zondag 21 januari 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
H J Hermeler - 'Koninkrijk van water - Proloog'
Gepubliceerd op: 03-08-2016 Aantal woorden: 5000
Laatste wijziging: - Aantal views: 582
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

'Koninkrijk van water - Proloog'

H J Hermeler


(De volgende tekst is een fragment uit mijn vierde boek, een historische roman over de Romeinse tijd in Nederland. Het boek is nog in ontwikkeling en daardoor kunnen de teksten of personages die uiteindelijk in het boek terecht komen nog wijzigen)


Proloog

17 voor christus

Harald



Harald was veertien jaar toen hij voor de eerste keer de Rijn over zou steken. Hij had de grote rivier al vaak gezien en had er zelfs een aantal keer in gezwommen, maar hij was nog nooit op de andere oever geweest. Sinds hij die ochtend was opgestaan, voelde Harald al de hele dag een bepaalde spanning die steeds verder toenam terwijl de kleine groep richting de rivier liep. Harald had het idee dat de andere oever meteen een heel andere wereld was. Een wildere wereld met andere volken en vreemde dieren. In de belevingswereld van Harald vormde het water een duidelijke scheidslijn tussen het vertrouwde land waarin hij was opgegroeid en de meer exotische wereld aan de overkant. Zijn vader Beren had de vorige avond nog tegen Harald gezegd dat hij zich niet druk hoefde te maken. Beren was de rivier al vaak overgestoken en de laatste paar zomers had hij ook steeds Bren, de oudere broer van Harald, meegenomen.
“De andere oever is precies hetzelfde als onze oever,” had zijn vader aan Harald verteld bij het haardvuur. “De mensen die daar wonen spreken dezelfde taal en ze hebben dezelfde goden. Het eten smaakt er niet anders en het regent daar even vaak als hier. De goden hebben de grote rivier niet als een scheiding tussen onze volken gelegd, maar juist als een verbindingsader.”
De moeder van Harald was niet blij dat Harald en zijn jongere broer Timmen mee gingen op jacht. Ze vond dat zij nog te jong waren, iets wat Timmen natuurlijk luidkeels had tegengesproken. Timmen zou aan het eind van de zomer dertien worden, maar hij vond dat hij net zoveel recht had om mee te gaan als Harald. Timmen had een onstuimig karakter en moest als jongste man van het gezin vaak voor zijn positie vechten door zich brutaler te gedragen dan zijn twee oudere broers of zich af te zetten tegen zijn jongere zus Banna. Harald had het idee dat zijn vader vaak wel geamuseerd was door de branie van Timmen, ook al had hij Timmen ook regelmatig geslagen als hij iets te ver was gegaan. Op de een of andere manier lukte het Timmen altijd om in de problemen te komen met de andere kinderen van de boerderijen bij hen in de buurt.
Zelf was Harald wat rustiger dan zijn broers en zijn zus. Hij dacht vaak lang na voor hij iets zei en regelmatig kon hij dromerig voor zich uit kijken zonder echt op te letten op wat er om hem heen gebeurde. Dan staarden zijn lichte grijze ogen in de verte en dwaalden zijn gedachten naar zijn dromen of naar de verhalen die ’s avonds rond het vuur werden verteld. Harald vond het altijd leuk om met zijn broers of met zijn vrienden te spelen, maar hij hield er ook van om in zijn eentje door het bos te zwerven of in het gras te liggen, terwijl de maan en de sterren boven hem door de hemel zweefden. Harald had het gevoel dat hij dichter bij de goden kon zijn als hij alleen was. Dat hij dan meer open kon staan voor hun bedoelingen, dat hij hun gedachten kon horen in de wind die door de bossen waaide. Stiekem hoopte Harald dat hij ooit een god tegen zou komen tijdens een van zijn lange wandelingen in het bos.
Zijn vader hield er niet zo van dat Harald zo’n dromerige jongen was. Beren deed zijn best om het niet te laten merken, maar Harald voelde dat hij meer had met Bren en Timmen.

De vier waren al vroeg in de ochtend op pad gegaan. De zon kwam in deze tijd van het jaar al vroeg aan de hemel, ook al hadden ze een maan geleden al weer het feest van de zonnewende gevierd. Na een eenvoudig ontbijt hadden ze afscheid genomen van Banna en Reine en hadden ze de boerderij verlaten. Beren had een van de twee paarden van de boerderij meegenomen als lastdier voor de proviand en de wapens van Bren en Beren. Het andere paard hadden ze achtergelaten bij de boerderij, net zoals de twee slaven Trig en Malo. Zij zouden op de boerderij letten terwijl de mannen weg waren. Normaal gesproken zouden de slaven mee gaan tijdens een jachtpartij, maar dit was iets wat Beren altijd alleen wilde doen met zijn zoons als ze oud genoeg waren om mee te gaan. Het was een speciaal ritueel dat Beren ieder jaar in de zomer wilde uitvoeren voordat hij aan de oogst zou beginnen. Het was zijn eigen persoonlijke traditie om stil te staan bij de tocht die zijn volk jaren geleden had gemaakt vanuit het land van de Chatten naar hun nieuwe woongebied langs de Rijn. Harald wist niet precies wanneer of waarom de stam van zijn vader uit hun gebied was vertrokken, maar Beren moet zelf nog een jonge man zijn geweest. Zijn vader praatte niet graag over die tijd.
Minstens een keer per jaar wilde Beren terug gaan naar de andere oever om die tocht te herdenken, ook al kwam hij oorspronkelijk niet uit het gebied waar ze nu heen gingen. Het ging er om dat ze naar de andere kant van de rivier gingen. Beren vond dat zijn familie een keer per jaar voedsel moest eten dat hij op de andere oever had gevangen, zodat ze de band met hun voorouders niet zouden verliezen. En dit jaar mochten Harald en Timmen voor de eerste keer mee. In de middag zouden ze de Rijn bereiken en die oversteken per kano. Daarna zouden ze overnachten op de andere oever, waarbij Beren de goden van zijn familie aan zou roepen en hen zou vragen om hem niet te vergeten in zijn nieuwe land. De volgende dag zouden ze er samen op uit trekken om te jagen en als het een goede jacht was, zou Beren weten dat zijn goeden hem en zijn familie weer een jaar zouden beschermen.

“Is dit de Rijn?” vroeg Timmen, toen ze kort na hun middagmaal bij een rivier kwamen. Bren keek zijn jongere broer met een grijns aan.
“De Rijn is nog breder dan deze rivier,” zei hij. “Dit is maar een zijrivier van de Rijn. Als ik wil, zou ik een speer naar de overkant kunnen gooien.”
“Je hebt de grote rivier toch wel eerder gezien, Timmen?” vroeg Harald. “We vieren het feest van de zonnewende elk jaar bij de Hunerberg, vlak bij de plek waar de Rijn zich afsplitst en naar het noorden afbuigt. Dat is dezelfde rivier waar we nu naar op weg zijn. Hij loopt helemaal langs de noordgrens van ons land en wordt steeds breder, tot hij uiteindelijk in de zee uitkomt.”
“Ik dacht dat de Rijn juist steeds kleiner werd naarmate hij verder stroomt,” zei Timmen.
“Het water staat deze zomer niet hoog,” zei Beren, terwijl hij de rivier in stapte en het paard achter zich aan leidde. “Kom, ik wil wel eens zien wie van jullie als eerste aan de overkant is.”
De drie jongens renden snel achter hun vader aan het water in. Ze wilden geen van allen als laatste aan de overkant komen. Ze wilden alle drie laten zien hoe sterk ze waren en hoe goed ze konden zwemmen.
De kinderen van hun volk leerden allemaal al op jonge leeftijd zwemmen. Dat moest ook wel als ze wilden overleven in het waterrijke gebied waarin ze opgroeiden. Hun vader had hen verteld dat ze tot het volk van de Bataven behoorden en dat iedereen al vroeg moest leren hoe ze moesten zwemmen en varen. Het gebied van de Bataven werd aan alle kanten omgeven door rivieren, waarvan de Rijn in het Noorden en Oosten de grootste was. Alle leden van hun stam konden zwemmen. De krijgers van de stam stonden er zelfs om bekend dat ze met hun paarden en hun volledige wapenuitrusting rivieren over konden steken, zonder gebruik te maken van bruggen of boten. Voor Harald was het logisch dat ze dat konden, want hij had het al vaak gezien bij de mannen van hun stam. Het kwam nauwelijks bij Harald op dat er ook volwassen mannen waren die niet eens konden zwemmen.
Het water was niet koud toen Harald er als eerste in sprong. Het voelde verfrissend om het zweet van de lange tocht van die ochtend van zich af te wassen. Hij zwom voorbij zijn vader, die naast het paard met de bepakking zwom. Beren hield zijn wapens in een hand boven zijn hoofd en bewoog zich met zijn andere hand langzaam vooruit. Niet lang daarna werd Harald al ingehaald door Bren, zoals hij al verwacht had. Bren was twee jaar ouder dan Harald en veel sterker. Harald wist dat de wedstrijd vooral tussen hem en zijn jongere broer Timmen ging. Harald wilde niet van hem verliezen. Als Harald langzamer was dan zijn broertje zou Timmen hem daar de rest van de tocht aan blijven herinneren. Harald stampte zo hard als hij kon met zijn voeten, maar hij voelde dat Timmen vlak achter hem zat. Voor hem zag hij Bren al weer uit het water klimmen op de andere oever. Vanuit zijn ooghoeken zag Harald dat Timmen naast hem kwam zwemmen, maar hij voelde ook weer vaste grond onder zijn voeten. Harald sprong overeind en rende door de koele modder naar de overkant. Timmen zat vlak achter hem, maar Harald tikte als eerste zijn broer Bren aan. Hij keek hijgend achter zich, waar Beren ook uit de rivier kwam lopen. Beren keek tevreden naar Harald, terwijl hij zijn hemd en zijn broek uittrok en droog wrong. De jongens volgden zijn voorbeeld en daarna trokken ze in hun klamme kleren weer verder.

Tegen het eind van de middag kwam de groep bij de boerderij van Wardolf, die met zijn zoon Wilfrid en dochter Hilde vlak bij de Rijn woonde. De vrouw van Wardolf was enkele jaren geleden overleden en nu woonde hij alleen met zijn kinderen in de boerderij, die er nogal rommelig uitzag. Het model van de boerderij was hetzelfde als de boerderij van Beren, maar hij was minder goed onderhouden. Het gedeelte van de boerderij waar Beren zijn koeien had staan, stond leeg bij Wardolf en zelfs vanaf de buitenkant kon je zien dat het dak lek was.
Wardolf en zijn kinderen leefden vooral van de visvangst en de jacht op de grote rivier. Af en toe handelden ze voedsel met andere boerderijen en nederzettingen langs de Rijn, maar het meeste van hun levensonderhoud haalden ze rechtstreeks uit de rivier zelf. De vader van Harald was een belangrijke man binnen de stam en Wardolf deed zijn best om hem zo gastvrij mogelijk te ontvangen. Wardolf bood hem brood en bier aan en verontschuldigde zich dat hij geen vlees had om aan te bieden. Hij stelde voor om een van zijn kippen te slachten, maar dat was voor Beren niet nodig.
“We blijven niet lang,” zei hij tegen Wardolf toen ze in zijn boerderij aan tafel zaten. “Ik wil vandaag nog de Rijn oversteken en aan de overkant de nacht doorbrengen. Als het kan, zou ik graag jouw kano willen gebruiken. We gaan morgen jagen en dan zullen we hem daarna terugbrengen als de jacht succesvol is geweest.”
“Natuurlijk,” zei Wardolf. “Mijn kano ligt klaar bij de rivier. En hoe gaat het met uw vrouw en uw familie? Ik zie dat uw zonen al sterke mannen worden.”
Harald gloeide van trots bij die woorden, maar dat kon ook door zijn beker met bier komen. Het bier van Wardolf was sterker dan de mede die hij gewend was om thuis te drinken. Beren en Wardolf waren goede vrienden van elkaar en Harald had Wardolf al vaker gezien als hij bij hen langs kwam om Beren te bezoeken. Dit was de eerste keer dat Harald bij zijn hoeve was en hij vond het hier erg stil vergeleken met hun eigen boerderij. Er waren minder dieren en afgezien van de kinderen en Wardolf zelf waren er geen andere mensen die hier woonden. Op de boerderij van Beren werkten in de oogstperiode soms wel vijftien mensen, die allemaal hun eigen slaapplek nodig hadden. Beren en zijn familie woonden in het grote woonhuis, waarvan ze de helft deelden met hun vijf koeien en twee paarden. De slaven en de knechten die in de zomer mee kwamen helpen met de oogst hadden hun eigen onderkomens op het erf van Beren. Wardolf had alleen de grote boerderij op zijn erf staan, die maar voor de helft werd gebruikt. Harald vroeg zich af hoe het was om de winter door te moeten brengen in dit troosteloze huis. Tijdens het eten wisselden Beren en Wardolf nieuws uit over de ontwikkelingen in hun omgeving. Timmen, Wilfrid en Bren mengden zich ook in het gesprek, maar Harald luisterde vooral. Hij begreep niet veel van waar de twee mannen het over hadden. Hilde zei ook niet veel en keek vooral aandachtig naar Bren. Wardolf vroeg of Beren de nieuwe Romeinse gouverneur al had ontmoet.
“Hoe heet hij ook alweer?” vroeg hij zich hardop af. “Ene Lollius was het, of zoiets.”
Beren knikte.
“Marcus Lollius,” zei hij. “Nee, ik heb hem nog niet ontmoet, maar Tarik is wel bij hem geweest na zijn installatie. Volgens hem was er weinig bijzonders aan deze gouverneur. De Romeinen besteden weinig aandacht aan ons zolang we ons aan onze afspraken houden.”
Harald staarde naar de kleine zilveren munt die Beren aan een leren koord om zijn nek droeg. De munt was, na zijn wapens, een van de waardevolste bezittingen van Beren en hij droeg hem altijd met trots om zijn nek. Niemand anders dan hijzelf mocht er aankomen. Tarik, de leider van hun volk, had die munt een paar jaar geleden aan de vader van Harald geschonken voor zijn hulp bij een bepaalde strijd. Op de zilveren munt was het gezicht van een man zichtbaar met daarboven vreemde tekens die Harald niet kon lezen.
“Is dat de leider van de Romeinen?” vroeg Harald, terwijl hij naar de munt van Beren wees.
“Nee,” zei Beren, die de munt in zijn hand nam en hem omhoog hield. “Tarik vertelde mij dat hier M. V. AGRIPPA staat. Dat is de naam van de vorige Romeinse gouverneur. De leider van de Romeinen staat wel op de achterkant.”
Beren draaide de munt om en daar was heel vaag een figuur van een man op een troon te zien. Een andere man boog voor de man op de troon en bood hem iets aan, maar door slijtage van de munt was het niet meer te zien wat hij in zijn handen had.
“Dit is Agrippa weer,” zei Beren, terwijl hij op de kleine figuur voor de troon wees. “Of dat vertelde Tarik in ieder geval. Ik weet niet of dat echt zo is of dat hij het maar heeft verzonnen. En deze voorstelling moet uitbeelden dat Agrippa Gallia als nieuwe provincie heeft ingericht voor Caesar, die de Romeinen nu Augustus noemen. Agrippa heeft wegen aangelegd en steden gesticht in Gallia, zodat het niet meer zo barbaars is als het tijdens de verovering en de onderlinge oorlogen tussen de Romeinen was. Augustus is de man die op de troon zit.”
“Is deze Caesar echt de zoon van Julius Caesar?” vroeg Wilfrid. Harald zag dat het gezicht van zijn vader vertrok toen hij die vraag hoorde. Zijn hoofd werd rood, terwijl hij strak voor zich uit staarde. Wardolf gaf zijn zoon een harde klap tegen zijn achterhoofd.
“Over die Caesar wordt hier niet gesproken,” zei hij bits en nam een hap van zijn brood.
Even voelde Harald een duidelijke spanning in de kamer hangen, terwijl Beren en Wardolf allebei zwegen. Harald kende al die namen niet. Augustus, Agrippa, Lollius, het zei hem allemaal niks. Maar de naam Caesar kende hij wel. Hij wist dat Julius Caesar vele jaren geleden Gallia had veroverd voor de Romeinen. Dat was nog ver voor de geboorte van Harald geweest. Caesar was de eerste Romein geweest die op een stuk papier een lijn had getrokken langs de Rijn en had verklaard dat het hele gebied tot aan de Rijn nu bij Rome hoorde. Bren had ooit aan Harald verteld dat deze Caesar zelfs een brug over de grote rivier had laten bouwen, maar daar geloofde Harald niks van. De Rijn was te breed en de stroming was te sterk om daar een brug over te bouwen.
“Kom je de Romeinen vaak tegen op de rivier, Wardolf?” vroeg Bren uiteindelijk om de spanning te breken.
“Niet zo vaak,” zei Wardolf. “Af en toe komt er een patrouilleschip voorbij of ik kom een aantal bevoorradingsschepen tegen die op weg zijn naar de Hunerberg, maar verder blijven ze vaak in hun kamp zitten, vooral in de winter. En soms trekken ze er met een groep van duizenden mannen tegelijk op uit. Dan voeren ze waarschijnlijk verkenningen uit, of ze bouwen ergens in het binnenland aan de wegen die de Romeinen overal aanleggen.”
“Laat je dolk zien, pap,” zei de zoon van Wardolf, terwijl hij aan zijn ellenboog trok.
“Oh ja, dat is waar ook,” zei Wardolf, die opstond en een bundel uit een kist haalde. Hij sloeg de doeken van de bundel opzij en liet een kleine dolk in een leren schede zien.
“Afgelopen winter kwam ik een groepje tegen, midden in de moerassen in het Westen. Het waren allemaal nog echte broekies die hopeloos verdwaald waren tussen de verschillende kreken. Volgens mij had hun commandant ook nog nooit eerder gevaren, want hun boot was veel te groot voor het ondiepe water waarin ze terecht waren gekomen.”
“Domme Romeinen,” zei Timmen. “Ze kunnen alleen op het land goed vechten. Maar zodra ze op het water komen, gedragen ze zich als een stel kinderen.”
“Jij bent ook nog een kind, Timmen,” zei Beren. “En zolang jij nog geen boot hebt bestuurd of hebt gevochten, kun je ook niks zeggen over de Romeinen. Het is makkelijker dan je denkt om verdwaald te raken op het water. Zelfs voor mensen die de rivier goed kennen.”
“Dat klopt,” zei Wardolf. “Je moet nooit vergeten dat de rivier een eigen wil heeft en altijd in beweging is. Zelfs ik kom soms nog onbekende stukken tegen en ik vaar al jaren op de kronkelende stroom. Maar goed, die soldaten waren zo blij dat ik hen weer op weg kon helpen dat hun commandant zijn dolk wel wilde ruilen voor een paar ganzen die ik die ochtend had gevangen.”
Beren haalde de dolk uit de schede en bekeek hem aandachtig.
“Dit is een mooi wapen,” zei hij, terwijl hij de dolk omdraaide in zijn hand. Hij gaf het wapen door aan Bren. “Die soldaten moeten wel erg wanhopig zijn geweest.”
“Of ze hadden gewoon heel veel zin in die ganzen,” zei Wardolf. Bren wilde de dolk teruggeven aan Wardolf, maar Timmen stak zijn hand uit om aan te geven dat hij het ook vast wilde houden. Beren nam een laatste slok uit zijn beker en zette hem met een harde klap op tafel.
“We moeten weer verder gaan,” zei hij tegen zijn zonen. “Ik wil voor het avondeten aan de overkant zijn.”
Harald dronk snel zijn eigen beker leeg, terwijl Timmen de dolk terug gaf aan Wardolf. Wardolf pakte het wapen zorgvuldig in en borg het weer op in de kist.
Wardolf vertelde waar ze zijn kano konden vinden, waarna ze afscheid namen van hem en zijn kinderen. Beren beloofde dat hij op de terugweg weer langs zou komen. De twee mannen omhelsden elkaar en Beren leidde zijn zonen weer verder.

Niet veel later kwamen ze aan bij de rivier. De Rijn was inderdaad veel breder dan de rivier die ze die middag hadden overgestoken, maar ook hier stond het water lager dan gebruikelijk in deze tijd van het jaar. De goden hadden voor een droge zomer gezorgd. Beren vond de kano op de plek die Wardolf aan hem had omschreven. Hij bestond uit een uitgeholde boomstam die ongeveer twee keer zo lang was als Harald zelf. De kano kon zowel door een als twee personen worden gebruikt. Samen met Timmen controleerde Beren de kleine boot, terwijl Harald en Bren de bepakking van het paard los knoopten. Harald merkte dat het paard onrustig stond te trappelen.
‘Zou hij voelen dat hij zo meteen de Rijn over moet zwemmen?’ vroeg Harald zich af. Hij klopte het dier zachtjes op zijn hals. Het oversteken van de rivier was een zware inspanning, maar Harald wist dat het dier goed kon zwemmen. Hij was al vaker met Bren en Beren re Rijn overgestoken. Het paard begon nog onrustiger te worden en snoof ongeduldig, terwijl hij met zijn hoofd heen en weer bewoog.
“Wat is er?” vroeg Harald, terwijl hij het paard in de ogen keek. Het leek alsof hij ergens van geschrokken was.
En net op dat moment hoorde Harald een ander paard hinniken. Het kwam van ver, vanaf de overkant van de rivier. Harald draaide zich snel om en hoorde meer paarden hinniken, gevolgd door woeste kreten van mannen. Een groep eenden stoof snel weg vanuit het riet aan de andere oever en vloog snaterend over hen heen. Beren en Timmen staarden ook gespannen naar de overkant van het water. Het klonk alsof het een grote groep was, die door de bossen aan de overkant trok.
“Kijk daar,” zei Timmen, terwijl hij naar rechts wees. Hij wees naar een andere plek dan waar het geluid vandaan kwam. Aan de rechterkant ging de brede rivier een bocht om en daar zag Harald een groot aantal boten en vlotten tevoorschijn komen. Het waren tientallen kleine boten die volgepakt zaten met bewapende mannen. Tussen de boten door zag Harald nog meer mannen en paarden zwemmen.
Instinctief doken Beren en zijn zonen ineen bij het zien van zo’n grote groep die de rivier overstak. Harald leidde het paard snel richting de struiken voordat de mannen in de boten hen op zouden merken.
Het paard was net op tijd uit zicht. Recht tegenover hen verscheen nu een andere groep mannen aan de oever van het water. Het was een grote groep ruiters die allemaal bewapend waren met speren en schilden. Aan het hoofd van de groep reed een grote man die duidelijk de aanvoerder was. Hij had een versierde ijzeren helm op zijn hoofd en zwaaide met een groot zwaard door de lucht. De aanvoerder spoorde zijn mannen aan om het water in te gaan en meteen stormde de hele troep de rivier in. Harald zag een eindeloze rij mannen het bos uit komen en het water in rijden. Op de plaatsen waar het water te diep werd om nog te kunnen rijden sprongen de ruiters van hun paard af, waarna mens en dier samen naar de overkant zwommen.
“Wie zijn dat?” fluisterde Timmen tegen Beren, terwijl er steeds meer mannen uit het bos tevoorschijn kwamen.
“Dit is meer dan een stam,” zei Bren.
Harald had nog nooit zoveel krijgers bij elkaar gezien, zelfs niet als de verschillende families in de zomer bij elkaar kwamen voor een feest. De groep tegenover hen bestond al uit meer dan honderd ruiters en de groep die verderop de rivier overstak leek nog groter te zijn.
“Kijk daar, nog meer,” zei Timmen, die naar links wees. Ook aan de linkerkant van hen zag Harald een groot aantal boten de rivier oversteken. Over het water hoorden ze de ritmische kreten van de roeiers komen die allemaal hun best deden om als eerste de overkant te bereiken.
“Die ruiters dragen de kleuren en de uitrusting van de Sueben,” gromde Beren, terwijl hij naar de groep voor hen wees. De voorste zwemmers waren al bijna halverwege de rivier. “Die andere groepen ken ik niet, maar dit is een zeer grote groep.”
“Wat moeten we doen?” vroeg Harald. “Straks zien ze ons.”
Harald wilde weg van deze plek, maar hij wilde niet aan zijn vader of zijn broers laten merken dat hij bang was.
“Oh nee,” fluisterde Beren geschrokken, toen hij een nieuwe ruiter uit het bos tevoorschijn zag komen. Harald zag meteen waar zijn vader van was geschrokken. Deze ruiter zag er uit als de aanvoerder van een andere groep ruiters, die weer andere kleuren droegen dan de groep die als eerste de rivier overstak. In zijn rechterhand hield de man een lange speer en daar had hij een afgehakt hoofd op gespiesd. De ruiter zwaaide er triomfantelijk mee rond voor zijn mannen als een trofee. Aan de Romeinse helm die nog steeds om het hoofd van de man zat gebonden was duidelijk te zien dat dit hoofd van een centurion was geweest. De rode pluim op de helm wapperde heen en weer, terwijl de hoofdman de trofee aan de andere groepen ruiters toonde.
“Dit is niet goed,” fluisterde Beren. “Kom mee.”
Hij kroop achteruit en leidde het paard met zich mee. De vier liepen zo stil mogelijk weg van het water, waar ze nog steeds de woeste kreten en het spattende water van de grote groepen ruiters hoorden. Toen ze een eindje van de rivier af waren gerend en ze minder lawaai hoorden, haalde Beren snel zijn bepakking van het paard. De proviand verstopte hij onder een struik, maar hij slingerde zijn schild om zijn rug en nam zijn speer in de hand.
“Bren, jij moet vooruit gaan,” zei hij tegen zijn oudste zoon. Hij gaf hem de teugels van het paard. “Als we geluk hebben, trekt deze groep recht naar het zuiden en komen ze niet langs onze boerderij. Maar het is hier sowieso niet veilig. Rij eerst naar Wardolf en waarschuw hem. Zijn hoeve ligt recht in het pad van deze troep.”
Bren klom snel op het paard, dat nu nog onrustiger was dan net.
‘Hij voelt onze angst,’ dacht Harald en hij probeerde om wat minder angst uit te stralen.
“Wacht niet op Wardolf, maar rij meteen door naar huis,” zei Beren. “Als de goden het willen, ben je daar nog voor het donker. Laat Reine en Banna het vee meenemen naar het Westen en stuur Trig en Malo mee om ze te beschermen. Rij dan rechtstreeks door naar Tarik om hem te waarschuwen.”
“Ik zal ze waarschuwen,” zei Bren. “En wat doet u dan?”
Beren keek in de richting van de rivier, die nu verscholen lag achter een paar struiken.
“Ik kom zo snel mogelijk achter je aan,” zei hij. “Met een beetje geluk hebben ze teveel haast om ons op te merken. Als zo’n grote groep krijgers de Rijn oversteekt, willen ze waarschijnlijk doortrekken richting het binnenland. Dit is niet zomaar een kleine overval. Ga nu. En geef het bericht door als je onderweg Romeinen tegenkomt.”
Daarop sloeg Beren tegen het achterwerk van het paard. Bren spoorde het dier aan en even later was hij al verdwenen tussen de bomen.
“Kom mee,” zei Beren tegen Harald en Timmen, waarna hij begon te rennen. Harald en Timmen renden zo snel als ze konden achter hem aan. Harald was erg geschrokken van het plotselinge verschijnen van de grote groep krijgers die de Rijn overstak naar hun land. Hij vroeg zich af wat de ruiters zouden doen als ze hen zouden vinden. Zou hun hoofdman zijn hoofd ook op een speer plaatsen en daarmee rond gaan rijden? Of zou hij het hoofd van Beren afhakken?
Harald voelde tranen opkomen in zijn ogen bij die gedachte, maar hij slikte het snel weg. Hij was al bijna een man. Hij zou niet huilen. In ieder geval niet waar Timmen en zijn vader bij waren.
“Dit is een fout,” mompelde Beren tegen zichzelf, terwijl ze zo snel mogelijk verder liepen. “Een vreselijke fout. Die dwazen weten niet waar ze aan beginnen.”
“Denk je dat Tarik ze gaat straffen?” vroeg Timmen. “Is het daarom een fout om de Rijn over te steken? Ik kan ook vechten als ze ons huis bedreigen.”
Beren snoof.
“Het is niet Tarik waar ik me zorgen over zou maken als ik hen was,” zei hij. “Je zag wat die ruiter op zijn speer had. Met deze inval zullen ze de woede van de Romeinen op hun hals halen en dat is ongelofelijk dom. Misschien winnen ze vandaag even van de Romeinen, omdat die de aanval niet verwachten. Het zag er uit als een grote verzameling krijgers en er zijn op dit moment weinig soldaten in ons gebied.”
Beren bleef even stil staan om te luisteren en rende weer verder.
“Ze winnen misschien vandaag van de Romeinen of voor een paar weken, maar de Romeinen zullen terugkomen. Ver weg, op zijn troon in Rome, zal Augustus van deze inval horen en hij zal zijn blik naar het Noorden richten; naar het land aan de overkant van de Rijn. En hij zal deze aanval niet vergeten en niet vergeven.”
Beren bleef weer even staan. Ze hoorden op deze plek geen geluid meer vanaf de rivier komen. Daarvoor waren ze al te ver weg.
“De reactie zal misschien op zich laten wachten, maar ik weet zeker dat hij zal komen. Misschien over een jaar; of over vijf jaar. Maar hij zal komen. Deze mannen ontketenen vandaag zonder dat ze het door hebben een storm die zal beginnen in Rome en langzaam aan zal zwellen als hij naar het Noorden trekt.”
“Hoe weet je dat de Romeinen hen zullen straffen?” vroeg Timmen. “Misschien verslaan ze de Romeinen wel.”
“Of misschien hoeven de Romeinen geen wraak te nemen,” zei Harald. “Misschien worden ze niet gestraft als ze zich terugtrekken aan de overkant van de Rijn.”
“De Romeinen nemen altijd wraak,” zei Beren, terwijl hij verbeten doorstapte met zijn speer in zijn hand. “En die wraak zal verschrikkelijk zijn. Dat heeft Julius Caesar ons geleerd.”


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens