donderdag 23 november 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Intermezzo
Gepubliceerd op: 15-09-2012 Aantal woorden: 1274
Laatste wijziging: 06-11-2015 Aantal views: 1041
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Intermezzo

Henk Gruys


De trein


Ik fiets over een plein; naar het mij voorkomt in zuidoostelijke richting. De huizen langs de rand lijken scheef en ingedeukt voor zich uit te staren. Waar ik overheen fiets is eigenlijk meer een brokkelige plaat asfalt, schuin oplopend, die er uitziet als glimmend zwart ijs. Ik voel mij buitengewoon fit, vandaar dat ik zo'n snelheid kan ontwikkelen. Neerkijkend op het nikkel van mijn stuur race ik over de weg. Wat kost het weinig moeite deze activiteit te handhaven!
Ik bereik een minder breed gedeelte, – je kunt zeggen tegen mijn zin. Eigenlijk niet meer dan een oude, holle landweg, met grauw, bol gras aan weerskanten. Toch zie ik kans mijn snelheid te verhogen. –
    Er rijdt iemand voor mij: een man met een zwarte hoed die hij diep over de oren heeft getrokken. Hoewel ik hem maar kort kan opnemen, lijkt het of hij mijn voorbijkomen niet kan waarderen.
    – Dan nader ik een overweg. Alarmbellen, als zwammen gegroeid uit de roodwitte masten terzijde, bellen als gekken. Ik moet stoppen, want ieder ogenblik kan de trein voorbijrazen, en het risico van "even voorlangs" is niet mijn motto. De man zal mij door dit oponthoud inhalen, maar dat is niet te voorkomen.
    Een zware en bijzonder hoge trein passeert met een slakkegangetje. En het is vreemd, maar juist hier worden er handenvol jeneverglaasjes, limonadeflesjes, sinaasappelschillen en lege melkpakjes naar buiten gegooid. Ze stuiteren vooruit als voetzoekers in het gras. Gelukkig heb ik voldoende afstand om niet te worden geraakt.
    De man is naderbij gekomen. "Heb je gezien wie dat deed?" roept hij kwaad, wijzend op de glaasjes, terwijl de trein tergend langzaam voorbij dreunt als een kolos. "Die lui met die zwarte petjes! Die zijn er altijd. Daar moet jij een eind aan maken! Ik heb dit al vaak genoeg gemeld aan de Nederlandse Spoorwegen te Utrecht, maar die doen niks.En jij ook niet! Is dat niet schandalig?"
    "U hebt gelijk," roep ik boven het lawaai uit. – "Maar ik moet er weer vandoor! De nieuwe Hema," (ik wijs ergens), "wordt straks feestelijk geopend. En ik heb nog een heleboel werk te doen! Aju!"
    Als ik al een stuk verder ben, hoor ik de man nog schreeuwen. Ik heb geen zin om terug te gaan om hem tot kalmte te brengen.

Thuis
Zonder veel tussentijd bevind ik mij ik opeens voor een groot en donker pand in een straat. Mijn ouderlijk huis.
    Een autootje vol hiaten en uitbouwsels staat er onder een scheve hoek geparkeerd. Het lijkt een zelfgemaakte, deels van hout. Kan het wel rijden? dat moet haast wel. Ik gun mij geen tijd en laat mijn fiets omvallen tegen de gevel.
Als ik binnenkom is het er tamelijk vol, en het ziet blauw van de sigarettenrook. Iedereen is thuis; is het zondag? Er is een jongeman aanwezig, die blijkbaar zojuist iets heeft verkondigd. Hij is de enige die staat, heeft rode, pokdalig wangen, ontstoken oogranden en is gekleed in een roodbruin driedelig kostuum. Hij loopt direct op me af, met joviale blik. Maar ik mag doodvallen als ik weet wie het is.
    "Mijn beleggingen zijn de oerbasis van die hele rottroep en de beurs," orakelt hij, zich hierna weer richtend tot breder gehoor. "Dat is onafhankelijk vastgesteld door de Commissie Pleefiguur van de Hoogste Klerezooi te Leuven." – Het lijkt dat er niet een is die luistert.
    Terwijl hij praat komt een zwakke herinnering aan hem boven, maar om die definitief te maken ben ik te lui. Hij staat me trouwens tegen. Is ook niet belangrijk. – Ik hoor hem als hij het woord weer tot mij richt, met een half oor, en kijk intussen rond.
    Mijn vader, zusters en broers zijn thuis, zitten door de hele kamer, en demonstreren zoals gewoonlijk hun oplaaiende haatmeningen, die als verlepte guirlandes in de kamer blijven hangen.
    Het middelpunt is mijn vette, onsmakelijke broer. Hij hangt eerder dan hij zit, horizontaal. Hij heeft zwarte kleren aan; zijn voeten met smerige schoenen ongegeneerd over elkaar geslagen op de lage tafel voor hem. Zijn handen rustend op zijn dikke buik. Maar hij lijkt zich kostelijk te vermaken. Hij noemt de jongste zus een "aso gore slet". En zij kwettert verontwaardigd terug. Een heel verhaal, maar ik versta er niets van. Kan mij het ook schelen. Mijn broer blijft onverstoorbaar. Ik weet hoe hij is; het is bij hem "ikke, en de rest nog lang niet". Opeens ben ik weer buiten.

De bibliotheek
Ik weet absoluut niet meer waarom ik hier naartoe ben gegaan. Het moet een reden hebben... Maar het is een hiaat die me niet bezighoudt.–
    Van de bibliotheek moet men lid zijn. Natuurlijk ben ik dat. De oude leeszaal in het oude centrum, is binnen van antiek eikenhout, glanzend opgewreven met uiterst stinkende was. Ikzelf zit op een soort lange traptrede waarvan er maar een is, die loopt halfrond over de hele breedte door de zaal. Een open kratje staat voor me en ik blader in een boek. Maar van het gedrukte kan ik nauwelijks iets ontcijferen; kleine letters. Zou dat als ik hier vaker heen ging, beter gaan vraag ik me af.
    Veel andere lezers zijn er niet. Er lopen wel meisjes rond om de boeken uit de kasten te halen of ze er weer in te zetten. Je ziet ze op allerlei plaatsen bezig onder het schuine plafond. Er staan ladders voor de hoogste kasten, waarop ze staan; en er zijn houten, omhekte gaanderijen op twee- en driehoog, waarop weer andere meisjes op en neer lopen. En ze hebben allemaal vrij korte, geruite rokjes aan.
    Dat betekent: niet naar boven kijken. Dat wil je misschien wel, maar tegelijk ook weer niet. Dan denkt iedereen immers dat je nieuwsgierig bent naar hun benen... Dat is de reden waarom ik zo dat boek blijf bestuderen. Om de indruk weg te nemen dat ik zit te gluren! Want: ik ben een keurig iemand; en ik wil graag die indruk bestendigen.
    Achter een eiken tafel waar de kaartenbakken staan, hebben weer anderen plaatsgenomen, zij zijn de jongedames van de uitlening. Die hebben het met afstempelen van de kaartjes niet erg druk. Er schijnt er ook een jarig, want waarom anders die vlaggetjes en bloemen tussen die kaartenbakken?
    Vooral opvallend is het dat er zoveel flesjes op tafel staan, blauw van kleur. Dus bevatten ze water. En er wordt overvloedig gebruik van gemaakt, zodat het damestoilet verderop constant wordt bezocht. Op de deur ervan is een rood poppetje getekend, met een petticoat aan.
    Je ziet meisjes ernaartoe lopen, ongeduldig trappelend, de handen hoog tussen hun dijen, benauwde gezichtjes trekkend. Is er een binnen, dan staat de volgende alweer voor de deur.
    Toch blijven ze water drinken. Nu ik erop let zijn het steeds dezelfden in hun nood. Sommigen moeten wel drie keer in tien minuten. Straks loopt alles nog onder de deur door! Meisjes plassen in hoeveelheid toch al twee maal zoveel als jongens, zoals men weet.
    Het blijft echter allemaal keurig op orde, zonder overstroming.
    Ik staar in mijn boek omdat ik niets beters te doen heb. Zo wacht ik de sluitingstijd maar af. En straks ga ik ouderwets ruziemaken met mijn broer; daar verheug ik mij al op.




Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en Renι Claessens