vrijdag 21 september 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Het Station
Gepubliceerd op: 09-11-2014 Aantal woorden: 1540
Laatste wijziging: 08-05-2017 Aantal views: 984
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Het Station

Henk Gruys


De trein minderde vaart. Nu al op de plaats van bestemming? dacht Herman, en hij rekte zich naar het raam. Een klein onoverdekt station schoof traag langs. Hij keek nogmaals op zijn kaartje. Maar het stond er echt. – Sporck.
    Herman, achterin de twintig en verzamelaar van grammofoonplaten had op internet een aanbieding aangetroffen die hij graag zou willen hebben. Schappelijke prijs. Adres erbij. Via de computer bestellen was niet mogelijk want daarvoor ontbraken de gegevens; er stond zelfs geen telefoonnummer, alleen dat adres. – En dus besloot hij er de zaterdag heen te gaan.
    Hij zag geen mens op het station; niemand anders dan hij stapte uit. De trein trok weer op met zacht geloei en boog af naar de dorre velden alom. Het leek of de machinist bij wijze van service, alleen voor hem even was gestopt.

Vanuit het treinraampje was hem al opgevallen: de bleekgroene waas op het perron, die werd veroorzaakt doordat overal hoog en dun onkruid tussen de stenen was opgeschoten.
    Vervolgens shockeerde hem het vandalisme; de lieve jeugd bleek stevig te hebben huisgehouden. Alles wat kapot kon, was ook kapot. Sommige lantaarns waren geknakt alsof er auto's tegenaan waren gebotst, andere verroest of leeggesloopt; en nergens was meer een naambord te bekennen. – Op het perron kwam hij langs een laatste bouwsel, een voormalig wachthuisje, nu een miserabel hok, met graffiti bekliederd en vol vuilnis. Het stonk.
    Stilte en geen enkel leven; zelfs geen vogeltje floot. – Komt in deze afbraak en vuilstort wel eens iemand anders met de trein, dacht Herman.
    Nu goed, de Nederlandse Spoorwegen stopten er nog steeds. Hij liep nog om zich heen kijkend, het brokkelige trapje van het perron af, waarbij het hem niet ontging dat het bord UITGANG met vier kogels uit een vuurwapen doorboord was.

Hij begon zich niet geheel op zijn gemak te voelen. Hij zocht peinzend wat het dorp zou moeten zijn, maar dat in een overvloed aan struiken en geboomte aan het gezicht onttrokken was, alsof men zich daarachter expres schuil hield. Hij zag wel een soort weg; al mocht deze nauwelijks zo heten, – bij nader inzien meer een kuilige zandstrook, die het dorp min of meer omgaf.
    Hij vroeg zich af wat het er voor een zou zijn, die van die grammofoonplaten, om in deze vreselijke uithoek te wonen. Zonder twijfel zo'n alternatieveling. Aan de annonce op internet was niet veel bijzonders te merken geweest, die was alleen maar summier.
    Toen zag hij verderop een donker figuur bij een bromfiets, en het leek hem zinnig die maar even aan te spreken.
    De man was bezig een koffer achterop te binden en keek op toen hij Herman zag. Hij was misschien vijftig en had het vale uiterlijk van een verslaafde die zich wekenlang niet had geschoren. Herman zei: "Mag ik iets vragen? Hier is toch het kunstenaarsdorp Sporck? Ik moet zijn op Oudedijkje nr. 16. Kunt u mij vertellen waar dat is?"
    "Kunstenaars? Pffwah..." deed de sjofele man, "wie heeft jou dat wijsgemaakt? – Kunstemakers zal je bedoelen! – Waar kom je eigenlijk zo opeens vandaan?"
    Wat een bemoeienis, dacht Herman, en een beetje onwillig antwoordde hij: "Ik kwam zojuist met de trein."
    "De trein? Bestáát niet! Die stopt hier niet, al geen tien jaar meer. Dus geen onzin, vriend. Waar staat je wagen? "
    "Toch is het zo, tien minuten geleden, enneh..."
    "Wat moet je hier nou man? Ik zou maar gauw maken dat ik wegkwam als je geen gelazer wilt. En doe niet stom, ze hebben uitkijkposten en houden helemáál niet van pottekijkers bij hun akkefietjes."
    Herman dacht dat er een kans was dat deze man een grappenmaker was die hem in de maling nam om later een leuk verhaal te hebben bij zijn kornuiten. Hij aarzelde of hij niet met gelijke munt zou terugbetalen, maar de onverwachte situatie bracht hem toch tot enige behoedzaamheid.
    Hij besloot een andere tactiek te kiezen; bedankte de man vriendelijk en liep zonder omkijken naar het vervallen station terug. Hij zou daar wachten tot de brommerman eindelijk wegreed. En daarna zou hij toch maar even gaan zoeken achter de bomen en struikengordel van Sporck.
    Veel gebeurde er voorlopig niet. Een kwartier lang keek hij naar de troosteloze vernieling om zich heen.

In de verte zag hij een gele trein aankomen. Toen die dichtbij was, deed Herman een klein stapje naar voren, waarop de trein direct een ijselijk hard hoornsignaal afgaf, ongetwijfeld voor hem bestemd, waarna de trein op volle snelheid voorbij raasde.
    Niet alle treinen stopten hier blijkbaar. Een nogal bizarre situatie begon het te worden. Wat nu? De man op het zand startte eindelijk zijn motortje en tufte weg om de bocht. Bijna op hetzelfde moment kwam er een blauwe terreinwagen aanhotsen die langzaam reed alsof de bestuurder de weg kwijt was.
    Maar dat was het niet, dacht Herman; het ging om hčm; ze hadden hem opgemerkt! – Wie is dat en wat doet hij hier? – En vanaf nu hielden ze hem in de gaten wist hij.
    Iets zei hem dat het beste wat hij zou kunnen doen: wat de man had gezegd: onmiddellijk weggaan. Maar dan was zijn hele missie totaal mislukt. – Bálen was dat, niet alleen om de vergeefse reis, maar vooral ook omdat die bijzondere uitgave van The Rolling Stones dan zijn neus voorbij dreigde te gaan... Maar ho, zó gemakkelijk wilde hij zich toch niet gewonnen geven...
    De SUV was weer verdwenen om de bocht. – Nergens meer iemand te zien? Herman haastte zich over het zandpad, en verborg zich zo snelmogelijk in de struikenrand. Door het gebladerte ving hij een glimp op van een paar woonwagens. Maar na twee seconden hoorde hij de wagen weer terugkomen, nu snel achteruit rijdend. – En hij begreep... o o stom stom! Hij had zichzelf verraden! ze zagen hem niet meer bij het perron en concludeerden dat hij was weggelopen en zich ergens had verstopt!
    Twee donkergeklede figuren stapten uit. Herman hield zijn adem in, hij was zelfs bang dat ze het bonzen van zijn hart zouden horen. De twee liepen wat heen en weer, zwegen, maar schenen in gebaren te overleggen, keken langdurig in de struiken, waren vlakbij, dan weer wat verderop. Hij hoorde steeds hun voetstappen en geritsel van takken. Hij was bang te moeten niezen van het groene stuifmeel van de bomen. Of dat hij een niet te onderdrukken hoestbui zou krijgen.
    Maar ze zagen hem niet. Na een minuut of tien reden ze eindelijk weg, godzijdank. – Hierna twijfelde Herman niet langer, beangst als hij was geworden; hij moest hier onmiddellijk weg! Het stond hem vreselijk tegen om nog bij de woonwagens een kijkje te gaan nemen. Criminele drugs-, wapenhandel of illegale wietteelt leken hem het laatste ogenblik zeer dichtbij gekomen. Hij had hier niets meer te zoeken; het kunstenaarsdorp Sporck! – als er iets van die naam al bestond! Hij holde terug naar het kale station, waar net weer een trein voorbij stormde; – dat die doorreed verraste hem niet eens meer.
    Er leek hier in de buurt geen normale weg te lopen, maar hij wist dat de vorige treinhalte niet zo heel ver terug was. Al zou het misschien een uur lopen betekenen. En ook nog over het spoor, (wat streng verboden was).
    Hij sprong van het perron en begon zijn weg terug af te leggen.

Een kwartier lang ging voort hij tussen de verdroogde velden zonder dat er veel in de omgeving veranderde.
    Maar allengs begon het op te vallen dat de treinrails waarop hij liep er erg roestig uitzagen, het leek wel een goederenlijntje. En het werd nog erger; slierten onkruid schoten tussen de biels op, terwijl die steeds meer oud en verzakt leken. Hoe kon dit alles, vroeg hij zich gestadig af.
    En even verder raakte het traject definitief afgestorven; het hield gewoon op in het niemandsland.
    Herman voelde zich het zweet uitbreken; dit was onbestaanbaar, maar hoe hij ook keek: nergens lagen nog rails of dwarsliggers; niet meer dan een verhoogde berm was er nog van over. Het bracht hem zo in verwarring dat hij ineens geloofde dat hij nooit meer thuis zou komen.
    Maar toen kwam hem alsnog een trein tegemoet. Dit bestaat niet, zei hij bij zichzelf; ik verbeeld het mij! Dit is niet de echte werkelijkheid!
    Al deze kwalijke illusies zou hij, – nee móest hij – voor eens en altijd doorbreken! Nu!
    En hij ging geen stap opzij, ondanks het geluidssignaal en gegier van remmen, toen de trein op hem aanstormde en in een flits door hem heen schoot.



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens