zaterdag 21 juli 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Een getekende middag
Gepubliceerd op: 22-01-2014 Aantal woorden: 2713
Laatste wijziging: 24-01-2016 Aantal views: 1288
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Een getekende middag

Henk Gruys




Vlak na elkaar gooide de man twee bakstenen door de ruiten van de bovenverdieping. Vervolgens liep hij terug over het grasveldje en wierp een soort brandbom in de dakgoot: een kortstondig vuur dat vanzelf doofde. Het was een vrijstaand huis in een gewone, vrij brede, niet al te dure straat. De politieman keek nog steeds van enige afstand toe, maar maakte geen aanstalten. De man bleef verweesd voor het huis heen en weer lopen, of hij kookte van woede of huilde. – Woonde hij daar? Een kaki pak had hij aan en op zijn hoofd een Noors ijsmutsje, zwart of donkerblauw met wit. Hij bleef maar in de weer, gutste uit een oranje jerrycan een golf vloeistof tegen de gevel. Een grote vlam ontstond, die evenwel maar kort bleef branden.
    Ineens reed de witte politieauto met grote snelheid achteruit, met snerpend geluid van de versnelling, en stopte op de plaats waar de straat laanachtig werd door de bomen van een park. Misschien hoopten ze dat de man tot bedaren zou komen als ze bij zijn huis weggingen.
    Veel nieuwsgierige toekijkers waren er niet. Gebeurde er nog iets? De man zag ik niet meer, misschien was hij achter zijn huis iets aan het vernielen of in brand steken. De zon ging schuil achter dikke witte bewolking en de wind stak op. Ik wilde niet blijven; langzaam had ik het koud gekregen.

Ik liep het hele eind terug door de hoofdstraat. Ook in de stad leek het frisser dan anders, alsof de fonteinen bij de zwanen van het park voor de gelegenheid ijswater spoten. Op de hoek van de winkelstraat begon ik te twijfelen of ik wel genoeg geld had om eten te kopen, wat vervolgens weer een passend excuus leek om dat niet te doen. Honger had ik trouwens niet. Ik bleef vlug door stappen, in de hoop een beetje warm te worden.
    Door een korte tussengang vol geparkeerde auto's bereikte ik het plein met het stadhuis, een donker massief blok ruw behakte steen met roodwitte luiken bij de ramen. Er stonden een paar kraampjes en het was er tamelijk druk. Het kwam mij voor dat er iets onheilspellends in de lucht hing, iets benauwends; ik kreeg het middeleeuwse visioen dat er galgen op het plein stonden en het volk aanstonds zou toestromen voor de openbare terechtstelling van brandstichters en andere veroordeelden.

Mijn kennis zat op zijn vaste plaats op de bank, als altijd voor zich uit te staren; vaste gewoonte, kon niet missen. Hij had me niet zien aankomen; pas toen hij mij opmerkte draaide hij zich om.
    Zonder te groeten begon ik meteen:
    "Erwin, ik zit in de puree. Ik moet die wagen zo gauw mogelijk kwijt, jij zou zien of je iemand wist." Ik keek uit over het plein, niet naar hem, of ik eigenlijk niet veel zin had in een gesprek.
    "En dus... heb je al iemand gevonden?"
    "Nee."
    "Heb je dan wel goed genoeg gezocht?"
    Hij heeft natuurlijk helemaal niet gezocht. Ja, net doen alsof, – ja hoor ik zal kijken of ik iemand weet; hij heeft zogenaamd kennissen die overal verstand van hebben, ik geloof er niks van. Hij is veel te dik om in beweging te komen, moet je zien die buik. Te lui om zich in te spannen, en al helemaal voor een ander. Hij is natuurlijk narrig omdat ik niet beloofd heb: jij zoveel procent van de opbrengst. – Maar dat geld kan ik eenvoudig niet missen; (en zo'n deel gun ik hem eigenlijk ook niet).
    "Man, een stokoud ding, een oud karkas met roest over de hele linie en met een motor die moeilijk start of helemaal niet start. Eén brok ellende! Tegenwoordig kopen de mensen liever een prima occasion of nieuwe wagen. Zo is het toch? – Heb je al een advertentie gezet? Of geprobeerd op internet?"
    "Advertenties kosten alleen maar geld, dat weet je net zo goed, en ze worden nauwelijks gelezen. En internet, als je niet uitkijkt trek je daarmee alleen maar oplichters en halvegaren aan."
    "Schakel dan kennissen in, die weten meestal meer dan jij. Als je die niet hebt, moet je kennissen maken, zoveel mogelijk, altijd makkelijk. Men kan nu eenmaal niet buiten relaties in het leven. Niet zonder degenen die je met van alles en nog wat van nut kunnen zijn!"
    Net zulke kennissen als hij zeker. Ik ken bijna niemand in de stad, da's waar, dus zal verkoop door eigen activiteiten niet gauw een succes worden. Nog een veeg teken: geen garagebedrijf dat ik benaderde had serieuze belangstelling.
    Maar dat had ik hem vorige keer al verteld. Ik had opeens geen zin meer. Ik gaf hem een klap op de schouder en liep zonder groet weg.

Drie minuten later liep ik aan de overkant van het plein en sloeg de Souverijnstraat in, een sombere smalle goot zonder bomen, met lange rijen donkere, oude, gerenoveerde panden; je moet je hoofd in de nek leggen om een stukje hemel te zien. Voor een hoog huis met antieke voordeur belde ik aan; en precies op hetzelfde ogenblik werd er van binnenuit opengetrokken. Een man in donkere kleding kwam naar buiten. Ik glipte gauw door de deur, voorbereid op dat eeuwige gemopper dat iedereen op deze manier zo maar in huis kan komen. Maar de man was al om de hoek verdwenen zonder wat te zeggen. – Waarschijnlijk woonde hij hier niet.

Ik verkeer al de hele tijd in moeilijke omstandigheden. Donkere wolken hebben zich boven mijn financiële situatie samengetrokken, ik moet uitkijken niet uit mijn huis te worden gezet door de oplopende schulden. Is het dus vreemd dat ik door alle kilte en wanhoop geregeld uitkijk naar wat liefde? Al twee maanden heb ik een relatie met Elize, – sinds wij elkaar ontmoetten op een feestje bij kennissen. Beurtelings ben ik bij haar of zij bij mij. Living apart together. Nog steeds een lichtbaken in de sombere tijden. Alsjeblieft even rust, en geen gedoe.
    Twee trappen liep ik op, en drukte daarna op het belletje van een bekraste grijze huisdeur waarnaast enkele dichtgebonden vuilniszakken op een hoop lagen. Geen naambordje, want "zoiets kan best gevaarlijk zijn voor alleenwonende vrouwen" volgens Elize.

De deur ging open, en Elize liep meteen weer terug naar binnen toen ze mij had gezien, groette niet, maar bracht enkel een geluid voort dat klonk als mnn... Als altijd dezelfde kleren: vestje, lange zwarte broek. Het zwarte haar opgestoken.
    We liepen de huiskamer binnen waar het ook niet warm was en een muffe lucht van textiel, garens of oude naaikistjes hing. De lamp brandde, want het was er gauw donker. Stapels kleren die zij blijkbaar aan het opvouwen was, lagen op de eettafel. Ik ging zitten op de bank, terwijl zij verderop bij de tafel bleef. Het viel me op dat we elkaar niet hadden gekust en ik kon me vreemd genoeg niet herinneren wanneer dat de laatste keer was geweest.
    "Ik heb je al vijf dagen niet gezien," zei ik. Elize bukte en pakte van een stapel een doek of kledingstuk.
    "Vooral gisteren... " vervolgde ik. "Waarom ben je gisteren niet gekomen? Dat was nota bene mijn verjaardag! Ik heb de hele dag op je zitten wachten, en ik kon je vanwege de anderen die er waren niet komen halen. Pas later, – en toen bleek je niet eens thuis te zijn ook."
    "Verjaardagen zouden we toch niet meer vieren?"
    "Ja, maar onze eigen verjaardagen toch wel!"
    Verder haar zwijgen over dit onderwerp, niet onvriendelijk, maar neutraal, of zij vond dat het was afgedaan.
    Er bleef iets tussen ons in hangen in de vier of vijf meter die we van elkaar gescheiden waren, iets onbenoembaars dat mij niet aanstond. Ik wilde haar echter geen verwijten maken; ik zocht naar vragen, maar de woorden kwamen mij niet te binnen. Ik stond op liep langzaam op haar toe, legde mijn beide handen licht op haar schouders waarbij ik probeerde haar recht in de ogen te kijken. Maar ze leek hierover verwonderd, ontworstelde zich ongeveer aan mijn poging en deed een pas achteruit.
    "Wat is er nu ineens? Wil je me dan niet meer zien? Het afgelopen weekend was je ook al niet thuis. Alweer niet."
    Ze hield de blik afgewend en zei: "Ik wil alleen even rust, ik moet een tijdje rustig kunnen nadenken, een paar dagen, of paar weken..."
    "Nadenken..?" (Wat had dat te betekenen?)
    "Nu ja, ik ben van plan hier vandaan te gaan, van deze kamer af, het bevalt mij hier niet, bevalt me überhaupt niet in deze stad... En daarom wil ik weer bij mijn moeder gaan wonen."
    "Bij je moeder? Ga je terug naar je moeder in Wageningen? Werkelijk?"
    Ik moet een onthutste indruk hebben gemaakt; maar zolang ze geen verklaring gaf....
    "En dat vertel je me nu zo maar even? Luister, als je hier weg wil zal ik dat natuurlijk proberen te begrijpen en je helpen zoveel ik kan, maar dat hadden we toch eerst wel even kunnen bespreken? We hebben toch een relatie? Vind jij weggaan dan belangrijker?"
    "Ik weet niet wat ik moet antwoorden op die vragen. Maar wil je nu er alsjeblieft over ophouden en mij even rust te gunnen?"
    Het leek of ze wou zeggen dat zulke dingen nu eenmaal gebeuren en het het beste was als ik daar wat begrip voor had.

– Ik voelde mij onhandig; – tot eigen schande en nadeel, maar ik was door haar mededeling compleet overvallen en had de juiste tegenhouding niet kunnen vinden. Ik wist maar al te goed dat die aangekondigde verhuizing meer betekende voor ons samenzijn dan een simpele verplaatsing alleen. Zij moest hier al langer mee hebben rondgelopen.
    "Je houdt dus niet meer van mij?"
    "Jij hebt nergens schuld aan, echt niet, maar ik wil dat je me mij wat meer tijd geeft om na te denken... "
    Wat kon er gebeurd zijn, dacht ik, wat heb ik de laatste weken verkeerd gedaan? Ben ik de laatste tijd bezig geweest mijn eigen glazen in te gooien, zonder dat ik me daarvan bewust was? Ik keek steeds naar haar, volgde automatisch haar bewegingen terwijl ze met het textiel door de kamer liep en weer terug, kasten opende enzovoorts. – Er moest iets zijn voorgevallen... maar wat...
    Ik bleef nog een kwartier, zonder dat wij beiden veel zeiden; zij bij de tafel met de kleren en handdoeken en ik op de bank. Ik voelde mij lamgeslagen.
    Gaandeweg leek zij mijn aanwezigheid onprettig te vinden, door te zwijgen en mij niet meer van repliek te dienen, maar het kon net zo goed zijn dat ik mij dat inbeeldde.
    Ook ik zweeg tenslotte, door de onmacht nog in gesprek te geraken.
    Ten lange leste stond ik op, slaagde erin een lichte tegenzin te overwinnen en haar een vluchtige kus te geven; daarna liep ik zonder om te zien de deur uit en het portaal door.
   Mijn hersens tolden nog na terwijl ik de trappen afliep. Het faliekante einde dat ik in stilte wel eens had gefantaseerd, was waarheid geworden. Het einde van een liefde van twee maanden, – kortom van alles. Hoe was het mogelijk!
    Het zou toch niet... die man die daarnet de deur uitkwam... Maar dat leek onmogelijk. Mijn op hol geslagen fantasie. Er woonden meer mensen in die appartementen dan alleen zij.
    Haatte ik haar nu? Ik wist het niet. Het was een donker, leeg gevoel. Toch hield ik ook nog steeds van haar, dat wist ik zeker. Ja, nog steeds, en dat maakte het erger, veel erger.
    Maar afgelopen was het niettemin. Als een schuw dier glipte zij nu weg. Terug naar haar moeder. Ik had haar mijn liefde gegeven, eerlijk (– hóe kwetsbaar was dat...) en plotseling, nietsvermoedend werd ik in deze onverwachte ontwikkeling ondergedompeld. Ook al leek het niet dat er een ander in het spel was, – zij liet mij nu, adorabel als altijd, toch zomaar in de steek.
    Maar wat had ik dan moeten doen...
    Ik zag ons beiden weer, bij een zandpad aan een bosrand in Overijssel, de zon was nog niet onder, ik maakte een foto, en opeens kwam deze plaats mij zo mateloos eenzaam voor, zo eindeloos verlaten in dat late zonlicht, dat ik er bang van werd. Pas toen ik mij weer bij Elize had aangesloten, verdween dat. Ik gaf haar een arm, voelde de warmte van haar lichaam, en zij leek verrast door mijn gedrag.

In de straat, waar mijn auto naast de stoep stond met een papier TE KOOP achter de zijruiten, waardoor hij meer dan ooit een armoedige indruk maakte, waren twee jongetjes aan het voetballen. Opeens belandde hun bal van grote hoogte op het dak van mijn auto met een blikkerige klap en stuiterde daarna op de stoep voor mijn voeten. Misschien zat er nu een deuk in het dak, maar ik zei niets, gaf de bal rustig een schop terug naar de jongens die stonden te wachten.
    In huis gekomen, ging ik direct op het bed liggen. Alle deuren liet ik open. Een deken trok ik slordig over mij heen; nog steeds had ik het koud.
    Afgelopen was het. Onherstelbaar. Ik wilde niet meer denken, nergens aan. Maar ontelbare malen achtereen bleef deze laatste ontmoeting door mijn gedachten trekken.
    Er kwam na een half uur toch iets van een sluimering over mij. Vanonder de brug waarop ik stond zag ik drie zeer grote zwanen voorbij zwemmen. Ze waren van een verbijsterende witheid. "Kijk," zei Elize die naast mij stond, "ze hebben er genoeg van, van alles hier, die zwanen zoeken het open water, dat doen zwanen altijd."
    "Hoe kom je dáárbij?" vroeg ik, "jij hebt toch helemaal niet zoveel kennis van de natuur?"
    "Dat heb ik gelezen," zei ze. "Kijk daar maar."
    Ik zag dat het water inderdaad op een veel breder binnenmeer verderop aansloot. Opeens klapperden ze met hun vleugels alsof ze wilden opvliegen. Ze moesten geschrokken zijn omdat er langs de oever een man stond. Hij had een gebreid mutsje met Noors patroon, zwart of donkerblauw op zijn hoofd en een kaki pak aan. Opeens stapte hij plompverloren het water in. Dat was daar niet diep, het kwam niet hoger dan zijn onderbenen.
    Maar hij waadde verder en het reikte al gauw tot aan zijn borst. Wind was er niet, golfjes ontstonden alleen om hem heen. Al dat water deed me rillen van kou, maar hij liep weer onverstoorbaar door, steeds meer van de kant. Toen werd het zo diep dat alleen zijn Noorse hoofddeksel was te zien; zijn gezicht was al onder water verdwenen. Ik gaf een kreet om hem te waarschuwen, toen ik zag dat ook de top van zijn muts onder water was geraakt. Nog slechts een paar dikke, gekleurde luchtbellen dreven er. En daarna niets meer.
    Ik keerde mij half om naar Elize.
    Wat was zij veranderd! Haar gezicht vertoonde een maximum aan spierspanning, alsof ze een zeer zwaar gewicht moest optillen.
    Maar zij zei niets, hield zich afgewend en had de ogen dichtgeknepen. Zij leek het beklagenswaardige einde van de ongelukkige man niet te kunnen aanzien. Maar het kon ook zijn uit machteloosheid dat zij hem niet van zijn daad had kunnen weerhouden.




Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens