niet langer verdroeg, en hij dit dus kon beschouwen als een persoonlijke overwinning. De vrouwen met hun kirrende lachjes keken nog steeds geamuseerd toe. De man vervolgde: "Ja, het valt ook niet mee als je weet dat je scherp in de gaten wordt gehouden, met argusogen!"
    "Ach barst," dacht Herman. Dat filmscherm konden ze gelijk wel op hun buik schrijven, geen denken meer aan.
    Het boekje stak hij in zijn zak; hij liep door naar de voorzijde van de hal in de buurt waar de toiletten waren, en keek rond. Uit de deuren liepen mannen en vrouwen in en uit, en het stonk er naar naftaline.
    Opeens drukte en geloop om hem heen, en gestommel van vele geschoeide voeten. Iedereen zocht haastig een zitplaats, want als je te laat was, moest je de hele film staan.
    Het zaallicht knipperde, ging uit, ging weer aan en bleef toen uit. Het was nu aardedonker. Vier harde geweerschoten klonken er vanaf het balkon. Dat waren èchte, dacht Herman, die van schrik in elkaar dook. – Op het doek: drie namaakcowboys op paarden die in grote stofwolken dwars over een soort woestijn galoppeerden. Die schoten waren een grapje geweest van de filmoperateur van de Pardoes, want deze hield zijn geweer nog even triomfantelijk omhoog. Ze zijn gek hier of het lijkt maar zo, dacht Herman, – een wonder dat er geen paniek ontstond.
    Sieglinde was nog steeds niet te zien; misschien was zij wel naar buiten gegaan, dacht hij, omdat ze niet langer met deze flauwekul geconfronteerd wilde worden. En daarin had ze natuurlijk gelijk. Die zogenaamde grappen van de baardapen, daar heb ikzelf ook eigenlijk niet veel zin meer in.
    Tja, waarom hadden ze in hemelsnaam besloten hier naartoe te gaan? En eigenlijk door zijn schuld? Beter hadden ze kunnen gaan dineren in dat kleine maar piekfijne restaurantje waar ze een vaste tafel hadden.
    Hij opende de nooddeur en stapte naar buiten. Zo kwam je uit op het driehoekig pleintje naast de kerk. Alle ramen van het godshuis waren volgens eigentijdse buurttraditie ingekinkeld; rooms-katholiek glas-in-lood, waar hele happen uit waren verdwenen. Alles stond toch op de nominatie gesloopt te worden, al kon dat door gerechtelijke processen volgens het gemeentebestuur nog wel jaren duren.
(Wordt vervolgd met nog één aflevering).



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens