dinsdag 21 november 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Bernardus Adrianus Bakx - De Wandeling
Gepubliceerd op: 11-12-2014 Aantal woorden: 1373
Laatste wijziging: - Aantal views: 762
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

De Wandeling

Bernardus Adrianus Bakx


De Wandeling

Hoe vaak het mij niet is gebeurt, steeds heb ik die verdomde pech.
Ga ik net de deur uit, dan is het mooie weer toch weer weg.
Loop je daar in je veel te dunne shirtje, nog denkend aan de zon.
Begint het toch onverwacht te regenen, hoe of dat nou weer kon?

Maar goed, niet zeiken, we gaan gewoon weer door.
Je bent een Hollander, of niet toch, geen sappie uit een koor.
Na een kwartiertje lopen klaart het alweer op.
De zon begint weer te schijnen, en brandt op mijn kale kop.

Kom ik malle Henkie tegen, op de Rotterdammerbrug.
Zwaar schuddend van de drank, zeker niet nuchter, dat lijk me stug.
Al zo vroeg bezopen, Henk? Riep ik naar hem toe.
Ach, krijg de kolere, Ben, schalde Henk, rot naar je zootje toe.

Maar Henk maakt een valse schijnbeweging, en draait naar de leuning van de brug.
Zich niet meer in balans houdend, vloog hij over de rand, zo, dacht ik nog,
die zie je voorlopig niet meer terug.
Maar na enkele stappen verder gelopen, kreeg mijn geest het toch te kwaad.
Ik kon hem toch niet laten drijven, al was het niet mijn kameraad.

Ik keek over de leuning of ik hem nog zag, met water en alcohol in zijn hoofd.
Toen stapte ik uit mijn kleren, daar boven op die brug, ik moest hem maar gaan redden,
dat had ik mezelf al beloofd.
Al gauw stond ik daar voor schut, in mijn rooie onderbroek, hier had ik dus niet op gerekend.
Nam toen maar een fikse duik, met een grote boog de diepte in, dat ging goed, ja, zelfs uitstekend.

Na een meter of vier de diepte in, kreeg ik hem eindelijk te pakken.
Ik moest toen gauw naar boven toe, want ik begon al naar adem te snakken.
Malle Henkie schopte om zich heen, en was al aardig blauw getint.
Neem van mij maar aan dat hij dacht, hier in de hemel zijn ze me ook niet goed gezind.

Eindelijk boven, kwam hij een beetje bij, en begon stom naar me te staren.
Zeker verrast of zoiets, dat ze hem toch hebben willen sparen.
Kom op Henk, sta nu maar op en ga naar huis, dan kun je je wijf nog even pakken.
Dat heb je nu wel verdiend, bijna hadden ze je kist voorgoed laten zakken.

Hij maakte zich uit de voeten, nog steeds kankerend, en met een kater.
Ook ik ging maar weer eens huiswaarts, ik had genoeg van al dat water.
Zo zie je maar hoe zoiets kan gaan, zo volkomen onverwacht.
Ik hoop wel dat het nu verder droog blijft, en wat zal ik nu slapen, vannacht.

Dus eindelijk voor mijn voordeur beland, stak ik de sleutel in het slot.
Ik draaide naar links, en toen weer naar rechts, maar niets hielp, de deur wilde
niet open want het verdraaide slot was kapot.
Een vlaag van woede schoot vlammend door mijn lijf.
Ik werd boos en vloekte en tierde de hele omgeving stijf.

Waar had ik dat aan verdiend, om hier zo te staan.
Het werd inmiddels al donker, ik schreeuwde tegen de gele maan.
Hoe is het in godsnaam mogelijk, riep ik toen, hardop.
Ik wil naar binnen, want ik ben moe, en heb pijn in mijn kop.

Vanuit de telefooncel in de straat, belde ik toen de sleutelman.
Vroeg hem alsjeblieft gauw te komen, ja, je moet me helpen man.
Natuurlijk bleef er nu niets anders over, dan op die sleutellaar te wachten.
Dus gezeten op de stenen trap zat ik naar een koel drankje te smachten.

De sleutelman, een ervaren kerel, arriveerde gelukkig heel erg snel.
En na enige pogingen van proberen, deed dat verdomde slot het nu wel.
Eindelijk kon ik toen naar binnen, en viel uitgeput languit op de bank.
Toen rook ik ook mijn kleren, allemachtig, wat een stank.

Vooruit, dacht ik, ik zal me eerst maar eens even wassen.
Daarna, lekker schoon, maak ik voor mezelf wat lekkers te nassen.
Fluitend liep ik de slaapkamer in, en ontdeed mij van mijn goed.
Wierp een blik in de grote spiegel, godsamme zeg, wat een vuile snoet.

Ik draaide de warme kraan op volle kracht, met een beetje koud erbij.
Dit is het paradijs, dacht ik, en smakte toen op de grond, languit, boven op mijn zij.
Kreunend stond ik vloekend weer op, en wreef me over mijn pijnlijke vel.
Allemachtig man, geloof me, echt, dit was me het dagje wel.

Afgedroogd, toen aangekleed, en wat van de pijn bekomen.
Stond ik later, nog een beetje zwetend, boven het fornuis te stomen.
Vier joekels van eieren en een kilo spek, flikkerde ik in die koekenpan.
Nu even lekker hard doorbakken, dat wordt heerlijk smikkelen, man.

Met het door mij bereide maal, begaf ik me toen naar de tafel.
Neen, nu eens een keer geen brood, maar een lekkere Luikse wafel.
Ik besmeerde hem dik, met halfvette boter, en nam een hapje ei.
De hele boel schoot opeens door de lucht, want ik kreeg me toch een steek in mn zij.

De hele handel lag over de grond, mn kleed was naar de klote.
Die vette boel krijg ik er niet uit, dat was uitgesloten.
Diep getroffen draaide ik me om, en met een snoekduik dook ik in mn bed.
Een hevig gekrijs klonk er vanonder, heb toen ook nog de kat geplet.

Na zoveel pech en dat op n dag, begon de waanzin toe te slaan.
En nu nog steeds, in het gesticht, sta ik te roepen naar die gele maan.
Met medicamenten en drankjes, ben ik al die jaren volgepropt.
Toen, opeens, was het over, is mijn hart er eindelijk mee gestopt.

Ja, ja, voelde mij langzaam naar boven zweven.
O, dacht ik, zo gaat dat dus, het duurde echter maar heel even.
Toen was ik alweer op mijn plaats aangekomen.
Het leek er helemaal niet op, die plek, zoals in mijn enge dromen.

Alweer teleurgesteld, klopte ik aan de hemelpoort.
Een man, in een wit kleed, deed open, en keek heel erg gestoord.
Ik zal u zeker wel ergens mee moeten helpen, zei die vent.
Nou, kom maar binnen, ga zitten, en doe of je thuis bent.

Ik volgde zijn advies, en liet mij neer op een stoel.
Allemachtig, wat een herrie, het is hier ook een kloteboel.
Want overal en door elkaar, je kon zover niet kijken.
Zag je alleen maar kerels, met afgezakte broek, tegen bomen te zeiken.

Als dit het paradijs moest zijn, voel ik me echt wel bestolen.
Kwerd steeds kwader, en overstuur, en nam toen gauw de zolen.
Op weg naar beneden, vlug en snel naar mijn eigen land.
Verzon ik een vernietigend verhaal, en plaatste het in de krant.

Dat werd daarboven natuurlijk ook grif gelezen.
En ze namen het besluit, dat ik er nooit meer mocht wezen.
Zo erg vond ik dat nu ook weer niet.
Ik moest er in ieder geval niet om huilen, en had ook geen verdriet.

Want ineens kreeg ik een schitterend idee.
Ik zou me eerst bekeren, daar bene.
Dan kon ik weer naar boven gaan.
En zonder blikken of blozen voor de poort gaan staan.

Want lieten zij mij dan nog niet naar binnen lopen.
Dan kon je het maar beter vergeten, je te laten dopen.
Dan was ook dat weer bedrog en flauwe kul.
Dan is ook dat wijwater, een bedrieglijk spul.

Maar goed, ik heb het laten doen.
En van een non kreeg ik nog een enthousiaste zoen.
Die was diep getroffen door mijn goede wil.
Zodat ik haar stiekem een tik gaf, op haar linker bil.

Alweer aangekomen bij de poort.
Stond hij al open, ze hadden me ge- of verhoord.
Zonder bezwaar kon ik naar binnen lopen.
Geloof mij, echt, zonder zelfs een kaartje te kopen.

Leef nu hier, al een geruime tijd.
En, tot mijn verbazing, ik heb echt geen spijt.
Van al het goede dat wij hier samen delen.
Mag ik zeggen, ik kan het aanbevelen.

17-09-2000 Ben Bakx


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en Ren Claessens