dinsdag 16 oktober 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Heidewitzka's Pogingen - Afl. 9 van 29
Gepubliceerd op: 20-11-2011 Aantal woorden: 2127
Laatste wijziging: 17-02-2015 Aantal views: 1342
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Heidewitzka's Pogingen - Afl. 9 van 29

Henk Gruys




Het weer was definitief opgeklaard. In lauwe zonneschijn kwam hij aan in Volendam. – Het beroemde Volendam! Lang was hij hier niet geweest. Het was op de dijk zo druk dat hij moest afstappen en naast zijn vervoermiddel lopen. Overal schoten vrolijke vakantiegangers hun fotorolletjes vol op als authentieke vissers verklede middenstanders. Touringcars vol zwaarlijvige Amerikanen misten bij het keren op een haar na de zonneschermen van de souvernirwinkels. Alom hing een exotische lucht van gerookte paling en vreemde valuta.
    Aan het eind van de dijk, naar Monnickendam, waar het minder druk was, sloeg hij een verkeerde weg in en moest hij terug.
    Hij kwam voorbij de wegsplitsing naar Marken. Van Gesink was hier geheel onbekend. Maar Uitdam was niet ver meer, antwoordde hem een man die een grote tv vervoerde op een driewieler.
    Het was inmiddels al bijna half zes toen hij, bevuild door modderspatten en met een pijnlijke wang, maar intussen geheel droog, aankwam bij Uitdam. De zon was gedaald en bescheen landerijen en huizen zo vredig dat het was of er helemaal geen noodweer was geweest, – ja of de brandende boerderijen de hemel juist definitief hadden opgehelderd.
    Hij zag niemand in Uitdam, zelfs op straat niet. Hoewel de gelukkige ontknoping van de zaak nu een kwestie van minuten kon zijn, verdween zijn avondmelancholie toch niet geheel. Hij kreeg een verlaten gevoel, waarvan hij meende dat het door het gelige zonlicht kwam, versterkt door het uur van de dag, in dit dorp waar hij nog nooit was geweest.
    Navraag bij een dikke huisvrouw, die met een boodschappentas aan de hand juist een tuinhekje in wilde gaan, leerde dat het adres Zeedijk nr. 54 hier eigenlijk niet bestond. "De Zeedijk loopt verderop," zei de vrouw," en er liggen alleen maar twee of drie boerderijen aan. Moet u niet in Volendam zijn of Edam? Daar is wel een Zeedijk."
    Hij staarde naar de ijzeren punten van het hekje, waarvan de vierde punt links was afgebroken; het leek of dat in zijn netvlies moest worden gebrand.
    "Dus hier kan het niet zijn?" vroeg hij ten overvloede, "die dijk is niet meer Uitdam?" alsof hij er over wilde nadenken. – "Ja dat nog wel," herhaalde de vrouw, "maar er is hier niet zo'n hoog nummer, vierenvijftig."
    Als hij het al niet had verwacht... Hij bedankte de vrouw vriendelijk, ging achterop zijn brommer zitten en keek enige tijd peinzend uit over de dorpsstraat van Uitdam. Dat hij ooit had gedacht dat het zo makkelijk zou zijn! Diep teleurgesteld voelde hij zich merkwaardig genoeg niet, eerder kalm en gelaten. En eigenlijk had hij het wel kunnen weten... Arnoudje had de kluit belazerd, hem deze onzin verteld alleen om aan geld te komen.
    De zon daalde achter de landerijen en het brede water van de Die. Wat een dag, mompelde hij weer. Hij stapte van de bromfiets. Tja, wat kon hij nog doen? Toch maar vragen of ze soms iemand kenden die onderdak bood aan een jonge vrouw uit de stad? Willekeurig? Bijvoorbeeld aan die man die met een bos touw om zijn middel de schoorsteen van zijn huis beklom?
    Of zou hij zomaar ergens aanbellen?... Had het nog zin? Belachelijk werd de hele operatie intussen natuurlijk wel... Nog een wonder dat hij die twee halvegaren niet voor de derde keer tegenkwam. Maar die schenen door de wegomlegging zijn spoor definitief bijster.
    Hij weifelde; ging hij terug naar huis, dan had hij het hele stuk, met alle problemen vandien, helemaal voor niets gereden... Hij trapte zijn brommer aan en reed lusteloos een stukje de dorpsstraat in.
    Het gehucht Uitdam. E้n weg, vijftig huizen, een paar boerderijen, het water, de dijk... Hoe zou het zijn als je hier woonde? Eenzaamheid het hele jaar? Ach welnee, binnen veertien dagen was je gewend. Wilde je nooit meer terug naar de stad met zijn herrie, stank, vuil en criminaliteit. Geen uitlaatgassen inademen, maar koeiestrontwalm! Wat wist een stadsmens eigenlijk van het platteland meer dan dat er "boeren" woonden? Stadsvooroordelen, onbenul, misplaatste superioriteitsgevoelens en nonsens allemaal... Gewoon een agrarische negorij was het, waar je je natuurlijk evengoed wel te pletter kon vervelen...
    Na nogmaals de dorpsstraat heen en terug te hebben gereden, stapte hij opnieuw af. Hij dwong zich er min of meer toe, omdat hij vond nog niet tot het uiterste te zijn gegaan met zijn speurwerk.
    Bij een huis waarvan de voordeur op een kier stond, klopte hij aan. Er kwam niemand tevoorschijn en er werd ook niet "binnen" geroepen. Hij ging op goed geluk het gangetje in, maar ook daar geen mens te zien. Hij klopte op een deur en kwam in een donkere huiskamer vol antieke tafels, stoelen en Delftsblauwe bloempotten. Ze zouden hier zo alles weg kunnen stelen, dacht hij. Het rook er naar geitenmelk. Nadat hij behoedzaam nog een deur was doorgegaan, kwam hij in een grote schuur waarin een oude lichtblauwe auto stond. "Volk!" riep hij twee keer. Maar er kwam nergens iemand te voorschijn.
    Wat nu? Bij een ander huis proberen? Toen stak vanaf de zolder een magere man even zijn hoofd door een luik. Van Gesink beklom een slappe ijzeren trap naar hem toe. De man die gekleed was in een manchester broek, vest en een flanellen overhemd, was op de zolder bezig met een hark hooi uiteen te halen. "Ik zoek iets," zei hij ernstig.
    "Ik ook," zei Van Gesink, maar de man ging daar niet op in. Hij bleef harken en onderwijl praten; hij vertelde dat zijn vrouw vanmiddag bij het hooi opsteken een gouden speld had verloren. – Sommige mensen hebben iets in hun optreden waarmee ze de indruk geven of ze je al jaren kennen, of je even kwam aanlopen voor een praatje, of om de mestvork te lenen.
    "Die speld heeft Roos hier verloren," herhaalde de man. Maar hij gaf de moed niet op, zei hij, want het was nog een aandenken aan haar moeder.
    "Een speld in een hooiberg, daar kan ik van meepraten..." zei Van Gesink. "Maar we laten ons niet kennen! Ik zal u daarom niet ophouden, en wens u veel succes." En hij daalde voorzichtig de ijzeren ladder weer af.
    Toen hij in de huiskamer kwam, was een vrouw bij een aanrecht een koffiezetapparaat aan het vullen. "Goedenavond mevrouw," zei hij, "ik moest uw man even spreken en ik ben maar doorgelopen."
    "Dat is mogelijk," zei de vrouw achteloos en ging verder met koffiezetten. Misschien dacht ze dat hij een nieuwe buurman was die kwam vragen of iemand even kon helpen bij de verhuizing.
    "Goedenavond mevrouw," zei hij en stapte de deur weer uit.
    Hij startte direct de bromfiets en reed terug naar de dijk. – Ineens had hij geen zin meer om naar huis te gaan, uitgeput als hij zich voelde. Honger had hij niet, hoewel hij sinds vanmorgen elf uur niets meer had gegeten – maar dorst des te meer, en hij had er niet aan gedacht iets te drinken mee te nemen. Ik ga eerst een uurtje uitrusten aan de dijk voor ik terugga, dacht hij.

Maar toen kreeg hij een beter idee. Hij reed terug naar Monnickendam en kocht bij een kleine slijterij die nog open was een platte fles whisky. Daarna reed hij terug tot hij buiten de bebouwing een geschikt plekje aan de dijk vond. Hij sleepte zijn brommer met draaiende motor langs een koeiepaadje de helling op en parkeerde hem bovenaan in het gras. De motor zette hij af. – Stilte, die direct werd opgevuld door het zacht klotsen van het water beneden.
    Om zich heen enige vlierstruiken en voor zich het wijde uitzicht, met in de verte een paar witte zeilscheepjes en een stil liggende zwarte aak. Beneden op de weg was geen mens te zien.
    Hij ging zitten in het gras met schapekeutels en keek uit over de binnenzee die zachtjes tegen de keien spoelde en eruitzag als afwaswater.
    Hij schroefde nadenkend de dop van de fles en nam een slok, intussen steeds kijkend naar het eeuwig rusteloze gekabbel. Hoe kwam het water zo grijs? Was het zo smerig, of was er alleen maar zand in opgewolkt? De horizon was een kaarsrechte lijn, plaatselijk opgehoogd door een dunne streep land in de verte.
    Eenden dreven op de golfjes, en een paar late meeuwen scheerden laag. De whisky smaakte op een of andere manier anders dan thuis, of moest je zeggen binnenskamers, uit een glaasje. Eindelijk een klein beetje vrede na al die ongein van vandaag. Hij had eigenlijk wel een rol koeken kunnen kopen of een baal zoutjes. Hoe lang zou het zijn, het rijden naar huis?
    Drinkend en nadenkend bleef hij zitten, terwijl de zon, schuin achter hem steeds lager zonk.
    Hoe het nu verder moest wist hij niet. De kansen op een spoedig weerzien waren sinds vanavond sterk geslonken, of liever gezegd: weer op het oude niveau teruggekeerd...
    Meer en meer de laatste tijd had hij het gevoel dat niet hijzelf, maar de omstandigheden het waren die zijn leven bepaalden, nu zijn eigen inspanningen alle zonder succes bleven. Dat was toch om mismoedig te geraken. Het was al met al een faliekante sofdag geweest. Hij overdacht zijn rit, die hij eigenlijk slecht had voorbereid, de gangsters in de Opel, de citroenhagel, de zwartgeblakerde mensen, de speld in de hooiberg... Vervolgens de ontmoetingen van gistermiddag: Arnoud, en Mathilde met haar zonnebril...
    Maar langzaamaan leek hem of hij dit alles niet zozeer had meegemaakt, maar dat het hem op een bijzondere manier was meegedeeld. Dat hij het slechts had gedroomd op een zachte avond en zich er eigenlijk niet veel meer van behoefde aan te trekken.

Pas toen de zon de horizon naderde, schrok hij op. Zou hij in het donker de weg nog terug kunnen vinden? waar hij er op de heenweg al zo'n moeite mee had... Ik kan verdwalen middenin de nacht, of zonder benzine komen te staan op een verlaten landweg in onbekend gebied...
    Ik ben zo ongeveer dronken; als ik terugrijd heb ik de kans een ongeluk te krijgen of te veroorzaken, hetgeen op hetzelfde neerkomt. Hier zit ik, minstens vijftig kilometer van huis, met een maag vol whisky. Ik zou vandaag niet drinken, geen druppel. En wat voor geldig excuus had ik eigenlijk om dat principe te verlaten...
    Hij kon het beste zijn brommer hier gewoon laten staan, en met de bus gaan. Hem bij die lantaarnpaal achterlaten. – Of nee, dan konden kleine jongens hem vinden, erop rijden en een ongeluk krijgen. Of opgeschoten tieners zouden ermee crossen of hem in brand steken. Dat hij hen daartoe gelegenheid gaf, leek iets zeer onzedelijks, ook ten opzichte van dit sympatieke vervoermiddel. –
    "Dan kan ik dat net zo goed zelf doen." In zijn broekzak tastte hij naar lucifers. Hij liep naar de brommer en bekeek hem voor de laatste maal.
    – Vaarwel trouwe machine! Een verder leven is je niet beschoren! Maar toen moest hij denken aan de boerderijbrand en stopte de lucifers weer in zijn zak. Hij bukte, draaide de benzinekraan open en trapte de motor aan. Bij uitzondering sloeg deze al bij de eerste poging aan.
    Hij zette hem haaks op de dijk met het voorwiel naar het water, ontkoppelde en schakelde in de eerste versnelling. Daarna liet hij de koppeling los.
    De brommer reed prachtig rechtop de dijk af, hobbelde nog even over het basalt, viel toen met een zachte plons om in het water en was verdwenen.
    Stilte. Hij raapte de lege whiskyfles op en smeet die erachteraan, als een soort verlate doop. Daarna sloeg hij zich het denkbeeldige stof van de handen.
    Het leek of hij met dit ritueel de hele kwalijke dag uit zijn leven had verwijderd. En met een gevoel van overwinning op zichzelf – omdat hij de beslissing niet te rijden toch maar had genomen – had k๙nnen nemen, – liep hij een kilometer naar een buitenwijk van Monnickendam, waar hij bij het eerste gele bordje van een bushalte ging staan wachten.
    Het werd al schemerig. In de huizen van de lichtgrijze nieuwbouw brandden lichtjes, heel vredig achter vensters met kleurige gordijntjes.
(Wordt vervolgd).



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en Ren้ Claessens