woensdag 25 april 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Heidewitzka's Pogingen - Afl. 24 van 29
Gepubliceerd op: 05-12-2011 Aantal woorden: 2146
Laatste wijziging: 10-11-2015 Aantal views: 1190
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Heidewitzka's Pogingen - Afl. 24 van 29

Henk Gruys


Hij kwam uit zijn auto en liep verward en duizelend tot aan een roodwit lint dat tussen twee lantaarns was gespannen. Er stond een ambulance langs de kant, naast een beige stationcar. – Een ongeluk? hij was opeens zeer ongerust en wilde over het lint stappen. Maar een politieagent vloog op hem toe.
    "Meneer, terug! Wat krijgen we nou?" De agent, rijzig van postuur, en trok hem aan de arm weg, niet lettend op zijn bleekheid en transpirerende gezicht. Van Gesink mompelde: "Ik ben de vader," maar bleef toch achter de afzetting. Toen de agent constateerde dat hij zich rustig hield, liet hij hem los en ging hij zich weer met anderen bemoeien.
    Wat Van Gesink achter nieuwsgierigen zag, was een geopende paraplu, groter dan hij ooit had gezien, op z'n kant gelegd op de weg. Half eronder zaten twee mannen in witte overalls, die hurkend schenen te overleggen bij een aluminium koffer, gelijkend op de koffers die Mathilde voor haar uitrusting gebruikte; maar deze bevatte een paneel met lampjes, die brandden of knipperden.
    Uit de stationcar kwamen twee technici. "Het gaat gebeuren," zei een man in een vuile kiel die naast van Gesink stond; een machinist van een dragline of sloper van grote bouwwerken.
    "Wat gaat gebeuren?" vroeg Van Gesink ineens. Zijn gezicht drukte zoveel fanatisme uit dat het was of hij de man bij een verkeerd antwoord onmiddellijk naar de keel zou vliegen. De machinist week dan ook het eerste moment achteruit, maar keerde zich al gauw spotlachend naar de omstanders, terwijl hij Van Gesink wegduwde.
    "Ze gaan die toren opblazen," zei een huismoeder, die een opgerolde regenjas onder de arm hield, tot Van Gesink. "Voelt u zich niet goed? Rustig nu maar..."
    "Kalm vader," zei de machinist, terwijl hij hem beet greep en zijn arm op de rug klemde. Hij stonk afschuwelijk naar smeerolie en roest. "Wat wou je nou?!"
    "Er is misschien nog iemand daarin!" riep Van Gesink gesmoord en hij trachtte zich los te trekken; maar de machinist was oersterk; hij wilde bovendien bij de omstanders de indruk wegnemen dat hij daarstraks even was geschrokken. Hij probeerde nog Van Gesink in een worstelgreep op de grond krijgen, maar dat lukt toch niet. "Sodemieter nou eens op!" riep Van Gesink onder hem uit.
    De agent, gealarmeerd door het rumoer, was weer teruggekomen en baande zich een doorgang door het publiek. "Wat is er aan de hand?!" riep hij.
    "Dat mannetje was wat agressief agent," zei de machinist slijmerig, terwijl hij Van Gesinks arm verder op de rug draaide.
    "Agent neem alstjeblieft die klootzak mee," kreunde Van Gesink. "Heb je de politie nodig, dan helpen ze niet..." Maar zijn stem was verzwakt en zijn spieren raakten verlamd door zijn verzet.
    "Wat zegt hij nu," zei de agent wantrouwig, terwijl hij eigenlijk alweer had willen doorlopen nu hij zag dat Van Gesink in effectief bedwang werd gehouden.
    "Hij zegt dat er nog iemand in die toren kan zijn," zei de vrouw.
    "Da's onmogelijk," zei de agent resoluut. "Alles is gecontroleerd en de weg afgezet sinds vanmorgen zes uur. Die man is gek. Kletst maar wat. Ziet er niet uit als een verslaafde, zal dus wel bezopen wezen."
    De omstanders, altijd tuk op opstootjes en meligheid, hadden inmiddels hun aandacht verplaatst naar Van Gesink en diens onbehouwen bewaker. Er werd gegrinnikt en komische opmerkingen vlogen door de lucht.
    Van Gesink, gebruik makend van de verdeelde aandacht door al die praatjes, gaf de machinist een stomp en rukte zich los. Andere toeschouwers duwde hij krachtig opzij. Hij schoot naar de afzetting. "Hé!" riep hij naar de technici bij het schakelbord. "Hé! Nog even stoppen!" –
    De mannen draaiden hun hoofden om, maar het leek of ze niets hadden verstaan. De politieman pakte nu Van Gesink zo stevig vast, dat die zich nauwelijks kon verroeren. Er voegde zich ook een collega bij hem. Beiden hadden de grootste moeite Van Gesink in bedwang te houden.
    De hoofdtechnicus telde af; de vingers één voor één omhoog. Daar had hij de hand open. Een man drukte op een knop. Er was bij de toren een vonkachtig licht was te zien en er klonken zware bonzen of er op een reusachtige turkse trom werd geslagen. Van Gesink rukte zich los en holde dwars door de afzetting naar de paraplu. Zijn rechterarm stak hij beschuldigend naar voren. "Hé!" riep hij. "Hé!" Het losgeschoten lint wapperde om zijn borst.
    De toren was inmiddels omhuld door stof, alsof ze dat altijd had bevat in plaats van water. Ze zakte ze moedeloos ineen, met geluid van een onweer en onder zulke opwolkingen dat van de slotfase niets meer te zien was. De agenten werkten Van Gesink tegen de grond nog voordat hij de technicus had bereikt.
    Het gemurmel van het publiek mondde uit in een klaterend applaus, alsof ze dat voor de aanhouding van Van Gesink deden in plaats van voor de activiteiten van het schietbedrijf.
    Van Gesink was geen partij voor de sterke jonge mannen en toen ze merkten dat hij zijn verzet opgaf, gingen ze bovenop hem zitten. Vervolgens zetten ze hem in het natte gras langs de weg. Daar bleef hij zitten met de handen voor zijn ogen.
    Uit de ambulance kwamen twee ziekenbroeders met een brancard en na enige discussie met de agenten tilden ze hem daar voorzichtig op. Maar Van Gesink bleef rechtop en weigerde zich met riemen te laten vastsnoeren.
    "Belachelijk!" riep hij. "Belachelijk ja! Misschien wel een zelfmoordpoging! Maar jullie hebben me tegengehouden en luisteren niet!" Hij had hij het idee dat hij net zo goed kon zwijgen, omdat de agenten er weinig of niets van leken te begrijpen.
    Er waren meer nieuwsgierigen om hen heen komen staan, die op zijn woorden in een bulderend gelach uitbarstten. "Hij ging door het lint!" gierden ze.
    "Smoesjes!" zei de ene agent. Hij had zulke diepliggende ogen, dat het een wonder was dat hij nog iets van zijn omgeving onderscheidde. "We gaan met je naar het bureau voor de ademtest. Want dat is denk ik wel nodig."
    "Niks daarvan!" riep Van Gesink. "Zijn jullie nou belazerd! Ik heb niets gedronken! Ik wil onmiddellijk inspecteur Meyerink spreken! Bel hem op!"
    "Inspecteur Meyerink? Hoezo dan... Nu ja, met jouw kletspraatjes hebben we niks te maken. Het blaasapparaat is defect! Je bent aangehouden wegens verzet tegen de politie. We staan hier niet voor Janjeweetwel als je dat soms dacht!"
    Maar Van Gesink weigerde mee te werken, wilde niet op de brancard en sprong er af. De mannen van de ambulance stonden er onzeker bij, en wisten het ook niet. Na enige heen en weer gepraat mocht hij op de been blijven. Ze brachten hem wel, met steun onder de armen van de ziekendragers, de ambulance in en de agenten gingen verderop in de mobilofoon staan overleggen.
    Nadat hij door de ziekenauto op bureau Paardenstraat was afgeleverd, namen de agenten hem weer over. – Meyerink was niet aanwezig. – De aanklacht tegen Van Gesink wegens verzet bij aanhouding zou later aan de orde komen, zeiden de agenten, en Van Gesink zag er maar van af zelf een protest tegen de sterke arm in te dienen. Het was misschien beter een en ander niet op de spits te drijven omdat hij de politie nog nodig kon hebben.
    Een jonge agent tikte achter een beeldscherm alle de feiten over de verdwijning van Rosita op het procesverbaal in, benevens Van Gesinks verklaring over de gebeurtenissen bij de watertoren. Hij deed het resultaat door Van Gesink ondertekenen.
    Deze was voornamelijk verward en doodmoe van alle gedoe, en staarde meest doodsbleek door het kamertje, terwijl hij wachtte in het politiebureau. Hij kwam voorlopig niet tot bezinning. Hij zuchtte telkens. Zo mateloos beledigd en vernederd voelde hij zich door het gebeurde, dat hij even had overwogen in geen weken meer een woord tegen iemand te spreken.
    – Men liet door een werkster die met een bezem en een koffiekan door de gang liep, een taxi bellen om hem naar huis te brengen.
    Nadat de taxi na een half uur was gearriveerd, bleef hij op de achterbank voor zich uit zitten te staren, wat zijn bleekheid nog groter leek te maken in het vale licht dat door de getinte ramen van de auto naar binnenviel.
    Zodra hij in de Walfordstraat was aangekomen en hij zijn huis in was gegaan, viel hij direct zwaar op de canapé neer. Zelfs zijn modderige schoenen trok hij niet uit. Een paar uur verbleef hij er, liggend, starend, mompelend, tot het licht van de avond buiten bijna verdwenen was.
    De consequenties van het gebeuren drongen langzaam tot hem door. Hij wist niet meer wat hij ervan moest denken. Was dit het definitieve einde? Had Rosita een bizarre zelfmoord willen plegen?.. Het ene moment leek het hem enigszins plausibel, en dit volmaakt theatrale ervan typisch iets voor zijn dochter, maar het volgende dacht hij weer aan de grote onwaarschijnlijkheid van zoiets... Waarom in hemelsnaam zou ze hem die op zo'n rare wijze hebben willen mededelen?... Of dat het weer een grap was, en een wel zéér misselijke grap die ze met hem hadden uitgehaald. Afkomstig van haar? Of van Arnoud alleen, want die was de enige die van alle omstandigheden in het briefje genoemd op de hoogte kon zijn.
    Van zijn eigen opvallende gedrag tussen het publiek vanmiddag kreeg hij inmiddels wel een beetje spijt. Hij had zich beter dienen te beheersen. Al was het natuurlijk logisch dat hij zo had gereageerd. Wat had hij dan moeten doen? Rustig afwachten? Hij was door de onverwachte omstandigheden op het industrieterrein volkomen overvallen, omstandigheden die daarna volkomen met hem op de loop waren gegaan, en waartegen hij machteloos was gebleken.
    Tegen acht uur voelde hij zich voldoende gekalmeerd, (en ook iets minder ongerust), mede door inname van een paar glazen whisky, dat hij op de bus stapte naar Mathilde, want die wist nog niets van het briefje. – Maar zij was nog steeds niet thuis.

Hij sliep die nacht slecht en droomde raar en onsamenhangend, waarbij van alles gebeurde wat op Rosita betrekking had, en waar naar het scheen heel veel mensen een rol in speelden.
    – Maar toen hij de volgende ochtend wakker werd, sprong hij onmiddellijk zijn bed uit. Hij voelde zich merkwaardig genoeg fit en vol energie. Hij had al genoeg tijd verknoeid! Hij gunde zich bijna geen ogenblik om te ontbijten en nam zo gauw mogelijk de bus naar bureau Puppelweg om daar Rosita's epistel aan inspecteur Meyerink te overhandigen.
    Deze ontving hem in zijn werkkamer. Van Gesink overhandigde hem het briefje en legde uit wat er gistermiddag was gebeurd. Meyering las het kort, en verklaarde dat hij het allemaal wel erg onwaarschijnlijk vond. Dat alleen al door de veiligheidsmaatregelen die bij het slopen met explosieven vereist waren, het binnendringen van onbevoegde personen in zo'n project vrijwel uitgesloten was... En dan die "zij" die haar zouden hebben aangeraden contact met hem op te nemen, die waren zeker niet van de politie geweest, anders zouden die immers meteen weten waar zij uithing, enzovoorts. Een misplaatst grapje leek dus meer voor de hand liggend.
    Maar voor alle zekerheid zou hij opdracht geven de resten van de toren met een speurhond op menselijke resten – "sorry dat ik het zo moet zeggen" – te doorzoeken. Vonden ze niets, dan was dat stellig een zwaarwegend argument om niet meer in die richting te rechercheren.
    Meyerink leek in niets meer op de slome smeris die tijdens het boottochtje Van Gesinks geduld zo op de proef had gesteld. Om af te sluiten vroeg hij Van Gesink een specimen van het handschrift van zijn dochter, één waarvan hij zeker wist dat het van haar was, het liefst recent. "Die handschriften kan ik dan professioneel laten vergelijken, om alles uit te sluiten," zei Meyerink.
    Het briefje van Rosita legde hij in zijn postbakje bovenop een stapeltje andere papieren.
    Toen Van Gesink weer buiten liep, voelde hij zich merkwaardig opgelucht, terwijl daar toch eigenlijk geen enkele echte reden voor was te bedenken.
    Maar het had er in elk geval de schijn van dat de politie zich eindelijk, eindelijk, eens serieus met zijn probleem was gaan bemoeien, hoe dan ook.


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens