zondag 24 september 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Heidewitzka's Pogingen - Afl. 23 van 29
Gepubliceerd op: 04-12-2011 Aantal woorden: 2325
Laatste wijziging: 10-11-2015 Aantal views: 1550
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Heidewitzka's Pogingen - Afl. 23 van 29

Henk Gruys


Het voornemen om Bonzo's chopperclub met een bezoek te vereren, nam Van Gesink nog steeds zeer ernstig. Toch bracht hij het niet onmiddellijk tot uitvoering omdat hij niet wist hoe het voor elkaar te krijgen zonder de welwillende medewerking van Mathilde. Hij ging er over nadenken, ook omdat een geraffineerde, berekenende aanpak de kans op een gunstig resultaat aanzienlijk groter kon maken; bijvoorbeeld door eerst ook bij anderen essentiële informatie zien te bekomen. – En hoewel hij niet echt bang voor mogelijk geweld was, nam hij de waarschuwing over zijn veiligheid toch wel enigszins serieus.

Maar toen gebeurde er iets heel anders.
    Sommige ontwikkelingen verlopen zo merkwaardig en bizar, dat het achteraf wel lijkt of ze helemaal nooit zijn gebeurd.
    Twee dagen na zijn laatste bezoek aan Mathilde, 's morgens kwart voor elf; hij was net uit bed, vond Van Gesink een brief op de mat.
    Afzender: Rosita.
    Hij was totaal perplex, wilde meteen de envelop openscheuren, maar bedacht zich nog net op tijd.
    Want het bleef nu eenmaal een feit, dat men hem al zo vaak met een kluitje in het riet had gestuurd of voor de gek gehouden, dat ook dit heel goed een grap zou kunnen zijn. Van Arnoud misschien weer, en hij had er zo langzamerhand genoeg van zich alsmaar door deze te laten beetnemen, en dan nog telkens voor hetzelfde! – Dat gunde hij hem niet; hij zou zich voortaan anders opstellen en Arnouds flauwe aardigheden zouden van hem afglijden als water van een eendvogel.
    Hij bevond zich toevallig in de keuken, en met een schijnbaar achteloos gebaar mikte hij de brief in de pedaalemmer.

Maar na enige tijd kreeg de twijfel vanzelfsprekend toch de overhand. Want er telde ook nog dat zelfs het meest twijfelachtige levensteken van Rosita heel serieus moest worden genomen! Niet veronachtzamen dus; dat zou later een onherstelbare fout kunnen zijn! En àls het serieus was, dan wa het misschien de oplossing voor de narigheid die hem al zo lang bezighield.
    Hij viste de envelop weer tussen de plastic zakjes en theebladeren uit en wreef hem droog aan zijn broek. Ermee wapperend liep hij enige tijd heen en neer – om zich er vervolgens mee op de keukentafel te zetten. Trillend bleef hij de brief omdraaien tussen zijn vingers. Nog steeds durfde hij er nauwelijks in te geloven, hem bijna niet te bekijken, zo bang als hij was voor een nieuwe teleurstelling. Hij zag nergens adres afzender, alleen haar naam... Dat handschrift... het kòn van haar zijn, maar voor hetzelfde geld ook niet, – hij wist het niet... Aan het stempel was ook niets te ontlenen, want de (Nederlandse) frankeerzegel had de post ditmaal niet ongeldig gemaakt.
    Toen, ineens, met onverschillig gebaar als een plotselinge impuls, ritste hij hem open. Zijn hart bonsde.
    Er zat maar een enkel velletje in, van een gelinieerde blocnote afgescheurd. Er was geschreven:
    "Lieve Walter en Mathilde,
    Ik hoop dat jullie niet al te veel in ongerustheid hebben gezeten.Via via hoorde ik
    dat jullie naar me hebben gezocht. Jullie moeten je toch niet ongerust maken over
    mij, het is immers al de zoveelste keer dat ik weer eens "onderduik"!
    Ik moet bekennen dat ik alweer een heel klein tijdje in de stad verblijf. Het leven is
    een totaal ongerief, maar dat jullie je zulke zorgen maken, vind ik toch wel maf
    hoor! Ik lijk voor jullie wel een klein kind! En ik heb nog wel twee mooie, ja zelfs
    bijzonder fraaie ansichten uit België en Frankrijk gestuurd, zijn die dan niet
    aangekomen. Stomme PTT! Maar ze hebben me nu gezegd dat ik contact moest
    opnemen, ik zal het allemaal wel uit de doeken doen.
    Ik was eerder twee keer bij jullie thuis, ook op het Kerksplein,
    maar er was steeds niemand en ik had niets bij me om een
    briefje te schrijven, waar zitten jullie toch altijd? Dat moet nodig iets van mij
    zeggen!"


Van Gesink draaide het blaadje om.

    "Je zult straks zien dat het mij goed gaat, dus alles niet zo akelig
    zwaar opnemen en het vergeten. Het had beter gekund, dat geef
    ik toe. En niet meer klagen.
    Omdat je morgen jarig bent Walter! Kom vanmiddag om half
    een naar die watertoren op industrieterrein K. OM HALF EEN!! Niet later!! Ik heb een
    verrassing. Die toren is pas gerenoveerd en bovenin is een draaiend restaurant
    geopend waar de obers lekkere warme ballen hebben en er uitzicht is op de
    rivier en prachtige fabrieken eromheen,
    nu veel liefs.
    Je Rosita."


Van Gesink keerde het briefje nogmaals om en om. Het leek onmiskenbaar de stijl van zijn dochter... maar over het handschrift was hij veel minder zeker... te zwaar, te krachtig voor een vrouw, oordeelde hij.
    En ansichten uit Frankrijk? Dus toch Frankrijk? Dan was de droom die hij had, voorspellend geweest... al had hij dan ook geen enkele ansicht gezien en Mathilde vast ook niet. Het bleef een zeer vreemd verhaal, dat verblijf in de stad, die watertoren, waarvan hij steeds had aangenomen dat die binnenkort gesloopt zou worden... Maar misschien was dat niet zo. Dat hij morgen jarig was, klopte overigens wel.
    Geen huisadres... ook al verdacht. "Ze hebben gezegd dat ik contact op moest nemen." Wie waren dat, ze, de politie? – Als dat zo was, waarom had de politie dan geen contact opgenomen met hèm?..
    Hij wist per slot niet wat hij ervan denken moest. Toch weer Arnoud, dat bleef de grote vraag... Even kreeg hij een wonderlijk, maar kwaadaardig visioen. Rosita had het alweer een hele tijd goed gemaakt met Arnoud zonder dat hij, van Gesink, daarvan op de hoogte was. Vandaar dat gedoe steeds op industrieterrein K! En nu weer dit briefje, om hem dwars te zitten, te pesten en op afstand te kunnen uitlachen. – Maar vervolgens leek hem dat toch weer wat ver gezocht.
    In ieder geval moest hij in actie komen. Hij stond op van de tafel en liep zijn huiskamer binnen.
    Overal gordijnen half opengeschoven, jaloezieën scheef neergelaten, schemerlicht, dekens op de vloer, vuile kopjes op tafels en in vensterbanken, glazen, flessen en kleren overal. Ik ruimde ook niets meer op, dacht hij, en niet alleen omdat ik me te moe voelde. –
    Hij zette de telefoon op het bijzettafeltje en belde bureau Puppelweg. Maar er kwamen pieptonen uit de hoorn; het nummer was afgesloten of hij had het verkeerde te pakken. Hij ging in allerlei vodjes zoeken naar de juiste notering, maar kon die niet vinden. Hij keek op de klok; straks moet ik me nog haasten dacht hij. Toen kreeg hij een idee en keek op de telefoonkaart in de meterkast. Maar daar stond achter POLITIE precies hetzelfde nummer als hij had gedraaid. Nog maar eens proberen. Nu kreeg hij verbinding, een telefoniste.
    "Mag ik inspecteur Meyerink?"
    "Inspecteur Meyerink is vandaag niet aanwezig."
    "Geeft u me dan brigadier Tersluys."
    "Wie zegt u?"
    "Brigadier Tersluys! T...E...R..."
    "Die ken ik niet. Er werkt hier geen Tersluys. – Waarover wilde u die spreken?"
    "Het gaat over die verdwijning van mijn dochter."
    "Over dat soort zaken doen wij geen mededelingen over de telefoon, meneer, komt u naar het bureau."
    "Bedankt voor de medewerking."
    Net toen hij de hoorn weer had neergelegd bedacht hij dat brigadier Tersluys had gezegd op bureau Paardesteeg te werken; dat was hem even ontschoten. Maar nu had hij geen tijd meer om ernaar toe te gaan of te bellen, hij had ook niet zomaar dat nummer.
    – En zo moet ik nog voortmaken, half één, dacht hij... Hij kleedde zich voor het eerst sinds dagen weer normaal aan en schoor zich vliegensvlug. Daarna verliet hij het huis.
    Met de bus, die tergend lang op zich liet wachten, maar eindelijk kwam, reed hij naar de halte bij garage Mateman, alwaar zijn auto nog op dezelfde plaats stond als toen hij hem bracht.
    Hij vroeg niets, sprak geen woord tegen de chefmonteur die naar hem toekwam, meeliep zelfs; kroop in de wagen, startte en reed zo de deur uit, het voltallige garagepersoneel in ongeloof achterlatend. "Die wagen is nog niet klaar!" riep de chefmonteur hem na, "en houd er rekening mee dat je evengoed moet betalen! Wat zijn dat voor manieren!"
    In zijn haast botste Van Gesink bijna tegen een tankwagen die achteruitreed om benzine te lossen. Zonder problemen reed hij de straat uit, en zag na een paar hoeken te hebben omgeslagen een ander garagebedrijf, alwaar de monteur, een bleke jongen met bril, toezegde het euvel zo snel mogelijk te zullen herstellen.
    Daar kreeg hij ook een andere, weliswaar oude, maar zo te zien goed onderhouden auto te leen. Hij reed door druk verkeer meteen naar de grote kerk, parkeerde en liep naar het adres waar Mathilde haar kamer had.
    Maar ook op herhaaldelijk bellen werd niet opengedaan.
    Het was twaalf uur op zijn horloge toen hij terugliep naar zijn wagen, keerde en de richting insloeg van industrieterrein K.
    Iets verwachtingsvoller was zijn stemming inmiddels toch wel geworden, en zijn argwaan wat verminderd. Na maandenlange vergeefse moeite zou er een oplossing kunnen komen... Op zeker moment reed hij achter een bestelbus en het verbeterde zijn humeur nog meer toe hij het nummerbord zag: RH-21-VG. "Rosita Henrika Van Gesink, 21 jaar." Als dat geen gunstig voorteken was! – Dichterbij gekomen zag hij dat het nummer niet helemaal zo was, maar hij liet zich niet meer van de wijs brengen. Maar hij moest wel opschieten. Om half één! Niet later!! Dat wordt op het nippertje, dacht hij.
    Daar meende hij al voor de derde keer die rode stationcar te zien! Ja, daar was hij weer, dat kon geen toeval zijn, hij werd gevolgd. Dat waren natuurlijk die gangsters van garage Mateman die verhaal kwamen halen voor zijn volkomen gerechtvaardigde actie. – Wat was dat voor bedrijf; het had meer weg van een maffia-organisatie!
    Hij werd zenuwachtig, kreeg bijna een aanrijding bij een stoplicht. Toch zag hij kans de stationcar kwijt te raken door een rondje om een plein te rijden en een zijstraat in te slaan.
    Maar halverwege de rit raakte hij vast in een file en moest hij geruime tijd blijven staan. Van ongeduld sloeg hij af en toe op het stuur. Toen hij eindelijk door kon rijden, moest het langzaam, langs een veewagen met varkens, die was omgevallen; het houtwerk gebarsten en de zeilen gescheurd, waarbij veel varkens waren ontsnapt en een aantal verongelukt of door de politie neergeschoten. Op hopen lagen de dode dieren langs de kant. Inmiddels was het al twaalf over half een op zijn horloge.
    En hoezeer ook hij zich bij andere afspraken weinig gelegen liet liggen aan de tijd; ditmaal wilde hij niet te laat komen, omdat zij zou denken dat hij haar brief niet had ontvangen, of uit boosheid niet had willen komen. En dat zij dan na een tijdje weer weg zou gaan, – unieke kans op een ontmoeting verkeken...
    Maar goed, nu reed hij dan weer... Het was intussen al bijna één uur.

Pas toen hij bij industrieterrein K kwam bedacht hij dat die achtervolging net zo goed gezichtsbedrog kon zijn geweest en zijn wantrouwen tamelijk overdreven. Het kwam natuurlijk allemaal door de nervositeit en alle gedoe; daardoor ging een mens op zeker moment overal spoken zien... Steeds hoorde hij in zijn verbeelding dat stomme lied brullen van de motorrijder: "Geen afstand is vandaag een hindernis! Zolang er benzine in het tankie is!..."
    Hij zag intussen steeds meer volk op de weg; tientallen auto's stonden schots en scheef tussen het afval en de bouwvallen van de fabrieken. – Zou dat allemaal voor de opening van dat restaurant zijn, dacht hij, het is dan zeker toch waar. Wat een drukte!
    De geleende wagen begon nu ook kuren te vertonen, sloeg af, reed weer een stukje, sloeg weer af. Toen hij op de benzinemeter keek, zag hij de wijzer in het rode vakje staan. "Zolang er benzine in het tankie is..." Zijn hersens waren nog beurs; hij had dat niet eens gecontroleerd! – Maar hij reed nog... Langzaam stuurde hij voorbij de vemen, langs de binnenhaven, het toverkasteel van Arnoud en de goederenperrons van het spoor in de richting van de watertoren.
    Maar een paar honderd meter voor het gevaarte, dat aan het eind van de weg opschoot in de regenachtige lucht, was een politieafzetting die een grote groep kijkers op afstand hield.


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens