dinsdag 21 november 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Evelien - De Kinderen van Oodos (1)
Gepubliceerd op: 09-04-2004 Aantal woorden: 4932
Laatste wijziging: - Aantal views: 1513
Easy-print versie Aantal reacties: 2 reacties

De Kinderen van Oodos (1)

Evelien


In het verre begin, nog voor de zeeën spleten en land zich verder optrok naar het oppervlak, nog voor Oodos een naam kreeg en de eerste Sidde werden geboren, bestond er de Macht van Mhiska.
Eeuwenoude volksvertellingen, de eerste op schrift gestelde verhalen van de Sidde en Aardmannen, zeggen dat de Macht van Mhiska Oodos en zijn allereerste bewoners heeft geschapen.
Niemand weet dit zeker, vele geschriften zijn zoekgeraakt tijdens de Grote Oorlog en de wezens die in het begin Oodos bewoonden, zijn vrijwel allen verdwenen.
De Macht van Mhiska werd direct tijdens zijn ontstaan in twee delen gesplitst: het goede, Ifaa, en het kwade, Zorch.
Beiden waren in het begin nog pril en klein, maar met de eeuwen groeiden hun krachten.
Terwijl Ifaa Oodos bevolkte en ordende, bleef Zorch op de achtergrond om zich te sterkenen en op een dag Oodos volledig over te nemen.
Die dag verscheen, drieduizend jaren geleden, toen Zorchs troepen naar de hoofdsteden van Oodos marcheerden en de Grote Oorlog zich aandiende.
Duizenden bewoners werden gedood of vluchtten naar veiliger streken buiten de grenzen van het eens zo prachtige Oodos.
Hoewel Ifaa meer aanhangers had en een immens grote kracht bezat, groeide er in ieders hart een angst. Zolang Zorch niet volledig werd uitgeroeid zou Hij elke keer blijven groeien.
Hoe men ook vocht, oorlogen voerde en Zorchs aanhangers iedere keer stopte, iedereen wist dat Hij elke keer nieuwe kracht en energie vond om terug te keren.
En zo was het dat de zes grote heersers van Oodos na het einde van de Grote Oorlog besloten een ijskristal te vullen met alles dat Ifaa belichaamde.
Hoop, liefde, geluk, licht, alles dat positief en absoluut noodzakelijk is in het leven stopten zij in het ijskristal.
Daarop braken zij het kristal in drie stukken en verborgen het in de drie uithoeken van Oodos, opdat niemand het ooit zou vinden. Niemand behalve de Uitverkorene, het Kind van Oodos, dat zou worden geboren als Zorchs macht te groot werd om nog tegen te kunnen vechten. Het kind dat als enige zou zijn opgewassen tegen het Kwade en Oodos door de grootste oorlog aller tijden naar de overwinning zou leiden.
Eeuwenlang zocht menigeen naar de kristallen; ridders die ongekende moed wilden tonen en naar de meest gevaarlijke streken van Oodos trokken, koningen die met de kracht van Ifaa absolute macht wilden bezitten.
En Zorch zocht naar de kristallen, want de drie kristallen waren de enige die Hem er ooit van zou kunnen weerhouden Oodos te regeren.
Alles was tevergeefs, want de kristallen waren te goed verborgen.
Het leven ging door, Zorch groeide en Ifaa groeide en met de tijd werden de kristallen uit ieders gedachten vervaagd tot zij volledig waren vergeten…



Eerste hoofdstuk

Het was het jaar 3768 na de Grote Oorlog. Een jaar dat voor iedere bewoner van Oodos, ongeacht zijn goede of slechte aard, grootse veranderingen met zich mee zou brengen, al zou geen enkel wezen dit op dat moment beseffen.
Zorchs macht was gegroeid en werd sluipenderwijs te groot en te ongrijpbaar, zelfs voor de Magiërs en Sidde om nog langer tegen te vechten.
In het noordwesten van Oodos, voorbij de Gluciamoerassen, verzamelde zich een kracht, geleid door de zwarte Magiër Raijin, Zorchs Eerste Afgezant. Er gingen geruchten dat Raijin de moerassen al volledig in zijn bezit had en een leger voor Zorch creëerde. Dit waren slechts verhalen omdat men zich al in geen jaren meer in de moerassen had gewaagd. De volkeren die er eens hadden geleefd, waren naar het zuiden en oosten getrokken, naar de enige plekken waar men zeker wist veilig te zijn: ElSarron, Imundar en de Eeuwige Bergen.
Zij spraken over angstaanjagende wezens die naar de moerassen waren gekomen. Wezens die niemand ooit eerder had gezien en die al vele bewoners op gruwelijke wijze hadden gedood.
De angst voor Zorch die duizenden eeuwen geleden in de harten van de bevolking had gehuisd, keerde terug. Sidde en Aardlingen stuurden boodschappers en verkenningstroepen om zoveel mogelijk informatie te verzamelen, maar geen van hen keerde ooit terug en radeloosheid sloeg toe.
Hoewel de toekomst duister leek en men de hoop begon te verliezen, was bevrijding nabij. Slechts een klein aantal mensen wist wat er zich afspeelde in het kleien huisje aan de rand van Rolena, een klein dorp gelegen tussen de rivier Imynga en het Verboden Woud in het land Sárim.
Als men de profetie had gekend, had men het kunnen weten, want er was nog nooit eerder een nacht als deze geweest. De manen hadden nog nooit eerder zo vol en helder aan de hemel gestaan, terwijl regen en hagel onophoudelijk uit de wolkeloze lucht goot en de donder al het geluid overstemde.
Farya wist het wel. Als moeder wist zij dat het kind dat zij nu ter wereld zou brengen speciaal was. Ze had het altijd geweten, nog voor ze zeker wist zwanger te zijn. In de negen maanden dat dit kindje in haar buik groeide had ze het met haar leven beschermd.
Bowen had haar al meerdere malen verteld over de gevaren die deze geboorte met zich mee zou brengen. Zodra hun kind geboren zou zijn, zou het in levensgevaar zijn.
‘Hoor je de donnums?’
Bowen was plotseling naast haar verschenen. Geruisloos, zoals zijn manier was. Een manier die haar talloze keren had doen schrikken, maar haar ook altijd een veilig gevoel had gegeven. Hij was altijd bij haar, zelfs als ze hem niet opmerkte.
Farya knikte. Ze hoorde de donnums. Ze kwamen haar kind halen.
Bowen legde een arm om haar heen en voelde hoe ze trilde in zijn omhelzing. Ze was een moedige vrouw, hij begreep haar angst. Hij was zelf ook bang. Dit kind was alles dat hij ooit had gewild en nu zou hij het slechts één keer mogen aanraken.
Zorch wist nog niets, maar het zou slechts korte tijd duren voor Hij in de gaten kreeg dat Zijn grootste vijand geboren was. En dan zou Bowen moeten verdwijnen, om de aandacht van Farya en het kind af te leiden. Hij zou naar het zuiden reizen, naar de Eeuwige Bergen. Een reis vol gevaren die hem misschien zijn leven zou kunnen kosten. Maar hij zou zijn eigen leven opofferen om dat van zijn familie te redden. Zijn liefde voor Farya en dit kind zou hem sterk maken, zelfs na zijn dood, zodat hij over hen zou waken.
‘Ze komen hem halen,’ fluisterde Farya, haar stem klonk gesmoord door de stof van zijn mantel. Bowen schudde zijn hoofd en hield haar nog steviger vast.
‘Nee, mijn liefste. Alles komt goed. We krijgen een prachtig kind dat in geluk zal opgroeien met zijn moeder.’
Farya keek naar hem op. ‘Waarom laat je me alleen?’
‘Ik moet, lieveling. Als ik je niet verlaat zullen jij en het kind gevaar lopen.’
‘Ik wil niet alleen achterblijven.’
‘Je moet. Je moet sterk zijn, Farya. Je hebt me beloofd sterk te zijn, je moet nog even volhouden.’
En Farya knikte en veegde haar tranen weg. Ze keek op naar zijn knappe gezicht dat zelfs nu onverschrokken leek. Ze voelde zijn angst, even sterk als de hare, maar hij verborg het zo diep dat het voor niemand zichtbaar was.
De gedachten straks afscheid van hem te moeten nemen lag als een loden mantel op haar schouders. Een last die voor hen beiden te zwaar was, maar toch diende te worden gedragen.
Farya herinnerde zich nog zo goed hoe hun eerste blikken elkaar vingen, de eerste maal dat zij hem zag, daar voor het altaar. De man die zij had geprobeerd te haten had haar met slechts een enkele blik voor altijd in zijn hart gesloten.
Vanaf het moment dat haar moeder haar had verteld over de uithuwelijking tussen haar en de veelgeprezen Grote Magiër Bowen Dus-Nai, had Farya zo hard geprobeerd te ontsnappen aan dat lot. Nooit zou zij trouwen met iemand van wie zij niet hield en vanaf de eerste seconde dat het nieuws haar oren had bereikt, had zij getracht haar toekomstige echtgenoot te verafschuwen. Farya had zich Magiërs altijd voorgesteld als hooghartige wezens die met hun kennis en onsterfelijkheid het gewone volk vals behandelden.
Maar op de avond die zij met pijn in haar hart tegemoet had gezien, was die ongegronde haat als sneeuw voor de zon verdwenen. De zenuwen en het verdriet werden omgetoverd tot een zwevend gevoel dat haar al die jaren niet meer had verlaten, zodra Bowen haar blik had gevangen en haar had doen smelten met zijn zwarte ogen.
Onmogelijk had ze kunnen weten hoe wrang die ontmoeting nu na al die jaren zou eindigen.
Plotseling kromp Farya in elkaar. Linga, de vroedvrouw, kwam aangesneld om haar bij te staan. ‘Het is zover,’ fluisterde ze en ze duwde Bowen voorzichtig opzij. ‘Wacht u in de woonkamer op nieuws.’
‘Kan ik niet blijven?’
Linga schudde haar hoofd en wenkte de hulp om haar bij te staan. ‘Nee, ik zal u roepen zodra de bevalling voorbij is.’
En Bowen verliet de slaapkamer om zich bij Mong te voegen. Zodra hij de deur sloot liet hij een diepe zucht aan zijn lippen ontsnappen. Het viel hem zwaar tegen Farya te liegen en te doen alsof hij niet bang was. In werkelijkheid was hij doodsbang en het liefst zou hij in huilen uitbarsten en wensen dat dit allemaal niet gebeurde. Dat alles één grote nachtmerrie was.
‘Hoe gaat het met haar?’ vroeg Mong. Hij stond voor het grote raam; een klein, oud mannetje, nauwelijks één meter vijftig lang, met een baard die tot zijn knieën reikte. In zijn ene hand hield hij zijn staf, in zijn andere een grote beker zakney waarvan hij zo nu en dan nipte.
‘Ze is bang,’ antwoordde Bowen. ‘Net als ik. Het lijkt niet eerlijk dat deze taak ons is toegewezen.’
‘Niets lijkt eerlijk in het prille begin,’ glimlachte de oude Magiër. ‘Maar als de tijd daar is zul je begrijpen hoe belangrijk deze avond is. Voor jullie en heel Oodos. Wees niet langer bevreesd, mijn vriend. Het kind zal niet sterven. De tekenen zijn juist. Ik wilde het zelf eerst niet geloven, maar ik heb de boeken er duizenden malen op nagelezen en ik weet het nu zeker. Dit is het kind van de Profetie. Het kind waar wij al duizenden jaren op wachten... Kijk eens.’
Mong keek omhoog, naar de helder verlichte lucht. De donnums hadden het kleine huisje bereikt. Het waren er duizenden, misschien nog meer. De manen verdwenen achter de fladderende vleugels, de donder werd overstemd door het luide gekras van de zwarte vogels.
Boodschappers van de Dood. Ze waren er allemaal, wachtend tot het kind geboren was en ze het mee konden nemen, net als diens moeder.
Farya schreeuwde. Een ijselijke kreet die Bowen overeind deed springen. Mong hield hem tegen toen hij naar de slaapkamer wilde rennen. ‘Zij kunnen niet gestoord worden, Bowen.’
‘Maar ze gaat dood.’
Mong schudde zijn hoofd. ‘Ze gaat niet dood. Alles komt goed, je moet alleen geduld hebben. Kom, neem een glas zakney en laten wij wachten op nieuws.’
Bowen knikte met tegenzin. Hij volgde de oude Magiër naar de sofa.
‘Ik heb reeds vervoer klaarstaan in Rolena om Farya en het kind naar ElSarron te brengen zodra zij klaar zijn om te reizen. Koning Ismyan heeft mij meerdere malen verzekerd dat zij volledig veilig zullen zijn in ElSarron. ElSarron is de enige stad in Oodos waar Zorch hen niet kan deren. Op de Eeuwige Bergen na, maar de vochtige Aardlingburchten lijken mij niet geschikt voor een moeder en pasgeboren kind.’
Bowen kon niet lachen om Mongs poging tot humor. Hij maakte zich te veel zorgen.
‘Nou, heb je de spreuk gereed? Zodra je kind geboren is zal Zorch weten dat het er is, maar zolang je de beschermende woorden over het kind uitspreekt zal hij niet kunnen waarnemen wáár het is…’
‘Ja, alles is gereed.’
Bowen wist dat de beschermingsspreuk zijn kind en vrouw zouden beschermen, maar zodra hij de Macht van Mhiska aan zou roepen zou Zorch hém wel kunnen vinden. En dat was de reden dat Bowen moest vluchten. Hoe groter de afstand tussen hem en zijn familie zou zijn, des te veiliger zij waren. Wanneer het Kwade uiteindelijk zou beseffen dat Hij op een dwaalspoor was gebracht, zouden Farya en het kind al lang zijn vertrokken naar ElSarron, waar zij een nieuw leven zouden beginnen, in de veilige stad van de Sidde.
De bevalling duurde drie uur. Op het moment dat Linga de deur opende haalde Bowen opgelucht adem.
‘Hoe is het met haar? Kan ik naar haar toe? Hoe is het met de baby?’
Linga was een oude vrouw, ze had haar hele leven gewijd aan het op aarde brengen van kinderen en ze was de zenuwen en tientallen vragen van de vaders gewend. Echter deze keer sloot ze de deur en was haar gezicht niet opgelucht, maar zorgelijk.
‘Wat -… Wat is er gebeurd? Is er iets misgegaan?’ Dit maal was het Mong die de vragen stelde. Linga’s zwijgen baarde hem ernstige zorgen.
‘Irig natai usm lin-go,’ sprak Linga tegen Mong. ‘Burug day nie mok pralak to min fhasme.’
‘Wat is er aan de hand?’ Bowen voelde een pijnscheut door zijn borstkas trekken. Waarom vertelden ze niet wat er aan de hand was? Waarom spraken ze in Samáryn, de taal der Sidde, en niet in de spreektaal die hen allen bekend was?
Bowen weigerde langer te wachten en rukte de deur van de slaapkamer open. Een enorme last leek van zijn hart te vallen toen hij Farya zag, in het bed, met een glimlach op haar gezicht die hem direct al zijn zorgen deed vergeten.
‘Farya… Is alles in orde?’
Farya knikte en stak een hand naar hem uit die Bowen vastpakte en kuste. Hij zag dat ze volledig uitgeput was. Haar raspende adem was moeizaam en haar gezicht nog nat van het zweet, maar ze glimlachte.
‘Kijk toch eens,’ fluisterde ze en ze sloeg de deken weg. Bowen zakte naast zijn vrouw neer op het bed en keek naar het kleine kindje dat daar naast zijn moeder lag te slapen. Voorzichtig pakte hij de baby op om hem vast te houden.
‘Bij Ifaa...’ fluisterde hij zacht. ‘Hij is prachtig.’
Het gekras van de Donnums werd luider, het gefladder tegen de ruiten begon, maar er was niemand die het leek te horen. Voor dat korte moment was het of een sprookje werkelijkheid was geworden en of de hele wereld niet langer belangrijk was. Mong en Linga deden beiden behoedzaam een stap de slaapkamer in, beiden kijkend naar het gelukkige gezinnetje.
‘Laten we hem Argon noemen,’ fluisterde Farya. ‘Argon en Rafe.’
Bowen keek op, tegelijk met Mong toen ergens een zacht gekrijs klonk en Linga’s hulp de slaapkamer inliep met nog een baby.
‘Een tweeling,’ fluisterde Bowen. Hij keek Mong aan, de oude man was even geschrokken als hij. Een tweeling. Dat was niet voorspeld. Deze plotselinge ommezwaai schopte het hele plan danig in de war, Farya zou niet alleen op twee kinderen kunnen passen.
De krachten van een tweeling, een Mensentweeling, waren al uitermate sterk en deze twee baby’s waren geen sterfelijke kinderen, zij waren Magiërs. Een kracht als deze was door elke Magiër vanuit heel Oodos te voelen, een beschermingsspreuk kon hen niet aan dat lot doen ontsnappen.
‘Er zit maar één ding op,’ sprak Mong op fluisterende toon tegen Bowen. ‘Je moet één van de kinderen met je meenemen.’
‘Maar -’
Mong hief zijn hand. ‘Laat mij uitspreken. Er is geen andere mogelijkheid. Misschien kunnen we Zorch op deze manier toch op een dwaalspoor brengen. De kinderen mag niets overkomen, zij zijn de toekomst van Oodos en moeten op welke manier dan ook beschermd worden.’
Bowen luisterde zwijgend. Hij wist wat hij moest doen. Het was moeilijk, maar hij wist het. En het was tijd om te gaan.
‘We moeten gaan,’ fluisterde Bowen. Hij kuste Farya op haar voorhoofd. Dit zou moeilijk worden, voor heb beiden. ‘Ik neem Rafe mee.’
‘Waarom?’
‘Het is te gevaarlijk voor je om hen beiden bij je te houden, mijn liefste.’
‘Waarom, Bowen? Waarom nemen ze jou en mijn kinderen van me af?’
Farya’s radeloze gezicht vertrok van plotselinge woede. Zwak als zij was stond zij op van het bed, de blik van een bedreigde moeder verscheen in haar ogen. ‘Jullie nemen mij mijn kinderen niet af, horen jullie? Mijn echtgenoot zal mij verlaten, maar niet mijn kinderen! Nooit van mijn leven!’
‘Farya... Alsjeblieft, we hebben hier al zo vaak over gesproken. Ik neem Rafe mee en zal hem opvoeden zoals ik weet dat jij dat gedaan zou hebben. Hij zal niets tekort komen.’
‘Nee… Bowen...’
‘Ik hou van je, Farya. En onthoud, wat er ook gebeurt, hoe lang het ook duurt, ik zal op je wachten.’
Ze kusten elkaar nog een laatste maal voor Bowen de reiswieg met de baby erin van Linga overnam. Mong trok Bowen mee, er was geen tijd om te blijven. Ze wisten beiden dat Zorch nog slechts enkele seconden onwetend zou blijven. Snel zou Hij te horen krijgen dat het kind van de profetie, Zijn toekomstige vijand, was geboren en dan zou Hij de jacht inzetten.
Farya keek Bowen na toen hij het huis verliet om nooit meer terug te keren. Het volgende moment deed ze alle moeite om haar tranen tegen te houden. Ze moest sterk zijn, dat had ze Bowen beloofd.

‘Kan ik u helpen?’ vroeg Alma. Voor de zekerheid zette ze haar voet tegen de deur. Voor het huisje stond een goblin. Zijn rode ogen lichtten kwaadaardig op in het licht afkomstig van de kaarsen in het halletje. Alles aan zijn houding was dreigend en deed de oude werkster tot in het diepste van haar ziel rillen.
Iedereen wist dat goblins niet te vertrouwen waren. Hun grote, reptielachtige lichaam en smerige lichaamsgeur boezemde elk wezen van Ifaa angst in.
‘Wij komen voor heer Bowen,’ zei de goblin met een grijns van oor tot oor die waarschijnlijk voor een glimlach moest doorgaan. Zijn vlijmscherpe tanden deden dat gebaar echter terstond teniet. ‘Hij verwacht ons.’
‘Heer Bowen? Die is er op dit moment niet,’ zei Alma en het volgende moment kon zij zich wel voor haar hoofd slaan dat ze dat had gezegd. Er was niemand in huis om hen te beschermen. Behalve vrouwe Farya en de vroedvrouw was er geen wezen in het huisje aanwezig. Heer Bowen was een uur geleden lopend vertrokken naar Rolena waar men hem zou opwachten voor zijn reis naar de Eeuwige bergen en de bedienden waren water halen bij de bron enkele honderden meters verderop. Ze zouden nooit op tijd terug zijn, zelfs als ze de kreten van de oude vrouw konden horen.
De goblin knikte. Hij wenkte en er verschenen twee vuurdemonen achter hem. Ze grijnsden hun slagtanden bloot en Alma voelde haar hart naar haar keel schieten.
‘We komen u even gezelschap houden tot heer Bowen weer terug is.’
Alma wilde de deur dichtgooien, maar één van de vuurdemonen gooide er zijn volle gewicht tegen aan en het kleine vrouwtje werd de hal ingesmeten. Ze keek op naar de drie indringers die het huisje binnenliepen, onbevreesd en duidelijk uit op kwaadaardigheid en ongeluk.
‘Irishmaté, irishmaté!’ gilde Alma met alle kracht die ze had. Indringers!
Het volgende moment greep de goblin haar beet en brak haar nek met een krachtige beweging van enorme zijn arm.
Farya en Linga in het slaapvertrek keken beiden geschrokken op bij het horen van Alma’s gegil en het lawaai dat de drie mannen maakten terwijl ze het huisje doorzochten.
‘Ze hebben ons gevonden,’ fluisterde Farya en ze trok de baby dichter tegen zich aan.
Dat mocht niet! Niet nu Bowen net weg was. Er was niemand die hen kon beschermen.
De woorden van Mong en haar echtgenoot gonsden door haar hoofd terwijl zij uit alle macht probeerde te kalmeren. Argon was het belangrijkste, haar kind mocht niets overkomen. Hij had een grote taak te vervullen als toekomstige keizer van Oodos en hij moest koste wat kost beschermd worden.
Hoewel ijskoude vingers haar keel leken dicht te knijpen en angst haar hart bijna stil deed staan probeerde Farya zo helder mogelijk te denken.
‘Je moet weg…’ Farya greep de reiswieg met de baby en duwde hem in Linga’s armen.
‘Vrouwe…’
Farya schudde haar hoofd. ‘Neem Argon…’
‘Nee!’ De oude vrouw schudde haar hoofd, maar Farya wist dat het niet anders kon. Argon zou nooit veilig zijn bij haar, zoals Rafe ook nooit veilig zou zijn geweest bij haar. Haar leven was niet belangrijk, de baby was veel belangrijker.
‘Neem hem mee en zorg voor hem.’ Er liepen tranen over haar wangen toen Farya de baby nog een laatste maal kuste. ‘Ga!’
‘Maar vrouwe Farya…’
‘Alsjeblieft, Linga,’ fluisterde Farya en ze duwde de oude vrouw in de richting van de achterdeur. ‘Ga!’
En een enorme pijn in haar borst bracht haar ten val toen de vroedvrouw verdween en Farya wist dat haar hart bloedde. Er zat geen enkele kracht meer in haar lichaam toen de drie indringers de kamer binnenstormden. De goblin greep haar vast terwijl de twee vuurdemonen het hele huisje uitkamden.
Farya gilde, maar het enige dat het haar opleverde was een klap in haar gezicht. Ze stribbelde fel tegen en de goblin greep haar steviger beet en duwde haar op de grond. Ze voelde de zwarte krachten van Zorch diep in het lichaam van haar vijand en ze rilde.
‘De baby is weg,’ zei één van de vuurdemonen. Hij liep het slaapvertrek in.
‘Heb je overal gezocht?’ vroeg de goblin. Raijin zou hier niet blij mee zijn.
De beide vuurdemonen knikten en de goblin vloekte luid. Hij greep Farya opnieuw vast. Zijn adem, stinkend naar rotte vis, blies in haar gezicht en maakte dat zij zich nog nauwelijks kon bewegen. Pure doodsangst gierde door haar heen als een wervelstorm en bevroor haar gehele lichaam.
‘Waar zijn Bowen en de baby?’
Farya huilde. ‘Dat weet ik niet.’
De goblin legde een mes op haar keel. Het ijskoude lemmet sneed in haar huid. ‘Waar zijn ze, Farya?’
‘Ik weet het niet!’ Tranen van woede en machteloosheid rolden over haar trillende gezicht.
‘Je weet het wel,’ grijnsde de goblin. Hij liet het mes langs haar wang glijden waar het een diepe snee achterliet die direct begon te bloeden. Maar de warmte van haar bloed leek Farya niet uit haar roerloze roes te doen ontwaken.
‘Waar zijn ze?’ riep de goblin, woedend als hij was. Hij schudde haar nogmaals door elkaar.
‘Nee…’
Hij knikte. Hij duwde haar op de grond. ‘We vinden hem toch wel, waarom maak je het ons niet gewoon wat makkelijker?’

Het bos was zo dicht dat Bowen nauwelijks een meter voor zich uit kon kijken. De baby in zijn armen sliep rustig dankzij de spreuk die hij uit had gesproken. De voettocht door het Dodenbos was nog lang, pas over enkele uren zou hij in Rolena aankomen waar aldaar een rijtuig klaarstond om hen naar de Eeuwige Bergen te brengen.
Bowen hield even halt om naar het onschuldige mensje in zijn armen te kijken. Rafe had nog geen idee van wat voor belang hij was voor de mensheid en de wereld.
Het zou moeilijk worden zonder Farya verder te leven. Hij kende haar nog maar vijf jaar en het was of ze al zijn hele leven bij hem was geweest. Alsof hij al een heel leven met haar achter de rug had. Aanvankelijk had hij niet gedacht dat zij ooit nog zouden scheiden. Nu dit toch was gebeurd zag hij niet in hoe hij zonder haar verder moest.
Er klonken voetstappen, zo plotseling en vlak achter hem dat Bowen zich met een ruk omdraaide. In de duisternis die hem omringde kon hij niets of niemand onderscheiden, maar voelde de aanwezigheid van een ander vlakbij zich en hij drukte de reismand en de baby stevig tegen zich aan. Rafe sliep rustig door.
‘Wie is daar?’ riep Bowen voorzichtig. Hij wist dat het dom was te roepen, misschien was de ander een aanhanger van Zorch. Maar hij wilde kijken of hij werkelijk iemand had gehoord en dat het niet een verdwaald dier was dat per ongeluk zijn pad had gekruist.
Toen werd hij plotseling tegen de grond gesmeten en sloeg hij met zijn hoofd tegen de harde zandgrond.
‘Wel, wel, Bowen,’ glimlachte een stem vlakbij hem. Er vlogen fakkels aan en nu pas zag Bowen een hele stoet van goblins en vuurdemonen. Een man, gekleed in een mantel zo zwart als de nacht, verscheen vanuit de schaduwen. Bowen herkende hem meteen als Raijin, Zorchs Eerste Afgezant, die eens zijn beste vriend was geweest.
Raijin grijnsde en trok de reismand uit Bowens handen.
Bowen vloog overeind en sloot zijn ogen. Terwijl hij zijn aura richtte tot Ifaa, voelde hij Haar krachten in hem groeien. Hij riep Haar macht aan, trillend over zijn hele lichaam bij het warme en gloeiende gevoel dat dit hem bezorgde. Het was jaren geleden dat hij voor het laatst zoveel kracht had opgeroepen. Op het moment dat hij zijn ogen opende zag hij hoe de groep goblins en vuurdemonen terugweek.
Met een simpele zwaai van zijn arm smeet een onzichtbare kracht het gespuis tegen de grond.
‘Idioten!’ Raijins gepijnigde stem sneerde door de stille nacht. ‘Grijp hem!’
Zijn troepen kropen overeind en enkelen deden een uitval naar Bowen die hen met het grootste gemak van zich afweerde. Een vuurbal afkomstig uit de palm van zijn geopende hand raakte een viertal goblins die in een luttele seconde in brand vlogen. Krijsend zochten zij een veilig onderkomen terwijl hun kleding vlam vatte. De geur van brandend vlees vulde de lucht.
Bowen deed een nieuwe poging zichzelf te verdedigen toen drie vuurdemonen bovenop hem sprongen om hem tegen de grond te drukken. Schreeuwend wierp hij hen van zich af en maakte zich klaar voor een tweede aanval. Maar op het moment dat hij zijn hand hief werd zijn pols vastgegrepen zodat zijn hand bewegingloos in de lucht bleef hangen.
Bowen draaide zich met een ruk om en zag Raijins meesmuilende blik. ‘Ook ik heb veel geleerd in de afgelopen jaren, waarde vriend. Zorch is goed voor me geweest en heeft me gezegend met een grotere kracht dan jouw Ifaa je ooit zal kunnen schenken.’
Voor Bowen iets kon doen werd hij vastgegrepen door twee vuurdemonen. Hij probeerde zich los te rukken, maar het was tevergeefs. Hij voelde Zorchs duistere kracht tot diep in zijn ziel doordringen en hem volledig verlammen.
‘Het is een prachtig kind,’ fluisterde Raijin. Hij keek naar de baby in de reiswieg die wakker was geworden en nu rustig op zijn duimpje zoog.
‘Rafe,’ glimlachte hij. ‘Hallo Rafe. Weet je wie ik ben?’ De baby keek hem met grote zwarte ogen aan. ‘Ik ben je vader…’
‘Nee!’ Bowen probeerde zich opnieuw vrij te krijgen. Het enige effect dat dat had was dat hij door de twee vuurdemonen opnieuw tegen de grond werd gesmeten. Hij voelde ijskoude ketenen die om zijn polsen en enkels vast werden gezet.
Raijin grijnsde. ‘Oh, wees maar niet bang. Ik zal goed voor jouw -… herstel, mijn zoon zorgen, Bowen. Het kind van de Profetie zal opgroeien onder mijn vleugels en als hij groot is en de tijd rijp is, zal het me naar de kristallen leiden en zal de wereld mij toebehoren.’ En de Zwarte Magiër draaide zich om, klaar om weg te lopen toen hij zich nog een laatste maal naar Bowen omdraaide.
‘Oh, dat herinnert me. Ik heb nog een verrassing voor je,’ glimlachte hij. ‘Koill!’
Er verscheen een goblin vanachter de koets waarin Raijin klaarblijkelijk terug zou worden gebracht naar Niumgalad. Hij wenkte twee goblins die een lichaam met zich meedroegen.
‘Ik neem aan dat ik je niet voor hoef te stellen,’ vroeg Raijin. ‘Je herkent vast je eigen vrouw en moeder van je kind wel.’
De goblins legden het lichaam vlak bij hem neer en Bowen kroop naar haar toe. Adem leek in zijn keel te stokken, zijn hele lichaam schrijnde van plotselinge pijn toen hij Farya in zijn armen nam.
Haar lichaam was op veel plaatsen blauw van de kneuzingen en overal was bloed. Maar ze leefde, dank Ifaa dat ze nog leefde.
‘Farya…’
En ze opende haar ogen en glimlachte naar hem, maar haar blauwe kijkers stonden dof, niet langer levendig zoals ze eens waren geweest. Bijna alsof elk spoortje van leven uit haar was gezogen. Voorzichtig raakte ze zijn gezicht aan, liet een bloedveeg achter op zijn wang.
‘Farya, alsjeblieft… Blijf bij me…’
‘Ik blijf altijd bij je. Dat weet je toch?’ Farya’s stem klonk zo zacht dat hij zijn oor bij haar mond moest houden om haar te verstaan. Haar lichaam lag slap in zijn armen, er zat geen enkele kracht meer in haar handen toen hij die vastpakte.
‘Alsjeblieft, Farya…’
Ze sloot haar ogen opnieuw en Bowen schudde zijn hoofd en schudde haar opnieuw door elkaar. Er stonden tranen in zijn ogen en de omgeving leek gehuld te zijn in een dichte mist. Alles om hem heen verdween in een waas, alleen Farya in zijn armen zag hij nog.
‘Nee! Farya, blijf wakker! Blijf bij me!’
De greep van haar hand verslapte.
‘Farya! Niet opgeven! Blijf bij me! Farya!’
Hij voelde hoe haar hoofdje tegen zijn schouder viel en voelde haar laatste adem langs zijn hals strijken.
‘Farya…’
Maar ze antwoordde niet en alle geluiden verdwenen en de omgeving vervaagde en hij hoorde de woorden niet meer die Raijin sprak: ‘Dood hem.’


Iona @ 18-08-2009 15:34:26
wow, dit is zoooooooooooooo goed!!!
ik wil het vervolg lezen! Snel! schrijf!!!


Hobbitje @ 03-06-2004 19:48:01
Mooi hoor!



Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens