zaterdag 21 juli 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Rik van Schaik - Archief Etoile
Gepubliceerd op: 02-06-2004 Aantal woorden: 9580
Laatste wijziging: - Aantal views: 1550
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Archief Etoile

Rik van Schaik


Archief Etoile

I. Uit talloos veel miljoenen
W.F.H., Sadistisch universum – Heden

Kijk met mij mee omlaag, langs de brandwegen en de vuurballen, voorbij de schimmendraden en de gaten vol duisternis. Daar, ver weg in die ene sterfelijke uithoek van ons universum, ritselen en bladeren ze weer door mijn romans, brieven, dagboeken en foto´s. Kijk ze toch eens graaien! Schandelijk grabbelen ze door alle stoffige materie die mijn afzondering ontmantelen. Ik had al mijn documenten jaren geleden in het vuur moeten werpen! Nu trachten die aardse zielen, die zich mijn ´volgelingen´ durven te noemen, mijn pantser af te breken.
Natuurlijk heb ik het aan mijzelf te wijten. Ik heb veel te veel situaties, figuren en stellingen zwart op wit gezet. Heb ook altijd het vermoeden gehad dat men, zodra ik mijn hakken gekeerd had, op zoek zou gaan. Nu is het dus zover. Er is sowieso erg weinig veranderd voor mij. Bijna niks eigenlijk. Het zalige hiernamaals is inderdaad een hersenspinsel van de stervelingen. Het is, zoals ik het in mijn aardse leven reeds beschreven heb, een sadistisch universum gebleken. Al wat mij op Moeder Aarde lastig viel hangt hier nog steeds als een stroperige substantie om mijn schouders. Als kwik laat het zich soms tot mijn knieholten zakken en verlicht het mij om zich vervolgens weer onverwachts op te trekken en me in te kleden. U zult begrijpen dat ik het regelmatig zeer benauwd heb. En nu dit weer! Waarom moet men mijn ware identiteit kennen? Waarom kan men geen genoegen nemen met mijn verhalen? Bij iedere bladzijde die ze met een vochtige vinger omslaat kromt mijn slappe wezen van een venijnige pijn. Eva Osewoudt kruipt onder mijn huid en doolt als een blind spook in de krochten van mijn ziel. Nu heeft ze, tot overmaat van ramp, Madelon gevonden! Haar naam dobberde rond in mijn papieren. Vanaf het moment dat ze, in uw meetbare tijd een paar weken terug, haar naam in één van mijn talloze brieven gevonden had is ze gaan trekken, gaan spitten… Natuurlijk was ik bang. Als ik me niet in deze atmosfeer had bevonden zou ik zeggen dat ik doodsbang was. Ze mochten het niet vinden. Ze mochten niets vermoeden, geen geur ruiken, geen rook zien… Maar gelukkig realiseerde ik me ook dat dit een kans was, een zeldzame mogelijkheid om alsnog mijn geschriften en geschiedenis in vlammen op te laten gaan. Misschien dat dit hele omringende universum en de bezigheden die ik hier heb anders geweest waren wanneer ik tijdens mijn aardse leven niet de ijdelheid van een schrijver had gehad. Wanneer ik het zwart niet op het wit had gezet was er immers ook geen band geweest. Had ik de levenden los kunnen laten, waren nieuwe drukken en studies achterwege gebleven… Maar goed, wellicht beleef ik uiteindelijk die vrede wanneer ik nu mijn kans grijp. Na zoveel tijd en ontelbare lichtjaren verder zal ik haar eindelijk opnieuw bezoeken… Madelon… Zie haar liggen. Oud geworden, eenzaam geraakt… Alleen in bed, met een lampje en een rode alarmknop op haar nachtkastje. Een glimmende nachtspiegel onder een stoel waarop haar steunkousen en waartegen haar wandelstok geduldig wachten tot ze haar dienstbaar de dag door mogen brengen. Ik zal beginnen. Als ik mij diep voorover buig en langgerekte woorden fluister dan breng ik haar een herinnering. Langzaam zal haar onderbewuste zich vullen met de kleuren van de avondlucht van toen, de geluiden van het brekend glas en de woorden van verlies. Vreemd dat al het eigen van de mens op aarde ouder en gebrekkiger wordt. Alleen de herinneringen zingen zuiver en vers door de weke, verkleurde, hersenmassa´s onder het broze bot van het schedeldak. God zij dank, zou ik willen zeggen. Ik grijp mijn kans!

II. Een eer en een genoegen
Madelon, Bloemendaal/Parijs - juni 2004

… Het duistere hemellichaam heeft alleen aan de onderkant, daar waar het de horizon bijna aan kan raken, een rossige streep van de wegzakkende dag. In tegenstelling tot deze helderheid kruipen mistflarden uit het weiland het wegdek op. Het is alsof ik hier, langs de kant van de weg, een voorstelling oproep waar ik niet werkelijk bij ben. Blijkbaar heb ik een onbestemde drang om me ergens een voorstelling van te maken… Het meisje aan de overkant van de weg loopt met afgemeten passen daadkrachtig in de richting van het dorp. De wind grijpt haar jaspanden, jaagt haar vlechten uit haar hals en doet haar de ogen sluiten. Wat doet dit jonge meisje zo laat op straat, op een verlaten weg richting een dorp enkele kilometers verder? Ze heeft een koffertje dat ze met twee handen stevig tegen haar buik draagt. Het is fascinerend om over haar eenzaamheid na te denken. Wat was deze avond haar vertrekpunt? Roepen is zinloos, ik ben hier niet echt… Daarom denk ik ook dat het brommende geluid dat ik hoor zich in mijn lijfelijke omgeving moet manifesteren. Maar nee, daar zijn de koplampen… In de verte, net voor de bocht duiken ze op als twee monsterachtige ogen. Het brommen wordt een brullen, de ogen draaien rond in de kassen, alsof het dier gedronken heeft. Wanneer de auto dichterbij gekomen is zie ik dat het hele lijf wankelt, alsof het een klap heeft opgevangen die het maar moeilijk te boven kan komen. De snuit wiebelt laag over het wegdek… Ineens kiest het gevaarte een andere koers, schuin naar de overkant, in één rechte lijn… Het beest gromt harder en laat zijn tanden zien. Met een klap springen de haren opnieuw uit het meisje haar nek, opgetild door het rooster aan het front en opgewipt door het donkere blik, tolt ze vervolgens door de duisternis. De auto schreeuwt zichzelf in de berm tot stilstand. Als een kussen valt het slap geworden meisje met een zucht op de stenen… In een tegennatuurlijke omhelzing grijpen haar armen als spaken haar schouders. Het koffertje ligt vlak achter de auto… Ze stappen uit, zwaar ademend kijken twee mannen om zich heen. De stilte is dood. Alleen een paard onderbreekt hinnikend de huiveringwekkende kalmte. De schoenzolen krassen over het wegdek, de hoofden keren en hun angstige blikken gaan alle kanten uit. Hun zangerige, paniekerige, overleg kent woorden als ´Jezus, oh Jezus… Nee…´, ´De lijsten, denk aan de lijsten…´ Hun stemmen versterven in de kouder wordende avondlucht. En ja, er gebeurt wat ik nu als een dejavu herken. Als twee kraaien grijpen de mannen het meisje bij de enkels en de polsen. Als een laken dat van de waslijn genomen wordt verslepen ze het kind door de nacht. Het riet buigt, het gras ritselt. Dan is alles weer doodstil. Het meisje is in het struikgewas geworpen, de mannen lopen snel terug naar hun auto. De portieren vallen dicht, de lichtbundels slaan zich weer de weg op. Het gromt en vertrekt…

Het dichtslaan van de voordeur maakt mij wakker. Henriëtte komt binnen om mijn haar te wassen. Het was mijn bedoeling om met de thee voor mijn balkondeuren klaar te zitten wanneer zij kwam. Ik was ook wel eerder wakker geweest maar de droom van de afgelopen nacht hield mij, samen met de stramheid van mijn benen, onder de lakens. Ik was verward over hetgeen ik gezien en gehoord had. Het meest verbaasde mij nog de angst die me overviel toen ik de beelden van die nacht als zand door mijn vingers los moest laten. Mijn herinnering liet me in de steek en ik moest afscheid nemen van iets dat me gewaarschuwd had, me bang gemaakt had, me opnieuw vermoeid had. Ik was weer in slaap gevallen. Misschien ook in de hoop op een nieuwe toenadering vanuit dat duistere onderbewuste. Ik hoor Henriëtte door de flat lopen, naar het aanrecht, een ketel met water vullen… Even later klopt ze zachtjes op mijn deur en steekt haar hoofd om de hoek.
´Goedemorgen moeder. Voelt u zich wel goed?´
´Jawel lieverd, ik kom eruit. Wil je mijn stok even aangeven?´ Henriëtte haalt hem bij de stoel en komt aan mijn bed staan. Ze legt haar hand op mijn voorhoofd. Ze blijft een wantrouwende verpleegster.
´Maakt u zich ergens zorgen om?´
`Nee schat. Voel me een beetje moe. Meer niet´. Kreunend duw ik me met mijn ellebogen omhoog. Mild glimlachend stopt mijn dochter met me zorgelijk aan te kijken en loopt naar de keuken. Ik ben er erg op gesteld om het kraken van mijn botten en het zuchtend opwerken van mijn lijf voor mezelf te houden. Traag, met schokkende bewegingen, werk ik me ongemakkelijk in mijn kamerjas – het lijkt of de mouwen steeds korter en nauwer worden. Mijn krom gegroeide armen wieken zich moeizaam naar binnen. Terwijl ik me met mijn wandelstok naar de gang sleep verlies ik, voor een kort moment, het dreigende gevoel dat me de afgelopen nacht vergiftigd heeft. Door de balkondeuren valt het zonlicht de kamer binnen. Daarachter deinen de toppen van de bomen uit het park zachtjes in een voorjaarsbries. Langzaam zak ik in mijn stoel en laat me, net als iedere ochtend, betoveren door de kleuren die het park als een tapijt voor mijn voeten werpt. Een dampende pot thee staat naast me op het bijzettafeltje. Daarnaast ligt de post. Een bankafschrift en een brief. Henriëtte haar vingers spelen even met mijn haar, dan schenkt ze thee in en komt naast me zitten. Normaal gesproken zijn deze stille momenten met mijn dochter voor het raam één van de kostbaarste van de week. Maar nu, met het zien van het keurige handschrift in blauwe inkt, brengt iets me terug naar dat onbestemde gevoel van vlak na mijn ontwaken. Mijn blik blijft hangen op mijn sierlijk geschreven naam op een strakke, grijze lijn. Ik pak de enveloppe en steek de top van pink onder het papier.

Geachte mevrouw Rotteveel,

Mijn naam is Eva Osewoudt. Ik doceer Nederlands aan de universiteit van Utrecht en ben tevens voorzitter van het Willem Frederik Hermans genootschap.
Sinds dit voorjaar zijn wij als genootschap in het bezit gekomen van het volledige archief van de in 1995 overleden schrijver. Tot mijn genoegen heb ik nu de mogelijkheid om een heldere biografie van mijn favoriete schrijver samen te stellen.
Veel van de bezigheden van WFH in het verzet en de herkomst van bepaalde personages en gebeurtenissen uit diens oorlogsromans (´De tranen der Acacia´s´, ´De donkere kamer van Damocles´, ´Herinneringen aan een Engelbewaarder´ en ´In de mist van het schimmenrijk´) roepen al jarenlang vele vragen op. Ook de zelfmoord van Hermans zijn zusje aan het begin van de Tweede Wereldoorlog vormt in mijn verbeelding een groot mysterie. Zij pleegde zelfmoord met haar minnaar, een vijfentwintig jaar oudere neef en vader van twee kinderen. Het is opmerkelijk dat de heer Hermans over deze traumatische gebeurtenis, en zijn rol binnen het verzet in het bijzonder, nauwelijks iets heeft los gelaten. Wat voor (ethische) afspraken t.o. van zichzelf en/of met anderen liggen hieraan ten grondslag? De oorlog loopt als een rode draad door het oeuvre van Hermans. Tevens heeft hij er veel werk van gemaakt om de daadwerkelijke identiteit van de voormalige oorlogsheld Weinreb te onthullen. In dit laatste was hij zeer succesvol. Waarom zweeg WFH dan zo stellig over zijn eigen rol?
Met die vraag in mijn achterhoofd dook ik in het aan ons nagelaten archief. Daar trof ik in aantekeningen, in brieven en op bandopnamen regelmatig uw naam. Het is aan de secure volgorde van Hermans zijn dossiers te danken dat ik uw naam kon koppelen aan diverse foto´s die eveneens in het archief opdoken. Ik mag uw naam een heuse ontdekking noemen daar u in het verleden nog nooit eerder bent opgedoken in het leven en werk van Hermans.
Graag wil ik u de kans geven uw rol in het leven van W.F. Hermans toe te lichten. U zult niet alleen uzelf maar ook ons en de algehele nalatenschap van de schrijver een grote dienst bewijzen door uit te leggen welke rol u in het leven (en gezien uw naam wellicht ook binnen zijn oeuvre) van Hermans heeft gespeeld. Zonder uw informatie zullen wij onvolledig zijn in onze berichten over het archief. Wij zouden u daarmee wellicht groot onrecht doen.
Graag nodig ik u uit om op onze kosten een bezoek te komen brengen aan ons archief in Parijs. Wij hebben het archief overgebracht naar ons toekomstige kantoor dat over een jaar, wanneer wij het archief letterlijk en figuurlijk hebben kunnen behandelen, tevens de rol van museum zal hebben. Wij bevinden ons in het, wegens verbouwing tijdelijk gesloten, metrostation Etoile. Aldaar zal ons door de gemeente Parijs een grote ruimte worden toegewezen om de eeuwigheidswaarde van Willem Frederik Hermans verder gestalte te kunnen geven.
Zou het u uitkomen om het weekend van 5 en 6 juni aanstaande ons te vergezellen in Parijs? Het zou mij een eer en een genoegen zijn.

Met Hoogachting,
Drs. Eva Osewoudt.

Een griezelige fluittoon zet zich vast tussen mijn oren en ik druk de brief in mijn schoot. Vanuit de hoek van mijn troebele blik zie ik boven mijn hoofd een schaduw neerkomen. Ik kijk op naar het raam wanneer zich, met een doffe bonk van het lijf en een scherp getik van de pootjes, een forse meeuw zich tegen de balkondeur werpt. Met weggedraaid hoofd op een slappe nek glijdt het dier langs het glas omlaag, de vleugels uiteen, alsof het zich overgeeft aan een hogere macht.
Het is zover. Na zoveel jaren heeft men mij gevonden. Normaal gesproken heb ik het altijd te koud en laat ik me pas rond het middaguur op het balkon zien, maar nu stijgt het bloed me al naar de keel. Het broeit onder mijn haar. Vanuit een ver, zorgvuldig verborgen gehouden verleden, naderen de schimmen. Hoe kon ik al die jaren zo naïef zijn om met weinig vrees voor een eventueel onthullen de anonimiteit te omarmen. De angst voor een schandelijk uitkomen lag verborgen in de verkalkte ader van mijn onderbewuste.

´Parijs? Wat moet je in hemelsnaam in Parijs?´
Met over elkaar geslagen armen kijkt Henriëtte me bestraffend aan terwijl ik zo kalm mogelijk de hoorn terug leg op het telefoontoestel. Ik heb zojuist een trein gereserveerd. Ik moet daar naar toe. Al roept het nog zoveel weestand op, elke zekerheid die ik bij deze mevrouw Osewoudt aangaande hun wetenschap over mij zou kunnen halen is een medicijn voor de misselijkheid die me na het lezen van haar brief overviel. Vandaag nog zal ik een brief naar Osewoudt sturen om mijn komst aan haar te bevestigen.
Ik concentreer me op de blik van Henriëtte en tracht me voor te stellen waarom mijn bezoekje aan Parijs haar zo van streek maakt. In hoeverre is haar achterdocht bedreigend? Welke vermoedens kan zij hebben aangaande de onderwerpen die in de, door haar ongelezen, brief naar voren komen? Waarom lijkt het alsof mijn kind verdriet heeft? Zoals ze daar staat, met een gezicht gemaskerd door teleurstelling en belediging, maakt ze me bang. Alle veiligheid wankelt, mijn dekmantel scheurt. Ondanks mijn schaamte voor een halve waarheid poog ik onaantastbaarheid te acteren en bestaat mijn antwoord uit één woord. Een woord dat ik misbruik.
´Oorlog´. Zeg ik met een strak gezicht. Mijn ogen prikken omdat ik ze open hou.
´De oorlog?´ Henriëtte klinkt schamper.
´Oude vrienden…´ voeg ik toe. Dan schenk ik thee in. We zijn uitgesproken.

De suizende metro´s op Charles de Gaulle-Etoile jagen mij het station uit. Het afzetlint rondom het gedeelte dat Etoile heet tracht ik te negeren. Er is voor mij gereserveerd in Hotel les Deux Acacias en wanneer ik boven de duisternis uit klim en schuin boven mij de Arc de Triomphe zie bekruipt me welhaast een vakantiegevoel. Het zonlicht stemt me mild. Ik hoef hier vanavond pas terug te zijn en besluit me tot die tijd rustig te houden. Zo breekbaar is de realiteit. Voordat de avond valt en mijn hele geschiedenis als een puist dreigt open te spatten ervaar ik de genade van de ontspanning, het vertier in de lichtstad. Ik beleef het echter ook als een afscheid, alsof ik definitief iets kwijt ga raken. Een tegenspraak waar ik het hoofd voor buig.

III. Het archief
Eva, Parijs - juni 2004

Het ziet er indrukwekkend uit, deze bibliotheek vol boeken, hangmappen met knipselkranten, fotoalbums, audiomateriaal en brieven. Hoe het hier ligt… een prachtige compositie! Ik heb het station half verduisterd wat het tot een onbestemd oord maakt. De geluiden van het metroverkeer… Nee, dit is het meest briljante decor wat ik me had mogen wensen. De vier beeldschermen voor me laten een leeg perron zien. Ja, natuurlijk, ik heb wat stoelen neergezet. Een tafeltje met kaarsen en wat flessen wijn. Ik moet het op het juiste moment wel aangenaam kunnen maken. Het portret van Willem hangt er fraai bij. Ik ben benieuwd. Nog vijf minuten… Het is alsof ik voor een definitief, alles beoordelend, examen zit. De onderwerpen zijn me bekend en ik wacht op de lijst met vragen.
Daar! Ssst, daar heb je haar… Hoor de echo van haar korte pasjes, het gesleep met haar wandelstok. Kijk eens naar haar houding, hoe ze daar boven aan het trappetje staat. Zie haar ogen en de hoog opgetrokken wenkbrauwen. Natuurlijk weet ik dat het geen makkelijk gesprek gaat worden maar eerlijk gezegd had ik op iets meer ontzag gerekend. Althans, daar heb ik mijn uiterste best voor gedaan. Langzaam breekt haar superioriteit uit de hoeken van haar gezicht. Voorzichtig stapt ze het trapje af naar het perron. Ja, nu is ze wat eerbiediger. Met kleine pasjes wandelt ze door mijn decor. Vooral de manier waarop ze ´hallo´ roept geeft hoop. De angstige trilling van haar stem echoot rond en ik zie haar schrikken van Willem Frederik Hermans die haar, vanuit de zwarte lijst waarin hij gevangen zit, streng, haast wantrouwend, bekijkt. Toch intimideert het haar geenszins. Ze houdt haar hoofd schuin, kijkt vertederd en strijkt met haar wijsvinger over de wang van de schrijver. Je kan zien dat ze getraind is haar identiteit te verbergen. Ach kijk, ze gunt zich wat ontspanning… Behendig schroeft ze de dop van haar heupflacon en zet hem aan haar lippen. Ze gaat zitten en steekt een sigaretje op. Ze dompelt zich onder in ontspanning. Dit lijkt me een buitengewoon geschikt moment, ik schakel het intercomsysteem in: ´Mevrouw Rotteveel, wilt u hier niet roken? Ik zal mijn spullen pakken en naar u toe komen`. Ze verstijft, is eerst geschrokken, dan beledigt. Ze werpt haar sigaret op de grond en trapt deze uit. Ze stopt haar rookgerei terug en wacht. Ik heb de regie.

Wanneer ik het kale perron op kom en haar direct in de ogen kijk, weet ik dat ik snijden moet. Secuur, eerst aan de oppervlakte, later dieper en dieper. Ze heeft, ondanks dat ze de rol van ondervraagde briljant spelen zal, een stevig pantser, dat zie ik aan haar borst, haar wenkbrauwen en haar ogen. Ze duwt me als het ware van zich af.
´Bijzonder prettig dat u er bent. Zullen we aan tafel gaan zitten? Volgens mij zit u hier nogal op de tocht´. Ik steek mijn hand uit die ze hooghartig bekijkt voordat ze hem aanneemt.
´Ik heb een jas aan, dank u´. Ze praat als een goede buikspreker, haar lippen bewegen nauwelijks.
´Wellicht houdt de alcohol u ook een beetje warm, wilt u misschien een glas?´
´Zeg, wat is dit? Wordt hier van alles bekeken en begluurt ofzo?´ Ze beweegt haar stramme nek met pijn wanneer ik achter haar langs naar de dranktafel loop. Achter het trapportaal dendert op het open spoor een trein voorbij en werpt lichtbundels over de ongeopende flessen voor mij.
´Het wordt hier een museum, mevrouw Rotteveel. Nu is het nog een tochtig metrostation maar dat gaat veranderen. Dit gedeelte van het station gaan wij samen met de gemeente overnemen van de spoorwegen. Wij verbergen hier één van de meest kostbare letterkundige archieven, daar willen wij goed voor zorgen´.
´Gastvrijheid kan uw aanstaande missie anders ook zeer ten goede komen!´
´We zijn in Frankrijk, mevrouw Rotteveel. Frankrijk! Maar wilt u me excuseren voor de omgeving, we lopen wat achter met de verbouwing. Sorry, het is inderdaad niet allemaal even comfortabel´.
´Ik begrijp eerlijk gezegd niet zo goed waarom we niet gewoon in mijn hotel hadden kunnen afspreken. En ja, doet u mij maar een glas!´ Ze geeft me snuivend het glas in handen en draait haar gezicht weg.
´Ik weet niet wat u drinkt maar wilt u wat van ons in plaats van een sigaar uit eigen doos?´ Het heeft effect om haar te kwetsen. Woede zal iemand sneller verraden dan rust en begrip.
´Een glaasje wijn is prima´.
´Uw hotel was geen optie voor ons, ik heb dit archief nodig om goed met u te kunnen praten, om u ook een eerlijke kans te geven zich het juiste te herinneren… Bevalt uw hotel overigens wel?´ Ik probeer bij deze laatste woorden wat zachter te klinken en stel me voor hoe ze vannacht, na ons gesprek, terugkeert en vrede kan hebben met de dan gedane onthullingen. Enig comfort zal dat veraangenamen. Maar mijn zachtheid laat haar koud.
´U mag dan erg gek op gluren zijn maar mijn herinneringen gaan u niet zo gek veel aan jufrouw! Mijn hotel is overigens prima, dank u´.
´Dat is fijn. Het is niet mijn bedoeling onaangenaam te zijn mevrouw Rotteveel. Ik wil u gewoon gesproken hebben voordat ik mijn biografie ga schrijven´.
´Voor een biografie heeft u mijn medewerking niet nodig. U zult van mij weinig nieuws te horen krijgen´.
´Als dat zo is, waarom bent u dan hier naar toe gekomen´. Ze neemt me bedachtzaam op en neemt kalm een slokje.
´Omdat ik er niet erg veel prijs op stel om ongevraagd op te duiken in een biografie of schrijversmuseum. U zult zich dat wellicht niet kunnen voorstellen maar ik zou wel erg graag willen weten hoe u mijn naam en portret zonder toestemming denkt te gaan gebruiken!´
´Dat hangt geheel van uw verhaal af´. Ze staat ineens verdacht snel op haar benen. Op het moment dat er achter ons opnieuw een metro langs dendert verliest ze haar evenwicht en zakt terug in haar kuipje.
´Dit riekt naar chantage!´
´Dat is het anders niet. Wij willen duidelijkheid. Jarenlang zijn er studies verricht naar het leven en werk van Willem Frederik Hermans. Zelfs wetenschappelijke. Ineens duikt u op in zijn persoonlijk archief, bijna tien jaar na zijn dood. Enig idee wat dat voor zijn biograaf, een Neerlandica, betekent?´
´Nee. Ik weet niet wat dat voor ´fans´ betekent. Misschien dat ik dat van u mag leren. Ik heb dat gedrag van ´fans´ altijd tamelijk hysterisch gevonden. Dat eindeloze gescharrel, die eeuwige verzamelwoede, de fanatieke overtuiging ooit nog eens iets buiten het oeuvre om te kunnen ontdekken, de mythe levend houden. De brillenkoker van Woody Allen, een plukje haar van John Lennon, een boodschappenlijstje van Reve… Wat voegt het in godsnaam aan iemands werk toe? Helemaal niets´. Ze is arrogant, denkt dat ze het zich kan permitteren kwetsend en neerbuigend te doen. Voor het eerst begint er deze avond iets in mij te steken.
´Ik heb u hier niet naar toe gevraagd om over brillenkokers en haarplukjes te praten. Het gaat hier denk ik om iets veel essentiëlers…´
´En eigenlijk is het die liefhebbende fan daar ook helemaal niet om te doen! Een fan spiegelt zich aan diegene die hij of zij bewondert, door een deel van het leven aan dat idool te weiden maakt deze zich eigenlijk een soort dubbelganger, een schaduw van zijn of haar held. Kortom, de fan leeft een deels gefantaseerd, aangenamer leven, bij de instandhouding van een mythe. Dat is een kromme identiteit mevrouw Osewoudt!´ Ze heeft me vast, denkt me te negeren en spreekt staccato verder. Ze heeft werkelijk het idee dat ze mijn zoektocht psychologisch kan veroordelen.
´Identiteit, daar is het mij inderdaad om te doen! Ik heb in het geheel geen behoefte aan een psychologische schets van mijn, zogenaamde, gespleten persoonlijkheid. Het gaat hier denk ik om iets veel essentiëlers. Namelijk ´waarheidsvinding´ in de algemene zin. Het werk van Hermans gaat veelal over de oorlog. Zijn naam is zeer vaak opgedoken in de papieren van het verzet. Hij heeft jacht gemaakt op een onterechte verzetsstrijder als Weinreb, had hij dat niet gedaan dan was die man zijn identiteit er voor altijd één geweest van een held. In die zin slaat u de spijker dus op zijn kop, het gaat hier om iemand zijn ware identiteit. Zo kan men het werk wellicht veel beter plaatsen. Wie is nou eigenlijk wie in ´De donkere kamer van Damocles`? En waarom heeft Hermans dat nooit willen verklaren? Wie is de kille dame uit het ondergrondse circuit in ´In de mist van het schimmenrijk?´ Waarom zwijgt Hermans over de ware aard van de zelfmoord van diens zuster aan het begin van de oorlog? In hoeverre is Alberegt uit ´Herinneringen van een Engelbewaarder´ Hermans zijn alter-ego?´
´Wat moet u met die vragen? Wat doen de antwoorden? Laat de romans voor zichzelf spreken. En nu zou ik graag mijn foto´s willen zien!´ Ze is in staat opnieuw op te staan, haar hele houding is er een alsof zij iets van mij heeft in plaats van dat ik iets van haar heb.
´Dit is niet een vrijblijvend potje speurneuzen van de Padvinderij, mevrouw Rotteveel, het gaat hier ook om rechtvaardigheid´.
´Wat bedoelt u?´
´Wilt u nog wat drinken?´ Ik gooi een rookgordijn op, ik laat haar verdwalen in de mist van mijn vriendelijkheid en steek haar op de juiste plekjes. Even draaien haar ogen vol verwarring langs de verwarmingsbuizen in het plafond, dan haalt ze adem en neemt een beslissing.
´Ja, graag! Wat bedoelt u met rechtvaardigheid?´ En langsrazende trein beschijnt haar angstige gezicht.
´Toen uw naam opdook in het archief zijn wij op zoek gegaan. Niet alleen naar u mevrouw Rotteveel. We hebben het werk en dagboeken van Hermans naast elkaar gelegd en we zijn gaan rekenen´.
´Goh, en wat is de uitkomst?´ Ze doet een stap in mijn richting, staat stevig op haar benen. Met een schuine blik laat ze de pijnlijke stilte mijn zwijgen verzuren. ´Dat weet u dus niet. U wilt maar wat gissen, u denkt ´Zo, zo, zo… een oude vrouw in het archief van Hermans. Oud, minstens van voor de oorlog, interessant! … Ik heb gelijk hè? U weet helemaal niks! Wilt u nu zo vriendelijk zijn mij die foto´s te laten zien. Ik ga nog bijna twijfelen aan het bestaan van die door u beschreven afdrukken!´. Ze triomfeert en met moeite tracht ik haar verstervende echo´s te trotseren.
´Mevrouw Rotteveel, u kunt zich toch wel voorstellen dat ik u niet simpel de foto´s ga geven zonder een verhaal te horen?´
´Probeert u zich eens in mij te verplaatsen juffie, kijk, ik heb mij altijd uit de publiciteit rondom Hermans weten te houden. Ineens ligt uw brief bij mij op de deurmat. U heeft het over foto´s, dagboekaantekeningen, brieven… een museum! Enig idee wat dat voor mij en mijn kinderen betekent?´ Haar voeten stampen op de tegelvloer. Ze sluipt naar de dranktafel en ik snij haar de pas af.
´Eerlijk gezegd niet want ik ken uw verhaal niet!´
`Los van mijn verhaal. U nodigt mij uit naar een stoffige ondergrondse en begint met een enorm fanatisme van wal te steken over de tweede wereldoorlog, het verzet, dubbelgangers, identiteit. Dat is een nogal hallucinerende ervaring, laat mij er even inkomen en heb het respect dat ik u, op mijn manier, help. U komt ineens vanuit het niets met een kruisverhoor, laat me de stuipen op het lijf jagen door een intercomsysteem, dat voelt op zijn zachtst gezegd intimiderend´. Ze zucht, ik hoor dat ze ademgebrek heeft en het gepiep in haar keel maakt me zachter.
´Ok. We beginnen opnieuw. Sorry. Ik wilde u niet overrompelen maar… Voor mij betekent het nogal veel. Het werk van deze schrijver vergezelt mij dagelijks. De actualiteiten van het dagelijks leven spiegel ik aan zijn geschriften, al jaren tracht ik van alles uit die romans te verklaren. Ik geef u een beetje gelijk, ik leef in zekere mate een dubbelleven… Maar u ook!´
´Het recht op een dubbelleven is niet alleen aan u voorbehoeden. Het feit dat ik opduik in het archief van een beroemd schrijver doet daar niks aan af´.
´Ok. Ik respecteer uw wens in de anonimiteit te blijven. Maar laten we afspreken dat u mijn wens naar de waarheid eveneens respecteert´.
´Er bestaat niet zoiets als ´de waarheid´. Dat moet je als fan van Hermans toch weten´.
´Sommige, ondergesneeuwde, feiten verdiepen het leven en werk van iemand´.
Even branden haar giftige pupillen in de mijne. Dan buigt ze haar hoofd en staart naar mijn voeten. ´Goed. Ik respecteer u. We spreken het volgende af: U confronteert mij met de foto´s en geschriften die u heeft. Ik geef u mijn verhaal. Let wel mijn verhaal. Aan u de taak daarmee te doen wat u wilt´.
´Waar u zich dan weer op uw beurt bij heeft neer te leggen´ duw ik nog snel bij haar naar binnen.
´Afgesproken´.
´Afgesproken!´ Om het zojuist besproken reglement te bezweren steek ik mijn wijsvinger op terwijl er opnieuw op het spoor achter het archief een trein langs komt. ´We kaarten dit hier en nu af. Heeft u gisterenavond de NOVA uitzending gezien waarin wij zaten?´
Ze neemt plaats, is wederom op haar hoede en met een bibberende grijns acteert ze haar ongenoegen. ´Hè, wat nu weer? Nee. Gaat u nu al onze afspraken negeren? Wat heeft u daarin geïnsinueerd?´
´Toen golden onze afspraken nog niet. Die afspraken hebben uw hele leven ook niet geteld, al die jaren dat u van alles onder de pet heeft kunnen houden. Er is niet veel uitgekomen trouwens, het was niet zo´n lang fragment. Ik zal het u laten horen…´
´Vandaar die gemiste oproepen van Henriëtte! Laten we in godsnaam beginnen, des te eerder komt aan dit hele overrompelende circus een einde. Laten we de schade in hemelsnaam beperkt houden´.
Wanneer ik achter haar langs naar het archief loop om de laptop te halen en de DVD te startten bekijk ik haar strakke hals en voor het eerst, heel kort, voel ik medelijden.
´Ik stel voor dat u nog wat te drinken neemt, dan rol ik de televisie uit in ons archief´.
Het archief, in de voormalige koffiebar van het station, is stoffig. Op de tafelbladen, tussen de omgekeerde stoelen, liggen mijn schatten. De door mij voor vanavond gesorteerde documenten zitten gevangen in plastic mapjes. Ik bevoel ze, streel ze. Achter de bar schittert het weinige licht in het beeldscherm. Ik had gehoopt, door me even van het toneel te verwijderen, een balans te kunnen opmaken. Maar ik sta onvast op mijn benen en weet niet hoe ik mevrouw Rotteveel beoordelen moet. Ik heb nog geen idee wie ze is. Ik begrijp haar verdedigende vesting, het niet willen kennen van haar verleden. Maar is het uit een afkeer daarvan of vanuit een huiver voortkomend uit schuld?
Ik breng de laptop het perron op en start de disk voor mevrouw Rotteveel.

IV. Het dode meisje
Madelon, Parijs - juni 2004

Het kille geratel van de metalen wieltjes achter mij wekken me uit mijn gedachten. Zoëven was er een moment waarop ik dacht ook een troef in handen te hebben, namelijk haar onwetendheid. Maar ik moet me overgeven aan deze hooghartige dame die het televisietoestel als een kanon voor mij neerzet. De wijn smaakt mij bitter en terwijl ik met dichtgeknepen ogen de drank wegslik gaat mijn gastvrouw achter mij staan. Ze weet dat ik niet in de conditie verkeer dat ik mijn lijf makkelijk naar haar toe keer. Ik draag deze intimidatie met trots en kijk gespannen naar het beeldscherm waarop de bij elkaar schuivende letters van NOVA over het scherm lopen.

… Maar nu allereerst: Het verborgen (oorlogs) verleden van Willem Frederik Hermans. Één van de grootste drie naoorlogse schrijvers zou gedurende de bezetting een dubbelleven hebben kunnen spelen. De erven Hermans hebben het immense archief van deze schrijver overgedragen aan het Willem Frederik Hermans Genootschap en diens biografe. De schrijfster levert voorjaar 2005 haar biografie over Hermans af. Straks een gesprek met de schrijfster. Allereerst een korte samenvatting uit het leven van Hermans. Een chagrijnig en vilein mens die het niet naliet anderen in het openbaar, op tv of in polemieken, scherp te veroordelen. Zo waren daar de professoren uit Groningen die in diverse romans met naam en toenaam door hem werden afgeserveerd. Of de Weinreb affaire. Tegen de mening van veel Nederlanders in ontkende Hermans diens heldendom in de oorlog. Weinreb zou een verrader zijn. Uiteindelijk gaf Dr. Lou de Jong Hermans in deze affaire gelijk. Maar wie was Hermans zelf?

Ik zie hem weer. Zijn gelaat op film komt onder het stof vandaan en hij spat van het scherm als de jongeman die ik lief had. Zoals je jezelf ook nooit ouder gaat vinden wanneer je voor de spiegel naar je ziel kijkt, zo wordt je prilste liefde ook nooit door de ouderdom aangetast. Dezelfde wegkijkende blik, het nonchalante hoesten, een halve hand op zijn lippen. Het zijn korte fragmenten en het beeld bevriest in een beeldschoon portret van waarop zijn brede kaken zijn mond vastzetten. Hij tuurt door het raam van zijn voormalige woning in deze stad. Niet ver vanwaar ik me nu bevindt. Het regent.

De gekrulde interviewer trekt zijn mondhoeken in een ironische grijns. Zijn wenkbrauwen staan al even frivool beschouwend. ´Mevrouw Osewoudt, u bent de biograaf van Hermans en sinds kort bent in het bezit van zijn archief. Met dat archief gaat u in Parijs, in metrostation Etoile – vlak achter Hermans voormalige woning, een museum inrichten. Wat voor verrassingen heeft u in dat archief aangetroffen?´
De camera zoemt in op het gezicht van mijn opponent en ik zie dat ze haar hooghartigheid niet alleen voor mij heeft gereserveerd. Haar slanke handen maken sierlijke bewegingen boven het op de tafel uitgestalde oeuvre van Hermans. Verder liggen er een aantal enveloppen en foto´s. Haar stem is iets meer gespannen dan dat die mij vanavond in de oren klinkt. `Het bestaan van diverse mensen uit het verzet die bijvoorbeeld nooit eerder zijn opgedoken in geschriften van Hermans of bij het NIOD in Den Haag. Nou was er uiteraard de anonimiteit in die jaren maar van Hermans had ik wel verwacht dat er tijdens zijn leven meer openbaarheid zou zijn geweest. Deze beschrijvingen en opgedoken personen verdienen een uitgebreider onderzoek. Een heel concreet voorbeeld hiervan vind ik een dagboekaantekening van Hermans op 9 september 1940´.
De presentator breekt in door zijn pen op Eva haar borst te richten. ´Ja. Wellicht even voor de kijkers die niet geheel bekend zijn met Hermans zijn werk. In één van zijn meest geprezen romans, ´Herinneringen van een Engelbewaarder´, rijdt de hoofdpersoon aan het begin van de oorlog een Joods meisje dood. In plaats van dit meisje mee te nemen naar een ziekenhuis, of aangifte te doen bij de politie, werpt de hoofdpersoon het dode kind in het struikgewas langs de weg. Gaandeweg de roman ontspoort het leven van de hoofdpersoon dermate dat het voor de lezer lijkt dat hij alsnog boete doet voor het doodrijden van dit kind´.
´Hiermee vat u de roman min of meer samen, maar u doet het te kort. Het doodrijden van dat meisje is inderdaad wel het schokkende ongeval dat de hoofdpersoon op de lange duur doet breken en ontsporen´. Als een ware docent trekt Eva met haar wijsvinger een lijn op de boeken voor haar.
´Fictie. Zo dacht iedere lezer, het Willem Frederik Hermans genootschap en u als biograaf in het bijzonder?!´
´Zeker. Toch staat er in Hermans dagboek, op 9 september 1940 het volgende: ´Vanuit een duister schimmenrijk stond ze ineens voor mijn auto, haar grote ogen, haar openstaande mond vlak voordat mijn bumper haar greep, optilde en wegwierp… Ik heb een onschuldig kind gedood. Wat moesten we? We bevoelden haar in de verlaten duisternis, er waren geen getuigen. Karel Rotteveel had de lijst met daarop dertig namen. Dertig levens te redden tegen één dat dood in onze armen meer dan verloren was. Ik besloot door te gaan. Karel was angstig, kon niet beslissen wat te doen. Doorgaan dus, door, voor die dertig die nog een kans hadden. We lieten haar achter. Haar blik en haar val, haar slappe, tegennatuurlijke houding op het asfalt… Ik zal het altijd bij me dragen…´
´Dit betekent dat Hermans een kind heeft doodgereden´.
´En dat er, mochten er nog nabestaanden in leven zijn, eindelijk een oplossing is voor een mysterie. Tevens valt de ware identiteit van veel van Hermans romanfiguren duidelijker te verklaren´.
´Die Karel Rotteveel, waar Hermans het over heeft in zijn dagboekfragment, wie is dat?´
´Vermoedelijk een vriend uit het verzet. De lijst die hij en Hermans die avond van het ongeval af moeten leveren is een lijst van Joodse mensen die via de ondergrondse beweging mogelijk uit handen van de bezetter konden blijven…´
´Ten tijde van de doodslag van het meisje was men dus bezig met een daad van verzet? Er ligt dus een nieuw onderzoek voor u waar men als het even kan…´

Achter mijn schouder schiet Eva haar hand met de afstandsbediening naar voren. De zelfvoldane grijns van de naar sensatie hunkerende presentator verdwijnt in een kleine ster die in het midden van het televisiescherm langzaam dooft. Ik tel mijn ademtochten, wacht tot de fluittoon tussen mijn oren verstorven is.
`Schaameteloos! Hoe haalt u het in uw hoofd zonder enig overleg met familie te gaan zitten citeren uit een oorlogsdagboek. In een actualiteitenprogramma nota bene! Heeft u enig idee wat de schade hiervan zou kunnen zijn?´
´Ik leg het u bij nader inzien liever zelf voor. Het was eigenlijk meer een lokkertje zodat u niet weg zou gaan´.
´Ik had u iets secuurder ingeschat!´
´Ok, gaat u zitten, mevrouw Rotteveel´ Haar woorden klinken zacht en voor het eerst raakt ze mij aan. Wanneer ik zit geeft ze me zachte kneepjes in mijn schouder alvorens ze verder gaat met het weven van haar gigantische web. ´Nu uw verhaal. De Karel Rotteveel uit het dagboekfragment, uit nader onderzoek blijkt dat uw broer te zijn. Uw broer is enkele dagen na het doodrijden van het meisje, volgens de oorlogsarchieven, door de Nazi´s vermoord´.
´Mevrouw Osewoudt, u weet alles al. Wat is het nut van dit alles? Hermans heeft samen met mijn broer een verschrikkelijk ongeluk veroorzaakt. Gefeliciteerd! Zet het in uw biografie! Ik ga…´ Onbehouwen duikt ze voor mij op en blokkeert mijn eventuele weg naar de uitgang.
´U kunt dat nu wel superieur gaan zitten bagatelliseren, mogelijk omdat u dit ook niet verwacht had, maar u weet dat sommige zaken nooit overgaan. Voor Hermans en vele anderen de oorlog niet, voor ouders, broers en zussen een gestorven kind niet. Voor u het een en ander ook niet. Anders zat u nu niet hier. Op uw leeftijd, zoveel jaar na dato´.
´Het is niet aan u om namens nabestaanden een oordeel te hebben. U kent ze niet eens!´
´Misschien dat u daar gelijk in heeft. Maar wij, het merendeel van de lezers van ´Herinneringen van een Engelbewaarder` interpreteerde het doodgereden meisje uit die roman als de vermoorde onschuld. De mens die, tegen zijn wil in, het kind in hem moet vermoorden om in een chaotische, onrechtvaardige wereld te kunnen overleven´. Haar laatste woorden worden opgegeten door het geluid van een zoveelste trein die achter ons langs gaat. Ik wacht even met mijn antwoord.
´Ziet u nou. U zegt het zelf, U verpest zelfs de literatuur voor u zelf. De roman krijgt voor u, en voor alle lezers van uw biografie een hele andere kleur. Is het dat waard?´
´De waarheid omtrent Hermans zijn geschiedenis hoeft de symboliek van de roman geen onrecht aan te doen´.
`Ik zou nog wel wat te drinken lusten` opper ik in de stilte die een nieuwe storm begroeten zal. Ik overwin het zuur dat omhoog is gekomen en spoel het weg met wijn. En inderdaad, ze steekt me een foto toe en ik verdrink in het portret van twee jonge, verliefde, mensen. Onschuldig, vertederd en dicht tegen elkaar aan kijken ze in de lens van de toekomst.
´Dit is de foto waar ik u over schreef. U en Hermans! Het is duidelijk te zien dat de schrijver dit portret zelf via de spiegel heeft gemaakt, ziet u, hier is de lijst´.
´Ziet u daar als Neerlandica misschien ook een metafoor in? Spiegeling van de ziel? Het indirect vastleggen van het tegenovergestelde, wat op een negatief weer kloppend zou zijn?´
´Dit is een brief van u aan Hermans. Wilt u hem lezen voordat we hem opnemen in de biografie?´
´Godssammekrake! De brutaliteit! Geeft u maar hier. U bent er wel heel erg blij mee hè? Voelt u nou nooit enig bezwaar wanneer u als een hebberig kind in andermans gevoelens graait? Ik snap heus wel dat zo´n biografie uw portemonnee en ego vult maar ik blijf me over uw verschijning verbazen. Wat een gruwelijke, onbehouwen jacht voert u!´
´Dit, literatuur, Hermans, is mijn vak. En u en ik houden ons aan de gemaakte afspraak´. Ze doet een paar passen naar achteren en laat een kopie van de brief achter in mijn handen. Ik bekijk mijn jonge, vitale handschrift. Ik lees het wapen dat mij in de hoek dwingt.

Lieve Willem,

heb de afgelopen nachten alleen maar wakker gelegen. Bijkomend tussen huilbuien en schuldgevoel. Ik heb jou of jouw werkzaamheden nooit willen verraden. Ik snap dat het dode meisje je nooit los zal laten en dat zij altijd met jou, deze oorlog en onze liefde in verband zal blijven. Ik blijf er op hopen dat verdriet met onze liefde, onze toekomst te mogen overwinnen. Ik zal er voor je zijn Willem, ik wil niet opgeven. Met liefde, genegenheid en troost,

Madelon.

Ik moet nu niet gaan huilen, me niet gek laten maken door de geluiden van lang geleden…
´Ok, ik beken… Ik was een liefde van Hermans. Nou, fantastisch toch? Ik was vijftien, het was oorlog, we waren bang, we zaten in het verzet!´
´U liegt! U liegt over het verzet! U liegt over de identiteit en de dood van uw broer´.
Ik ben niet boos om deze felle woorden, het geschreeuw… Het verdriet zinkt weg onder mijn groeiende verbazing. Waarom is deze dame zo boos? Waar haalt ze de munitie voor deze razernij vandaan? Wat zijn haar vermoedens? Geruchten? Met open mond bekijk ik haar wijzende vinger, haar schokkende schouders. Adem!
´Mijn broer was een vriend van Willem. Zij lieten mensen vluchten of onderduiken door lijsten aan de ondergrondse aan te bieden. Basta! Zou ik nu in Godsnaam een pauze mogen? U vraagt en zuigt maar door, als een bezetene duwt u al mijn verdriet door mijn strot. Enig idee wat het is van iemand als Willem te houden? In die dagen, als ik met Willem vrijde, deed ik dat ook met dat dode meisje… Alles was weg. Alles was schuld geworden. Dat dode kind kwam uit Willem zijn poriën, het zat hem onder zijn huid en ik likte die schoon. Kunt u enigszins rekening houden met die gevoelens?´ Ik breng mijn hoofd tot vlak boven mijn knieën, mijn longen piepen en het steekt achter mijn ogen. Ik zie Eva´s schaduw kalmer worden. Haar stem is zacht, haast fluisterend.
´Ondanks die gevoelens, die ik zeer goed begrijpen kan, houd u iets voor mij achter. Hermans wilde het doodrijden van dat kind niet aangeven. Uw broer kreeg wroeging en wilde het vreselijke ongeluk wel aangeven…´ Haar extra aangedikte verontwaardiging maakt me misselijk.
´Willem had ook wroeging!´
´Dat geloof ik zonder meer! Het enige wat voor mij, als zijn bewonderaar, belangrijk is om te weten, waarom deed Hermans geen aangifte van zijn ongeluk? Waarom wilde hij geen boete doen, iets waar hij naar anderen toe zeer op gebrand was… Ik wil het even over uw broer hebben. Uw broer zat samen met Hermans in het verzet, hij werd ontdekt en vermoord. Wat ik zo merkwaardig vind is dat het lijk van uw broer nooit gevonden is´.
´Hoe komt u daar nu weer bij? Ik heb mijn broer gevonden!´ Halverwege mijn antwoord voel ik de takken onder mijn voeten breken en begin ik mijn buiteling in de valkuil te realiseren. Ze heeft mij beet! Haar ogen fonkelen triomfantelijk.
`Juist! Dat wilde ik graag van u horen!´
´Uw methodes worden zo langzamerhand wel steeds onorthodoxer!´
´Dat is de afspraak. Ik mag zoeken, lokken – u mag ontkennen, verhullen. Goed, u heeft uw broer gevonden. Hij is neergeschoten… door de bezetter, zo laat het archief van de tweede wereldoorlog weten. Wanneer heeft u hem gevonden?´ Ze doet alsof deze laatste vraag nonchalant toevoegt door naar het barretje te lopen en zichzelf nog een keer in te schenken. Ik begin het koud te krijgen, mijn vingers trillen.
´Vlak na zijn dood, ik lag te slapen in de kamer naast de zijne. Hij was aan het werk, ik sliep´.
´U werd wakker van een schot?´ Op deze vraag kan ik alleen maar knikken en probeer kalm adem te halen.
´Ik lag op mijn bed, was min of meer in slaap…´

Ik word wakker van de krakende planken op onze overloop en hoor mijn laatste ademtocht zich als een omgekeerde schreeuw vastzetten in mijn keel wanneer ik mijn ogen open. Er zijn voetstappen voor mijn deur. Zachtjes, zonder enig gerucht te maken, kom ik overeind en til het gordijn voor mijn slaapkamerraam een eindje op. De kerkklok achter onze overburen wijst aan dat het 03.05 uur is. Ik laat het gordijn dichtvallen en luister naar de stem van mijn broer Karel, hij is aan de telefoon. Hij is nog steeds aan het werk. Is het iemand uit zijn ondergrondse clubje die zo beleefd op onze gang staat te wachten? Zou ik die persoon kennen? Sinds kort mag ik af en toe ook een klusje doen. Ik leg mijn oor tegen de smalle tussenwand die mijn vader getimmerd heeft.
´Hein? Met Karel. Ik heb wat aan te geven, iets waardevols. Twee zaken. Ik zal beginnen met de eerste. Op de provinciale weg van Hoek van Holland is gisteren een meisje dood gereden… Jaar of tien, hooguit… Ze moet nu wel gevonden zijn. Ik heb het kenteken van die auto… Ja, pak even pen en papier…´ Ik hoor de voetstappen in beweging komen, er wordt op Karel zijn deur geklopt.
´Ja? Het kenteken is: Hendrik, Nicolaas, twee… - Willem?´ Mijn broer schreeuwt de naam van zijn vriend. Er klinkt een schot en ik hoor het rochelen van mijn broer.

´Dat schot, die stilte…´
Voor het eerst deze avond legt Mevrouw Osewoudt een bepaalde tederheid in de stilte. `Uw broer is niet vermoord door de Duitsers. Uw broer is vermoord door uw minnaar, de schrijver Willem Frederik Hermans. Dat was de tweede dode in twee dagen. Uw grote liefde ging wel erg ver om zijn daad verborgen te houden´.
´U vergist zich!´ Ik wil zijn verdediging in haar gezicht brullen maar een passerende trein vraagt om mijn geduld.
´U was in de kamer ernaast. U heeft uw broer de naam ´Willem´ horen roepen, zegt u. Of was dat verbeelding, een droom?´
´Ik heb hem de naam ´Willem´ horen roepen. Ik ben de overloop opgegaan en heb Hermans de gang af zien lopen… Ik zag hem vanaf de rug, zijn lange jas was nat… Hij keek niet om… Dáár vergist u zich ook niet in´.
´Waar vergis ik me dan wel in?´
´Laat het me u vertellen… - Wilt u mij vanavond naar mijn hotel brengen?´
´Jawel. Hoezo?´
´Omdat ik nog wat drinken wil!´ Ik kijk haar in de ogen, kom omhoog en schenk me nog eens in. Ik krijg een hand van haar. Die grijp ik, ik neem haar steun.
´Laat mij u inschenken´.
´Nee ik doe het zelf! - Willem Frederik Hermans woonde die dagen bij ons in huis. Na de moord op mijn broer is hij ondergedoken. Hij hield een postadres, daar kon ik naar schrijven´.
´U betrapte uw liefde op de moord op uw broer… Hij wilde zijn hachie redden, dat moet u vernietigend hebben…´
`Nee! U trekt de verkeerde conclusie! Hij wilde zijn hachie niet redden. Het ging Hermans er in eerste instantie helemaal niet om dat hij werd aangegeven. Hij hield mijn broer al langer in de gaten… Toen ik bij mijn neergeschoten broer de kamer opkwam zag ik meteen waarom hij vermoord was…Voor mijn broer lag de neergevallen telefoonhoorn. Ik herkende de stem die wanhopig mijn broers naam riep. Het was Hein, een NSB`er. Ik heb de verbinding verbroken… Onder de arm van mijn dode broer ligt de lijst die hij samen met Hermans naar de ondergrondse had gebracht. Mijn broer verraadde de mensen die op die lijst stonden. Daar was het Hermans om te doen…´
´Maar uw broer begon dat telefoongesprek met het doorgeven van het kenteken van Hermans zijn auto. Hij wilde zijn vriend aangeven…´
´Mijn broer begreep ook wel dat Hermans hem op de hielen zat. Mijn broer verdiende goud geld en kon geen getuige van zijn daden gebruiken. Het zou hem heel goed uitkomen wanneer Hermans gearresteerd zou worden wegens dood door schuld. Mijn broer zat bij de ondergrondse en werkte voor de NSB. Korte stilte Nou, u kent het hele verhaal mevrouw Osewoudt, zullen we eens gaan? Het is meer dan genoeg geweest voor mij. Ik ben doodop! Die twee dagen hebben mijn leven verwoest! Al die dames die later hun benen wijd deden voor de ´grote´ Hermans! Ik werd gedropt, hij liet me los… Hij vermoord mijn broer, die heel iemand anders blijkt te zijn dan de grote verzetsheld, met duizendenéén vragen zat ik, zit ik. Hij ging weg´.
´Juist! Ik ken dus nog lang niet het hele verhaal! Ik heb nog een troef in handen. Wacht…´
´Dit is het hele verhaal. Neemt u daar alstublieft genoegen mee. Meer heb ik niet´. Mijn ogen vallen dicht en ze willen niet meer open. Ik hoor de echo van Eva haar voetstappen die richting het archief gaan en ik smeek mijn God dat dit het einde is, dat ze niet met nog een vraag of een bewijsstuk terug zal komen. Na een korte stilte hoor ik haar passen opnieuw. Ze legt haar handen op mijn schouders, streelt me. Ze heeft een vel papier in haar handen. Wanneer ze weer spreekt klinkt ze lief, zorgzaam. Ze troost me.
´Het klinkt misschien raar maar ik wil dat u weet dat ik diep respect voor u heb. U redt een stukje geschiedenis, een stukje waarheid. Zonder uw verhaal zou de overlevering mank gaan. U helpt mij enorm. Ik heb nog één vraag aan u, dan breng ik u naar uw hotelkamer. Mag ik u alstublieft nog één vraag stellen. Hier, zou u misschien deze brief willen lezen. Het is een brief van Hermans aan u, hij beschrijft hier uw laatste ontmoeting met hem. Leest u hem en gaat u, als u wilt, goed na of u aan deze wetenschap nog wat heeft toe te voegen…´

Het regenwater maakt van de straat een spiegel. Onder een klapperende luifel wacht ik op mijn man. Wanneer ik zijn schim over de brug aan zie komen trap ik mijn sigaret uit en zet mezelf onder een straatlantaarn. Wanneer hij bij mij staat pakt hij mijn arm.
´Ben je alleen?´
´Natuurlijk ben ik alleen, wat denk je?´
´Heb je de lijsten bij je?´
´Ja, alsjeblieft´. Ik heb ze in een tasje gedaan.
´Mooi. Er ligt niks meer in Karel zijn kamer?´
´Helemaal leeg. Ik heb overal gekeken, ook onder planken van de vloer´.
Even is Willem stil. Ik hoor hem zuchten. Het is een ademtocht vol spijt.
´Ik weet niet wat ik met je moet. Ik kan je in ieder geval niet meer zien´.
´Ik snap het niet…´
´Hoeveel lijsten heb je namens Karel weggebracht naar de Huygensstraat?´
´Twee keer heb ik daar een enveloppe naar toe gebracht. Ik wist niet wat er in zat…´
´De Huygenstraat is het hoofdkwartier van de NSB Madelon! Dat waren bij elkaar zestig man. Ze zijn allemaal gearresteerd…´
´Willem, blijf staan… ik wist niet wat er in zat. Karel vertelde dat alles ´goed´ was…´ Ik hoor mezelf schreeuwen tegen zijn brede rug. Hij draait zich nog éénmaal om. Het licht van de lantaarn beschijnt slechts de helft van zijn gezicht.
´Ik wil en kan je niet meer vertrouwen. Jij en Karel waren te close, het is enorm uit de hand gelopen. Wanneer ik aan jou denk stik ik van schaamte en schuld. Ik zou je woorden willen geloven als het geen oorlog was en ik zekerder van mijzelf zou zijn. Maar het is een onrechtvaardige chaos en ik ben paranoia, totaal wantrouwend naar mijn eigen daden en motieven. Laat staan aangaande die van anderen. Ik wil je het allerbeste toe wensen en beloof je te zwijgen over alle activiteiten uit de afgelopen tijd. Zo gun ik ons beiden, mochten we dit alles overleven, de kans op nieuw leven´. Heel even drukt hij zich tegen mij aan en kust mijn voorhoofd. Dan laat hij me los en verdwijnt.

´Mochten we dit alles overleven, de kans op een nieuw leven…´
´Hermans heeft woord gehouden. Het is niet uit zijn geschriften op te maken wat voor een rol u in de oorlog heeft gespeeld.
´Ik heb eerlijk nooit geweten wat er in de enveloppen zat. Ik was jong, naïef, bang en verliefd… ik heb me door mijn broer laten gebruiken. Zonder het zelf te weten heb ik mensen verraden. Ik wist het niet… En hoe doodongelukkig en gefrustreerd ik ook was, ik snapte Willem… Ik begreep dat hij geen risico´s meer kon nemen´.
´Ik geloof u. Enorm bedankt…´
´Het werk voor het verzet vond Willem belangrijker dan de liefde´.
Halleluja! Hoe is het mogelijk? Na zo´n onoverbrugbare achterstand kom ik terug en overwin. Jazeker, ik heb mevrouw de biografe ingepakt! Ze danst als een veertje om mijn tere lijf. Met snelle handelingen sluit ze het archief. Eindelijk heeft ze wat ze hebben wil. Ik ben net op tijd geweest met het acteren van een nieuwe breekbaarheid. Emotionele instabiliteit is nog steeds de grootste joker!
´Ik wil u nogmaals heel hartelijk danken voor uw medewerking en uw openhartige verhaal. Het moet een pijnlijke wond zijn die vanavond weer werd opengereten´.
´Ik dank u voor het vertrouwen. Ik ben blij dat het klaar is. Ik wil u echter één gunst vragen, zou u in uw biografie van mijn naam een pseudoniem willen maken?´
´Uiteraard. We drukken ook geen foto´s af. Het gaat in hoofdlijnen over zijn werk en activiteiten in het verzet. Ik zal uw naam veranderen´.
´Dank u zeer. Daar ben ik erg blij mee, vooral voor mijn kinderen. Ik ben erg moe…´
Ze haakt een arm door de mijne en ik leun tegen haar schouder. Ik moet giechelen, waarschijnlijk van de drank. Ik heb het nog steeds koud en schurk me nog even in de warmte van Eva Osewoudt. Onvast lopen we de trap op naar boven. In het halletje tussen de twee sporen tocht het en bungelen een paar lantaarntjes. Ik verstevig mijn greep om het handvat van mijn wandelstok en loop tegen Osewoudt aan langs het spoor. In de verte fluit een trein en de warme lucht die deze voor zich uit duwt bereikt ons op het perron. Er valt licht uit de tunnel en in een aanzwellendende storm verschijnt het stalen gevaarte dat op ons af raast. Nu! Ik zet me schrap, zet mijn stok voor haar voeten en duw met mijn schouder Eva Osewoudt van het perron. Haar ijzige gil wordt opgevroten door het angstige gefluit en gedender van de alles vernietigende trein. Mijn geschiedenis is onthuld en vernietigd!

V. Inferno
W.F.H., Sadistisch universum – Heden

Ach, waarom zocht u mij onder de doden in plaats van onder de levenden? Wat een noodlot! Had mij losgelaten, had het met mijn werk gedaan.
Ik voel me vrij nu. Alles is los en alles is beter. Er is voor mij geen omkijken meer. Het laatste tafereel dat ik voor mijn verlossing zag was mijn strompelende minnares. Op haar laatste krachten kroop ze terug naar het perron van het archief. Bij haar binnenkomst zag ik haar blik al reeds op de schoonmaakspullen vallen. Ik wist dat ze voor de benzine zou kiezen. Het leek alsof ze eerder met vuur gespeeld had. Ze sloot de deuren van het archief zeer nauwkeurig en had alle tijd om de straat op te komen. De brandweer van Parijs kreeg de melding van de brand op Etoile toen Madelon haar hotel binnenkwam. Wat een genoegen was het om mijn portret tegen de tegelwand om te zien krullen tot een zwart kokertje dat mee vloog op de tocht van de treinen.
Ik heb niks meer toe te voegen. Wat is de betekenis van deze geschiedenis zoveel lichtjaren verder?

Het toneelstuk ´Archief Etoile´ werd op 5 en 6 juni 2004 door Toneelgroep Boem gebracht in De Schakel te Vleuten.

© Rik van Schaik 2004
archiefetoile@rikvanschaik.nl
www.rikvanschaik.nl


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens