zondag 17 december 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Vakantieland - (slot)
Gepubliceerd op: 31-10-2013 Aantal woorden: 1650
Laatste wijziging: 03-11-2015 Aantal views: 1048
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Vakantieland - (slot)

Henk Gruys


Of hij heeft inderdaad een plan, maar wil dat nog niet prijsgeven; dat zou wel bij hem passen. Nu ja, ik zie wel. We bereiken langs dichtgegroeide struiken en zware bomen een krom pad, dat ik een paar keer bij mijn wandelingen ben tegengekomen, maar dan vanuit de andere richting. "Dit is korter dan de gewone route richting naar de duinen," legt Sees uit.
We lopen door de smalle doorgang. "Zeg h vertel es... hoe bevalt jullie vakantie tot nu toe? Tot tevredenheid? Mooie rustige omgeving?... zilte zeelucht?.. het is in ieder geval mooi weer, dat heb je mee."
Gebabbel in het luchtledige... Ik denk dat hij aanstonds met die ziekteverzekering op de proppen komt en gaat verordonneren dat ik hier zonder toestemming verblijf, en thuis had moeten blijven. Want dat is natuurlijk de bedoeling van deze expeditie. Maar het juiste moment acht hij nog niet aangebroken en daarom begint hij eerst een beetje rond te kletsen.
Sees wijst op een zijwaartse, smalle opening aan het eind van het pad, die we door moeten, en meteen staan we op een wijds, zanderig terrein in de hete zon. "Zo is dat," concludeert Sees tevreden.
Het terrein is nauwelijks golvend, oogt als platgewalst, met restanten van donker groeisel op de grond, en droog alsof het in geen maanden geregend heeft, maar zeer uitgestrekt, met verderop wat duinen en in het midden een smal zandpad naar de horizon
Maar het gekke is: ik herken dit niet. Helemaal niet.
Het is natuurlijk waar dat alles in het duingebied een beetje van elkaar heeft, met zand, verdroogd gras en struikjes, maar waar we ons nu bevinden, met deze horizonlijn en zo'n vlakke bodem, heb ik nog nooit gezien. Hoe kan dat? Ik kom hier al twee jaar, heb ontelbare wandelingen vlak in de buurt gemaakt en kan langzamerhand deze omgeving wel dromen. Normaal loop je van de camping in vijf minuten naar de zeereep, dat kan niet missen, en daar is alles inderdaad ook vrij kaal, maar dat lijkt toch geenszins op waar we nu zijn. Aan de zon te zien lopen we naar het westen; ik speur overal naar herkenningspunten, maar kan eigenlijk niets ontdekken. Wel een paar mensen, heel ver weg.
"Weet je wat eigenaardig is" zeg ik langzaam en nadenkend, "ik herken het hier helemaal niet! En ik ben in deze buurt toch vaak genoeg geweest; bijna elke dag. Hoe is dat mogelijk?"
Sees draait zich verstrooid om, en kijkt vluchtig om zich heen. "Echt? Ik zie er niks bijzonders aan," zegt hij. "ik herken het heel goed van toen ik hier gisteren was. En eergisteren."
Hij loopt weer door. Ik ga aarzelend op een meter of drie achter hem aan. Deze nieuwe omgeving is in zekere zin intrigerend. Al zou ik zelf liever even rechtsomkeert maken om de situatie te onderzoeken, te zien waar die volgens mij anders wordt. Ik vermoed dat het was nadat we dat pad met die doornstruiken in gegaan zijn, vijftig meter voorbij de camping. Toch lopen we door.
"Het lijkt hier allemaal een beetje op elkaar," vervolgt Sees luchtig. Je bent het gewoon vergeten, of toevallig nooit deze richting ingeslagen." Mijn vaststelling lijkt hem niet echt bezig te houden; alsof die ondergebracht dient te worden bij de foute conclusies die een mens wel eens meer trekt.
Ik moet toegeven dat ook mijn aanvankelijke verbazing een tikje overdreven lijkt; want waarom zou je je bekommeren om een stuk duingebied dat je even niet herkent? Misschien komt het wel doordat je toch minder bekend bent met het terrein, dan je dacht...
Voor Sees lijkt het afgedaan; hij schakelt weer over op babbeltoon: "Bevalt het je een beetje die twee weekjes aan de kust? Is het de vakantie die je verwachtte? Mooie bosrijke plek, rustige omgeving, mooi weer? Ja man, dat heb je soms nodig, in ieder geval minstens n keer per jaar. Want je was toch overspannen? Je bent bij de bank toch met ziekteverzuim? Dan kan zo'n vakantie mooi dienen om helemaal op te knappen, en ben je straks helemaal fris als je weer aan de slag gaat."
Zie je wel, denk ik, hij stuurt er op aan, duidelijk, het kan nu elk ogenblik gebeuren dat hij gaat zeggen: Luister eens, je bent tegen alle regels in van je werkgever en de officile ziektewet op vakantie gegaan; en daar heb je geen toestemming voor gekregen. Dat is onacceptabel, dat weet je donders goed!
Heeft Ilse hem soms verteld van het ziekteverzuim? Hoe kan hij dit anders weten? Het maakt mij op slag nog meer argwanend: ik moet er achter zien te komen waarom hij is bij ons gekomen en wat zijn rol is bij die verzekering.
Hij gaat er echter niet op door. Hij begint te keuvelen over Ilse die hij beweert nog te kennen van de middelbare school, een mededeling waarvan ik bijna zeker weet dat die gelogen is. Maar hij laat zich niet weerhouden en zegt met een lachje: "Ik ben nog even verliefd op haar geweest. Overigens zonder resultaten. Een leuke meid heb ik het altijd gevonden; jullie hebben het heel aardig met elkaar getroffen."

Wat mij bij dit uitgestrekte duinreservaat, dat ik heb leren kennen als vrij zuiver en schoon, begint te verbazen is dat het meer en meer het karakter krijgt van een afbraakland, een uitgedroogde vlakte, met iets desolaats. Een kaal, afgetrapt soort festivalterrein, met vellen papier, drinkbekertjes, folders, en patatresten in plastic bakjes die in de struiken zijn gewaaid.
"Het is opnieuw eigenaardig," zeg ik, "want stel dat ik mij daarstraks inderdaad vergist heb, of het me niet meer kon herinneren, maar moet je eens kijken hier wat een rommel! Waarom heb ik dit dan nooit gezien? Als er een festival geweest is, zo vlak bij ons in de buurt, met die mensenmassa en dreunende muziek ongetwijfeld; dan had ik dan toch moeten merken?"
"Och, zulke festivals organiseren ze hier in het seizoen regelmatig," zegt Sees afwezig. Hij vindt waarschijnlijk dat ik vreselijk aan het zeuren ben. Ik ga er maar niet op door. Ik heb overigens nog steeds geen idee waar hij naartoe wil gaan, zelfs niet of we wel ergens heen lopen. Toch lijkt het mij steeds of er iets van een bedoeling in de lucht hangt, een soort opdracht die aan Sees lijkt te kleven, iets dat boven ons ons mee beweegt als een factotum. En juist dt zou wel eens de reden kunnen zijn waarom we hier lopen! Precies! Sees heeft de taak mij ergens naartoe te brengen en daar wil hij niets over kwijt! Een ontvoering op klaarlichte dag! Maar dit weet ik wel: wat het ook mag zijn, wat ook zijn einddoel is: ik ga daar niet heen.
Vanuit de verte is er een soort afschutting van het terrein te zien, als een donkere, gebogen rij staketsels. Als we naderen blijken die uit marktkraampjes te bestaan. Er liggen nog restanten van koopwaar op de tafels. Er is geen mens te zien.
Sees is wat vlugger gaan lopen, alsof nu het einddoel van de wandeling in zicht is. Aan het eind van de kramenrij bevindt zich een groot, zwartachtig bouwsel een soort barak van een zeer onhuiselijke allure, gestut door een paar scheefgezakte, zwarte pilaren aan de voorkant, en afgedekt door een zwarte constructie van een bizar, onberekenbaar ontwerp.
"Ik moet hier even zijn..." zegt Sees, en loopt naar binnen. Nieuwsgierig, maar niet dan met grote aarzeling wil ik achter hem aangaan, maar blijf dan in de deur staan.
Binnen ziet het er nog afschrikwekkender uit: een tamelijk wijde ruimte met weinig licht; de vloer is n grote plak afval van platgetrapte blikjes, oude dienbladen en bierviltjes; de muren ogen niet beter, met voddenslierten, pannedeksels en verscheurde folders ertegenaan gekwakt. Dieper in het bouwsel zie ik bureaus en een balie, en achterin gaat de ruimte kennelijk nog veel verder.
Ik zie, tussen ijzeren bedden waarvan de verf is afgesleten, mannen en vrouwen in blauwe jassen rondlopen. Het is daar verderop een bende, met vuil beddegoed en lege verpakkingen van medicijnen overal.
Sees is binnen, ik zie hem bij de verplegers. Verdomd, had ik het toch goed dat hij niet te vertrouwen is! Met dat gluiperige smoelwerk. Dat was het dus! Een valstrik, opgezet om mij erin te luizen! Om mij in dit ellendige hol naar binnen te loodsen en aan die medische blauwe jassen uit te leveren en die mij met z'n allen aan een bed zullen vastsnoeren.
Opeens de stem van Sees, ver weg: "Kom mee, terug, misschien redden we het nog droog! O ja, morgen moet je je hier bij de verzekeringsarts melden. Niet vergeten!"
Hij draait zich om en wenkt dat ik moet voortmaken.
Kippevel ontstaat op mijn rug en armen. Een gevoel of ik was weggezonken. De onweersbui komt aanzetten over open veld. De omgeving is reeds vol van het weerlichten, en grote, platte regendruppels ploffen neer in het stof en slaan op de verdorde heidestruikjes.
Sees zie ik niet meer. Ik loop niet achter hem aan, maar blijf ostentatief midden op het veld achter, zelfs nu de onweersbui boven mij losbarst en de koude regenstralen over mij heen beginnen te storten. Ik weet niet meer wat ik moet doen.
Het wordt zo donker als is het nacht.



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en Ren Claessens