zaterdag 22 september 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Manon - De straatwerksters
Gepubliceerd op: 13-06-2012 Aantal woorden: 1117
Laatste wijziging: 13-06-2012 Aantal views: 1991
Easy-print versie Aantal reacties: 2 reacties

De straatwerksters

Manon



Zorgvuldig ledig ik de brievenbus van Rosita, onze buurvrouw. Ik leg de post op haar tafel, sluit haar appartement af en stap vervolgens opgetogen de straat op met haar hond. Haar sleutelbos ligt nog in mijn hand. Heerlijk. Twee weken lang hebben mijn partner Mauranne en ik een witte poedel om te knuffelen, te aaien, en mee te gaan wandelen…

Gretig snuffelend toont Poesjkin me de weg. Opgewekt tolt Rosita's huissleutel rond mijn zwierende vinger. Hij glijdt weg.
De sleutel valt…
recht in een rioolputje!
Paniek.
De wereld is vergaan.

Wat er allemaal door het hoofd van een vrouw kan spoken terwijl ze zo hard rent als ze kan. ‘De hond… zal die dat wel kunnen, willen, dat harde rennen…’ Nou en of die dat wil. Hij rent nog harder dan ik!
‘Het is een unieke huissleutel, heel duur, niet na te maken misschien… Rosita blijft zeker veertien dagen weg. Hoe moeten we nu haar brievenbus leegmaken. Die zal overlopen van de post! En de planten, die moeten water krijgen! Als er iets gebeurt in haar appartement zullen we het zelfs niet weten. O, o, o, oooooo…’

Buiten adem kom ik thuis. In de traphal roep ik: ‘Mauranne! Mauranne! Mauraaaaaannnnneeee!!!’
Een hoofd verschijnt bovenaan de trap. ‘Manon? Wat is er?’
‘De sleutel! Van Rosita! Hij is een rioolputje gevallen!’
‘Maar…. Hoe heb je hem daarin laten vallen?’
‘Gewoon, hij viel. Help!!!!’
‘Je hoeft daarom zo niet in paniek te zijn. We halen hem er wel weer uit.’
‘Kan niet! Je kan er niet bij! Het is te diep! En die staven, daar geraak je niet door!’
‘Met een haak komen we er wel. Kom mee naar de garage, we gaan een vishaak maken.’

We rennen naar de garages. ‘Het is te laat! Die sleutels zijn al lang gezonken tot op de bodem!’ schreeuw ik.
‘Zo snel niet.’
‘Weet je hoeveel dat weegt! Ze zijn gezonken!’
‘Nee hoor, nog niet.’
‘En weggevloeid. Het is een riool! Alles stroomt weg.’
‘Er is geen wind en er is geen regen, dus blijven ze liggen. Kijk… die stok, die kunnen we gebruiken, ja?’ Ze gaat op zoek naar ijzerdraad. Ze draait de draad rond de stok en we zijn klaar om het te proberen.

Ondertussen kwispelt Poesjkin de hele tijd alert met zijn staartje. Leuk toch, die eerste wandeling. Al die heisa, al die vrouwen, al dat op en neer geloop. Van het appartement naar het putje, van het putje naar het appartement, van het appartement naar de garage. En nu weer op een drafje naar het rioolputje!

‘Je moet me wel tonen waar het was. Weet je nog welk rioolputje het was?’
‘Natuurlijk weet ik het nog.’
We lopen hard. Ik met Poesjkin en zij met de vishaak aan een stok.
‘Hier… hier was het…’
Ze blinken. Ze liggen er nog. Ze worden weerhouden van zinken door een laag vuil die nog niet in het water opgenomen is. Ik slaak een zucht van opluchting, een lange, eindeloze zucht die men zelfs na het moeilijkste examen nooit uit de longen zou kunnen persen. Alles lijkt opgelost.

Helaas, het begint pas. De vishaak moet de sleutelring nog te pakken krijgen. Mauranne zit gehurkt naast het rioolputje, als een echte straatwerkster. De vishaak gaat erin.
‘Het is even zoeken… wacht… het lukt wel… nog even… ja, ik heb hem.’
Oef!!!
‘O nee… hij is er weer afgegleden. Wacht, nu heb ik hem. Nee, hij glijdt weer weg. Wat is dat toch!’
De opluchting verdwijnt. Onrust verschijnt.
Nog enkele pogingen. De vishaak een beetje anders draaien. Steeds hetzelfde resultaat. Het is te glad. Het is wel mogelijk om de sleutelring rond de haak te krijgen, maar vervolgens glijdt hij telkens weer van de haak. En verplaatst zich als hij valt. Iets meer naar links. Naar daar waar de laag vuil stopt en het water begint.
Daar waar de sleutelbos zou zinken in het rioolwater.
Nu wordt zelfs Mauranne ongerust.

‘Ik zal het niet doen met de haak. Het is te gevaarlijk. Steeds verplaatst de sleutelbos zich iets meer naar links.’
Turen in de diepe donkerte toont hoe hopeloos de toekomst eruit ziet. Elke poging om de sleutels te redden brengt ze nader tot hun definitieve einde op de bodem van het riool. Ze lijken verloren.
Wat nu gebeurt is geen paniek. Het is een oneindig groot gevoel van ontmoediging en hulpeloosheid. Maar Mauranne is een onuitputtelijke bron van creativiteit en rust. Ze stroopt haar mouw op met de bedoeling haar arm door de staven van het putje te laten gaan, en de sleutels eenvoudig te nemen, met haar hand.

Helaas, de staven liggen te dicht bij elkaar. Haar arm kan er niet tussen.
Ik heb een smallere arm, maar slechtere ogen. Ik mag het dus niet proberen. ‘Kijk eens hoe dicht die sleutels nu al bij het water liggen,’ zegt Mauranne. ‘Als je één verkeerde beweging maakt, gaan ze onherroepelijk het diepe in. Daar krijgen we ze niet meer uit, zelfs niet met de langste stok.’
Ik heb geen dieptezicht en grijp altijd overal naast. Ze heeft gelijk. Ik durf niet. De sleutels liggen te blinken, maar er kan niets gebeuren.
De wereld is bevroren.

Behalve Mauranne. Zij heeft het systeem ontdekt waarmee het deksel van het rioolputje kan opengeklapt worden. Het is nog niet tot me doorgedrongen dat het deksel geopend is, of daar liggen de sleutels al, in haar hand. Het hyperactieve kwispelstaartje van Poesjkin omschrijft helemaal hoe ik me voel. Het onmogelijke is mogelijk. Wat een vreugde. Wat een blijheid!

Rioolputje sluiten. Naar huis om de sleutels te wassen. Stel je voor. Alles kan opnieuw beginnen, vanaf nul. We zullen niets zeggen aan Rosita. Helemaal niets! Anders vertrouwt ze me misschien nooit meer! We zullen zwijgen, en dan zullen we in de toekomst nog met Poesjkin kunnen gaan wandelen.
Als de sleutels gewassen zijn, kan Poesjkin zijn geluk niet op – we gaan nog eens op stap! Alweer!

‘Stop de sleutels voortaan wel in je jaszak, hé,’ zegt Mauranne tijdens de innige omhelzing van opluchting waar we onze blijdschap in uitleven.
Ik kan lachen om die waarschuwing. ‘Na zo’n les is dit echt niet nodig meer hoor.’
‘Nee, maar je moet ze voortaan wel altijd in je zak steken, hoor.’
Een verwittigde vrouw is er een heleboel waard, twee verwittigde vrouwen en een hond zijn een zorgeloos stel. Nog jarenlang hebben we samen door de straten van stad en bossen gedwaald, Mauranne, ik en de uitbundig vrolijke, lieve witte poedel Poesjkin.


(De naam van de buurvrouw in dit verhaal werd gewijzigd.)

Manon @ 24-06-2012 13:40:09



René @ 18-06-2012 11:20:41
Heerlijk hilarisch relaas.



Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens