donderdag 23 november 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Nomanie
Gepubliceerd op: 24-08-2015 Aantal woorden: 2760
Laatste wijziging: 25-06-2017 Aantal views: 817
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Nomanie

Henk Gruys



Omdat ik van plan was mijn oude moeder, die in de noordkop woont, te bezoeken, ging ik, – na lang uitstel en met tegenzin, – op weg. Het was avond en herfstachtig. De laatste busverbinding miste ik doordat de dienstregeling was veranderd, wat ik niet wist, – en zo eindigde mijn bezoektocht midden in het niemandsland. Ik dacht aanvankelijk nog een provinciestadje te kunnen bereiken, maar ik verdwaalde hopeloos in de duisternis.
    Wat moest ik? Het beste was dan maar om door te lopen, tot de ochtend, om warm te blijven. Bijna een halve nacht was ik onderweg, moe en verstijfd. Als men te voet gaat valt op dat de provincie uit veel wijd, opengelegd gebied bestaat; eigenlijk dun bevolkt is, en weinig verstedelijkt, vreemd genoeg. Maar ik raakte verveeld en te moe om mij daarmee bezig te houden.
    Het laatste dorp was zonder straatverlichting; alles was donker of het oorlog was. Het begon weer te miezeren. Ik sloop langs de afrastering van een vrijstaand huis, in de hoop ergens een tijdelijke schuilplaats te vinden.
    Ik kwam op een nagenoeg leeg achterom, en ik wilde alweer weggaan, toen iets mijn aandacht trok; midden op het erf stond een soort kast of kubus van donker hout.
    Op een of andere wijze leek het buitensporig, – zelfs onbestaanbaar dat zoiets daar stond. – Was het volgende moment toeval of ingrijpen van de voorzienigheid? Toen hoorde ik zingen. Een vrouwenstem.
    Maar ik zag niemand. Ik liep het erf op. Dat gezang! De woorden kon ik niet verstaan, al dacht ik twee keer het woord "liefde" op te vangen.
    Het had de fascinatie in de duisternis van een melodie uit vroegere schooljaren. Kwam het uit die kist? Ik werd nieuwsgierig, opende voorzichtig de deurdeksel bovenop en keek naar binnen. Mijn ogen wenden en ik zag beweging. Er bevond zich een jonge vrouw in; ze vulde haar voor meer dan de helft. Ze sloeg de ogen op en glimlachte. Omdat het niet zo donker meer was kon ik dat goed zien. "Je bent welkom," zei ze, "kom maar hier, want je zult het wel koud hebben met die regen."
    "Ik wist niet dat jij hier was," stamelde ik. – "Geeft niet", zei ze, kom maar." Haar stem was donker en welluidend, had een vreemd onverschillige intonatie.
    "Ik ken je van vroeger," zei ik aarzelend, "alleen weet ik je naam niet meer..."
    Ik was zeer verlegen geworden, maar stapte toch over het dekdeel en klom in de kist; de bovendeur deed ik achter mij dicht; maar niet geheel zodat er nog wat lucht binnen kwam.
    Er was weinig ruimte, de kist werd door ons tweeλn nagenoeg geheel gevuld met armen, benen en lichamen. Ik voelde mij in haar warmte opgenomen en die reikte tot diep in mijn binnenste.
    "Stom niet, zo hier te zitten," zei zij, "maar dat doe ik wel vaker als ik niet slapen kan."
    Ik kroop dichter tegen haar aan. "Dat deed jij hθ, dat zingen? Dat was mooi, zo in de nacht als het stil is."– Haar warmtegloed straalde; ik had het gevoel of ik bevroren was en nu ontdooide. "Ik ken je van vroeger, maar weet je naam niet meer. En evengoed heb ik je gevonden. – Hoe heet je?" – "Nσmanie." – "O ja." (Ik vond het te onnozel om eraan toe te voegen: nu weet ik het weer). "Woon je in dit huis?" – "Ja in dit huis," antwoordde ze wat verstrooid. Ze bewoog en kwam een stukje naar voren. "Kun je niet iets leuks vertellen, dan voel ik mij misschien minder somber, zoals ik in de ochtend vaak ben."
    Natuurlijk wilde ik haar een mooie geschiedenis vertellen, een kinderlijk sprookje waarin koningen, prinsen en engelen voorkwamen. Ik zocht in de diepste hoeken van mijn geheugen, maar vond toch niets mooi genoeg om aan haar op te dragen, want zo afgeleid bleef ik door haar aanwezigheid, dat ik amper kon denken. "Zal ik je vertellen hoe lang ik al onderweg ben om jou te vinden?" zei ik toen maar, "hoeveel jaren?.."
    "Ik wil je kussen," fluisterde ik; het leek als was dat een alternatief voor het verhaal dat ik anders zou moeten verzinnen. De ruimte stond weinig beweging toe, maar ik slaagde er toch in te doen wat ik wilde. Ik voelde allang geen koude meer en geen regen, – enkel haar warme aanwezigheid. Er kwamen nu voldoende sprookjes in mijn hoofd, maar het was onmogelijk haar die als keuze voor te leggen.
    Door haar kussen werd ik als dronken. "O Nomanie," bracht ik uit, "ik houd zoveel van je; zoveel heb ik nog nooit van iemand gehouden. We moeten altijd bij elkaar blijven. Je moet mij nooit meer verlaten. Ik zal je alles geven; en eeuwig, eeuwig verliefd op je blijven."
    Bij elke gedachte over de liefde kuste ik haar. Daarna huilde ik enige tijd in haar armen.
    Tenslotte viel ik in slaap.

Ik ontwaakte in het licht. Hoeveel uren hadden wij zo dicht bij elkander geslapen? Nomanie sloeg het deksel op en keek omhoog naar de hemel, die grijs en bewolkt was. We klommen naar buiten en stonden bij elkaar op het thans in-sombere achtererf.
    Nu pas kon ik haar goed zien. Zij was meer dan een half hoofd groter dan ik; zij droeg een loshangend crθme hemd en een lichtblauwe spijkerbroek, en haar lichtblonde haren waren bijeengebonden in een staart. Haar gezicht scheen niet eens bijzonder, maar als je goed keek gaven haar wangen een betoverende zachtheid weer. Haar gentiaanblauwe ogen keken mij aan en straalden kalme rust en eeuwig weten uit. Ik keerde mij naar haar toe, telkens, om dat bevestigd te zien.
    "Ik moet alweer verder," zei ik dof. "Maar dan alleen als je met mij mee wilt gaan, want zonder jou zal ik geen rust meer vinden."
    "Waar was je dan naar onderweg?"
    "Naar mijn moeder voor belangrijke hulp. Dat zou gisteren al, maar ik werd opgehouden door tegenslag, verdwaling en duisternis. – En gelukkig maar," zei ik met een lachje. "Anders had ik jou niet ontmoet."
    "Als je nu op weg moet, dan loop ik wel met je mee," zei zij simpel.
    "O Nomanie!"
    "Dan gaan we nu. Over alle bekende wegen en weer terug..." vulde zij aan.
    Een constatering die logisch was, maar mij toch, vreemd genoeg, enigszins verontrustte.

Wij wandelden door een dompig, bruin landschap, dat er zowel uitgedroogd als sponzig uitzag, dat zelfs hier en daar in brand leek te hebben gestaan. Er stonden nergens huizen; eindeloos was het heidegroeisel. Door de kartonnen hemel leek het of er nieuwe regen in aantocht was.
    Ik voelde me nerveus en verkrampt, en had het gevoel te moeten huilen, alweer... Ik fluisterde onhoorbaar:
    – Ik was mijn hele leven al verliefd op je, al wist ik dat niet. Het is de waarheid, die mij zo bezighoudt dat ik niet aan iets anders kan denken. Ga niet weg. Want zulk afscheid kan ik niet verdragen. Ik kan een verliefdheid als deze niet dragen, een liefde die zwaarder weegt dan de moeilijkste opdracht, die men moet volbrengen. Ik wil telkens halt houden en je kussen, maar ben bang dat je dat vreemd en onbegrijpelijk zult vinden, en dat daarom dit ons samenzijn tot een plotseling einde zal voeren, hetgeen mij bezwaart als een tragisch vooruitzicht. Tot nu toe verdraag je mijn aanwezigheid naast je – hetgeen ik bijna niet kan begrijpen, maar niet anders kan beschouwen dan als een gunstig teken dat zegt dat je ook mijn liefde verdraagt.
    Maar ik sprak dit alles niet uit.

Toch dacht er steeds aan dat Nomanie ieder moment afscheid zou kunnen nemen, – en wel plotseling, – omdat het onvermijdelijk was. Maar ik durfde er niet over te denken. Opnieuw drong het besef door: dat Nomanie onbereikbaar was en zij dat ook zou blijven, – dat ik haar kwijt zou raken. Omdat alles een droom was geweest. Een droom waarin zij niets minder was dan een godin. Wat voor haar zeer gemakkelijk was, want zij is immers een godin.
    Maar ook dit had geen zin, want ik kon toch nergens duidelijk maken hoe ik verdrietig ik door haar naderende afscheid werd beziggehouden. –
    Ik ontwaakte uit mijn overpeinzingen. "Mijn moeder heb ik al in geen weken gezien," zei ik om mijn neerslachtigheid te doorbreken, en ik probeerde mijn stem zo gewoon mogelijk te laten klinken. "Maar jou zal ze nog wel kennen, denk ik."
    – Ik wist er ook niet meer over te zeggen. Nomanie zweeg als was ze over mijn laatste uitspraak verwonderd, maar tevens enigszins in twijfel gebracht.

Bij het kleine, lage huisje van mijn moeder kwamen we aan in de middag. Het ligt niet aan een straat, maar aan een zandpad dat geen naam heeft. Ik klopte aan de voordeur, want in een bel is nog steeds niet voorzien. – Er werd niet opengetrokken. Mijn moeder kan niet weg zijn; zij komt niet meer buiten, slecht ter been als zij is.
    Ik liep om het huis heen op het achtererf. De keukendeur was los; ik duwde hem een stukje open en loerde naar binnen, zo voorzichtig of ik indringers wilde betrappen. Het aanrecht stond vol vaatwerk en er hing een weeλ vetstank. Zoals gewoonlijk zat alles dik onder het stof, maar zo erg als nu had ik het nog nooit had gezien.
    Waar was Nomanie? Geschrokken van dit vreselijke interieur en was zij hals over kop verdwenen? Gevlucht? Wilde zij niets meer te maken hebben met een eenzaam en somber iemand als ik, die zo'n vreemd mens als moeder had? De gebeurtenissen van de nacht kwamen telkens in mij boven.
    In de huiskamer zonk ik moedeloos in een stoel en legde mijn hoofd op de tafel. Het was doodstil overal; zelfs geen klok tikte. Ik ademde het stof bij vleugen in. Uiteindelijk stond ik op en ging naar de zijkamer. Daar stond Nomanie voorovergebogen bij de muurkast.
    "Wat overal een stof hier," zei zij, en ze veegde met een schoenpunt wat stof van de vloer bijeen. Mijn moeder keerde zich naar mij om. – "Ik zocht daarnet mijn bruine japon," zei zij. "Die moet ik aan als straks de visite komt. Maar ik kan hem niet vinden. Jullie hebben alles door elkaar gesmeten en ik had daar nog zo voor gewaarschuwd!" – "Zij is moe," zei Nomanie. Zij keek aarzelend en peinzend door de kamer, alsof ze nog naar een andere oplossing zocht.
    "We brengen haar beter naar bed."
    "Ik ga niet naar bed," zei mijn moeder beslist. "Slapen ga ik nog niet. Weten jullie wel hoe vroeg het nog is? Zijn jullie wel goed snik? Klaarlichte dag! Aanstonds komt de visite. – Wat denken jullie wel? Ik ben niet kinds of zo! – En jij gaat nu toch niet meer weg?" zei ze tegen mij. "Dat kan niet!"
    Wij brachten haar ondanks luide protesten voorzichtig naar bed, stopten haar in en trokken de overgordijntjes voor de ramen dicht. Hierna gingen Nomanie en ik aan de tafel zitten. De envelop met papieren van een hulporganisatie had ik uit de kast gehaald. Maar ik keek er alleen maar naar en deed ze terug in de envelop, zonder iets te hebben gelezen. Nomanie weet nu alles, bepeinsde ik, alles van mijn situatie, van mijn moeder en ik. Ik ben zo open als een boek.
    Een tijdje zaten Nomanie en ik tegenover elkaar. Toen keek ze mij kort aan, sloeg de ogen neer en zei: "Je zult mijn hulp niet meer nodig hebben, nu alles weer een beetje op orde is. En dus wordt het tijd dat ik eens vertrek."
    "Maar mag ik dan niet bij je blijven?" Ongetwijfeld zag zij hoe verslagen ik was op haar aankondigde afscheid, maar ze stond op, vlijde haar zachte armen geheel om mij heen kuste mij, en vervolgde zacht: "Mijn naam is immers Nomanie? De ontkenning zit in mijn naam: No." Zij lachte flauwtjes. "Voor jou had ik dus beter Sidonie kunnen heten; want in het Italiaans betekent dat ja."
    Maar ik was te treurig om om haar grapje te glimlachen. – Zelfs zij kon dat niet veranderen.

Vlak voor een pannekoekenrestaurant was de bushalte. Een walgelijke lucht van verbrande boter hing als een onheilstijding tussen de gevels. De straat was aan de zijkanten opgebroken en stapels rioolbuizen versperden de doorgang; klanten zouden door stormdalen moeten waden en wallen van zand beklimmen. Geen wonder dat de halte buiten werking was; We liepen naar de volgende stopplaats.
    Rechts van de weg was een diepe zandkuil. Graafmachines stonden er roerloos aan de kant, als stomme getuigen. We daalden af en gingen zitten in het droge zand. Ik dacht aan ons samenzijn, vannacht in de donkere kist. Zo dicht als toen kon ik niet meer bij haar zijn. Maar ik moest mijn neerslachtigheid doorbreken en ik sloeg mijn arm om haar heen.
    Zo zaten we een tijd stil langs de opgebroken straatweg. – Ik zei: "Ik houd van je. Kan ik niet met je mee? Nomanie!.. ik weet niet hoe het verder moet..." Mijn woorden stolden in de onafwendbare treurigheid.
    "Ik zou wel bij je willen blijven, heus ik meen het, maar het is onmogelijk. Ik kan je dat niet uitleggen, maar het gaat niet; je moet mij geloven. We moeten het niet te moeilijk maken, niet voor jou, niet voor mij, en voor ons beiden..."
    Er moest in het verleden iets gebeurd zijn, iets dat geheim was. Ik had het gevoel dat de onthulling zo persoonlijk op haar betrekking had, dat haar tragedie zσ groot was en zo triest, dat ik er niet naar kon, en niet mocht vragen.

Zij stond op toen het tijd was en sloeg het zand van haar kleren. "Maar we zien elkaar later toch wel eens weer?" zei zij. "We wonen in dezelfde provincie toch?.."
    – Een rode bus naderde in de verte. Ik had gehoopt dat hij niet zou komen, dat de vervoersmaatschappij failliet was, of dat de straat zo was opgebroken dat er helemaal geen verkeer mogelijk was.
    Ik wilde doen alsof de bus niet bestond, en tegelijk was.
    Alsjeblieft chauffeur, doet u of u ons niet opmerkt en rijd u door!
    Nomanie drukte zich nog even tegen mij aan, gaf twee kussen op beide wangen, en liep naar de halte. De bus naderde groot en voerde een kussen van warme lucht met zich mee. De geledingen van de smalle toegangsdeuren klapten open.. Alleen zij was passagier en zij klom met kleine treedjes de bus in.
    Ze wuifde nog achter een raampje. Ik zag haar gezicht dat voor het eerst toch anders stond dan ik van haar kende; nu opeens heel verdrietig.
    De bus was al verdwenen, toen ik nog nadenkend bij de halte bleef wachten. Net alsof zij snel spijt zou krijgen en ieder ogenblik kon terugkeren uit andere richting. Maar ik wist heel goed dat ik haar nooit meer zou zien. – Onze ontmoeting was zo broos en onbestendig gebleken, dat die laatste minuut er eigenlijk weinig meer toe deed. Het leek of Nomanie een droom was geweest en niet echt had bestaan.
    – Ik kreeg de neiging om recalcitrant om te keren en weg te lopen, – het gaf niet waar naartoe; iedere willekeurige bestemming zou genoeg zijn. Weg van alles moest ik nu, weg van hier.
    Ik ging terug, dwars door de zandwoestenij en over de steenhopen, terug naar het kleine, stoffige huis, met een gevoel of ik daar nooit meer vandaan zou kunnen.




Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en Renι Claessens