zaterdag 21 juli 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Heidewitzka's Pogingen - Afl. 7 van 29
Gepubliceerd op: 18-11-2011 Aantal woorden: 2284
Laatste wijziging: 08-02-2015 Aantal views: 1206
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Heidewitzka's Pogingen - Afl. 7 van 29

Henk Gruys


H O O F D S T U K D R I E



Van Gesink was niet bepaald vroeg de volgende ochtend. Het was al half twaalf toen hij de HMW de bijkeuken uitreed. Vol goede moed was hij niettemin. Banden opgepompt...
N i e t s  v e r g e t e n ?
Hij vond wel dat hij even moest controleren of er benzine genoeg was en schroefde de dop los. In de tank kon hij geen spiegeling ontwaren, maar als hij de brommer schudde, klotste het en dat leek voldoende. Bagage nam hij niet mee; hij zou niet weten welke. Wel had hij als voorzorg de bougiesleutel van de auto met een ruw touwtje op de drager gebonden.
De verzekeringspolis had hij helemaal niet meer kunnen vinden. Als hij aangehouden werd, zou hij zich er wel uitkletsen, daarvan was hij overtuigd. Het werd prachtig weer, en dan ging immers altijd alles goed.
Hij had sinds gisteren geen druppel meer gedronken en was stellig van plan zijn voornemen gestand te doen. "Een drankprobleem heb ik immers niet. Nooit gehad. En ik weet zeker dat ik die grens ook niet zal overschrijden."
Hij sloot zijn huis af en reed zijn vervoermiddel naar de straat, kijkend of niemand van de buren hem gadesloeg vanachter hun ramen. Nadat hij zich daarvan had verzekerd, trapte hij de motor aan. Maar die deed het niet; pas bij de vijfde poging lukte het. Na een paar keer draaien aan de gasmanette lichtte hij zijn voeten van de grond en reed weg.
In zijn stemming heerste een mengeling van nieuwsgierigheid en lichte bezorgdheid over het komende avontuur. Omdat hij sinds lang niet meer gewend was op een bromfiets te rijden, had hij voortdurend het gevoel van te sturen naar de stoeprand, maar spoedig wende het. Gelukkig hoefde hij niet door het stadscentrum.
Zonder problemen bereikte hij een buitenwijk, waar ventwegen door lange grasperken met rozenstruikjes gescheiden waren. Moeders met kinderwagens of op bankjes gezeten, met spelende kleuters en bouviers die tussen het groen snuffelden en hun behoefte deden, bepaalden het beeld.
Toen hij even later op het fietspad langs een verkeersweg reed, had hij voor het eerst het avontuurlijk gevoel, een idee met vakantie te zijn, een sensatie die hij in zijn auto eigenlijk nooit ondervond.
Jammer dat het motortje met lekke uitlaat veel meer lawaai produceerde dan hij wilde. Geluidloos had hij willen voortzoeven als in een droom. Frits, verdomme, dacht hij, natuurlijk weer een schroevedraaier door de uitlaat geramd! Hoe meer lawaai hoe mooier bij die gasten; je nergens wat van aantrekken. Als je er wat van zei: ze luisterden niet eens. Was hij vroeger ook zo geweest? Hij geloofde toch van niet. Ik trek een stippellijn van knallen door het landschap. Maar daarna verwaait het geluid als een condensstreep achter een straalvliegtuig...
Lauw blies de wind langs zijn gezicht; warm werd het vandaag weer, net als de hele week. Hij tuurde strak voor zich. Hoe hard hij reed wist hij niet, want de snelheidsmeter was defect en gaf niets meer aan. Maar het gras te weerszijden schoof met een behoorlijk vaartje langs hem weg. En dat voor zo'n oud vehikel! En nog geen spatbord verloren onderweg, haha!
Optimisme over zijn onderneming overheerste zijn denken. Eindelijk was de "zaak" in een beslissende fase beland, zou hij uitsluitsel bekomen, of op z'n minst haar te spreken krijgen. Daarover had hij steeds minder twijfel.
Op een weg met landerijen en loodsen brak het vrije vakantiegevoel echt baan, en herinnerde hij zich het lied over de vrolijke motorrijder. Zo hard mogelijk ging hij boven de uitlaat uit brullen, zodat de landbouwers in de akkers hem met de handen boven de ogen nakeken:
"Heidewitzka!"
"Vooruit geef gas!"
"Dat oude getreuzel!"
"Komt niet meer te pas!"
..."Solzjeniet-sjin! "Vooruit geef gas!" Overigens dat caf Populair, wat een rottent! Onbegrijpelijk dat Tilly daar een kamer had genomen; die hele buurt daar was een gribus.
Hij overdacht zijn bezoek gistermiddag. Helemaal ontevreden was hij niet. Mathilde was sinds hun scheiding eigenlijk steeds aardiger tegen hem geworden, zelfs af en toe bezorgd. En dat dat echt gemeend was, daar kon je van op aan. Dat het nog goed kwam tussen hen leek dan weer wel, dan weer minder waarschijnlijk. Zelf deed zij niet de minste toenaderingspoging, onder het motto: het gaat nu goed, laten we het zo houden! Dat was onweersprekelijk, maar of hijzelf daarmee op den duur tevreden zou blijven... Misschien kwam ze er ooit op terug. Als Rosita eenmaal weer was opgedoken.
Hij wist eigenlijk weinig van zijn dochter. En van haar verdwijning helemaal niets, waar Mathilde steevast zo onbegrijpelijk luchtig over deed, dat je soms bijna zou geloven dat die twee een komplot hadden...
Hij voelde zich zeer op zijn gemak op zijn oude brommer; slechts als hij door een stadje kwam of bij een drukke verkeersweg, moest hij opletten en verdween de illusie. Maar verder... dit was toch wel even anders dan jakkeren in een auto! Moest je nu zo'n groene laan eens zien. Voortglijden tussen bomenrijen... je hoefde nauwelijks ergens anders op te letten dan recht op de weg te blijven. Bijzondere geuren waaiden je tegemoet. En daar alweer zo'n dorp, waarvan hij de naam niet wist, met caravans in de tuinen en wasgoed tussen palen. Een fijne, rustige omgeving. In een auto genoot je werkelijk nooit.
Toch vond hij het langzamerhand wel erg lang duren voor hij bij het IJsselmeer kwam.
Van Gesink was zo'n eigenaardige rijder, zelfs als hij in de auto reed. Kaarten nam hij nooit mee, hij had er zelfs niet n, gewend als hij was aan het rijden op snelwegen. Maar ook dan nog lette hij nauwelijks op borden en wegwijzers, verstrooid en boordevol afleidende gedachten als altijd. Hij reed meestal op blind geluk een richting in, waarvan hij dacht dat zijn einddoel lag. Ook vandaag. Uitdam, aan het IJsselmeer. Dr dus ergens.
Maar de grote waterplas had hij nog steeds niet gezien. Liniaalrechte wegen, flauwe en haakse bochten, kruisingen, lanen, vergezichten met kerktorens, sappige weilanden met boerderijen of vlak langs de weg, een hooiberg onder een afdak, sloten met bootjes langs de kant. Hij ging over houten en betonnen bruggen... Ik geloof niet dat ik de kortste weg heb genomen, begon hij steeds vaker te denken. Hij had ook geen idee van de afstand die hij had afgelegd, want zijn kilometerteller was eveneens kapot.
Maar eindelijk was er in de verte een lange dijk te zien. Of het IJsselmeer daar achter was wist hij niet. Hij naderde via afslagen steeds meer de dijk. Toen hij die eindelijk had bereikt, sloeg hij linksaf en volgde hem over een bochtige asfaltweg zonder bomen.
Af en toe steeg de weg boven de dijk uit. Dan verscheen het uitzicht op de binnenzee, met in de verte een streepje land. Het water klotste lichtjes tegen een helling van basaltblokken en hij zag citroenvlinders fladderen boven takken en wiereilandjes. Soms lag er een autowrak of een half vergane berg afval in de berm. Hij kwam opvallend weinig mensen tegen. Er was ook weinig verkeer. Toch moet Uitdam hier in de buurt zijn, dacht hij. Uitdam, het klonk ook als een echte uithoek.
Maar toen hij na twintig minuten de weg ging vragen aan een oude man die juist tegen een damhek wilde wateren, bleek dat hij wel dertig kilometer te veel noordelijk was beland! Was hij daarnet met zijn stomme kop linksaf gegaan, terwijl hij rechtsaf had gemoeten, naar het zuiden!
Dan maar weer terug, en, zoals de man zei, zoveel mogelijk langs het IJsselmeer, dan kon het niet missen.
Wr het eindeloze grasland met slootjes, koeien en windmolentjes. De weg volgde met grote bochten de dijk van het IJsselmeer. Er kwam geen eind aan. Van Gesinks stemming was al wat minder geworden. Hij reed de zon tegemoet, maar die verdween tamelijk vaak achter de inmiddels sterk uitgroeiende bewolking.
Dan, een paar kilometer verder, begon zijn stuur te slingeren en werden de steentjes van de weg voelbaar aan zijn achterwerk. Of, om een eenvoudige conclusie te trekken: hij had een lekke band.
"Godver-godverdomme." (Twee uur op Mathildes alternatieve koekoeksklok). Hij deed de brommer uitlopen, stapte af en inspecteerde zijn achterband. Een klein apparaatje van plastic en nikkel was in het rubber gedrongen. Een pick-up-element! Precies de aansluitpennetjes hadden zijn band doorboord. Hij trok het er voorzichtig uit en smeet het in het slootje langs de weg.
Tyfus! Een jofele tocht had het kunnen worden, en dan dit weer! En juist nergens huizen, laat staan een fietsenwinkel in de buurt. Ongelooflijk dat hij hier geen rekening mee had gehouden en geen plakspullen in zijn zak had gestoken!
Hij merkte dat hij hevig zweette. Het was ook ongehoord heet, hoewel de zon definitief was verdwenen achter de wolkenlaag van de bui, die snel naderde. Achter de dijk stond al een muur van bewolking, zo scherp afgetekend dat het wel een gebergte leek in Oostenrijk of Zwitserland.
Hij zette zijn vervoermiddel op de standaard en probeerde een zijplaat los te krijgen. Daarachter, zo herinnerde hij zich, bevond zich soms een reparatiedoos. Maar een verroeste vleugelschroef met de hand losdraaien ging niet. Pas toen hij de bougiesleutel tussen de beplating had gezet en met kracht naar zich toe getrokken, sprong hij los; Van Gesink belandde bijna op z'n achterste in de berm.
Tot zijn vreugde zag hij achter de plaat een klein pakket, met een riempje aan het frame bevestigd. Het bevatte een schroevedraaiertje, twee roestige sleutels, een SIMSON reparatiedoos ("Met drie bandenlichters!") en een bougiesleutel. "Bovenstebeste jongen Frits," ging het door Van Gesink heen... hij heeft aan zijn oude vader gedacht... Al waren de rubber plakkertjes bijna verdroogd en de solutie in de tube beangstigend dik geworden.
Er was ook een fietspompje, niet groter dan een sigaar, met ongeveer ook zo'n kleur. Daar krijg je zo'n zware band nooit hard mee, dacht hij bezorgd.
Hij ging niettemin ijverig aan het werk, nam de band af en zocht het lek: vier kleine gaatjes bij elkaar, het was een stereo-pick-up-element geweest, dacht hij. Hij schuurde de plek en bracht solutie aan.
Vaag werd hij gewaar dat al voor de tweede keer een oude Opel voorbij kwam. Er zaten twee mannen in. Nu keerde de auto verderop alweer. Van Gesink had de brommer bijna midden op de weg gezet, maar ze hadden makkelijk kunnen passeren. Wilden ze hem iets vragen? Waren ze de weg kwijt? Nu, die wist hij ook maar amper...
Hij moest even wachten tot de solutie aangedroogd was en stond met de binnenband in zijn hand, toen hij zag dat de wagen stopte. Van Gesink plaatste kalm de plakker op het lek en drukte hem vast, daarbij de band iets oprekkend. Hij legde de binnenband in de velg en pompte met moeite wat lucht in met de sigaar. Met uiterste krachtsinspanning wrong hij daarna de buitenband om, en bekeek het resultaat, lichtjes in zijn handen wrijvend: nogal een prestatie van iemand die voor het laatst een fietsband had gerepareerd toe hij nog op de middelbare school zat!
Wat werd het donker! Hopelijk bleef het nog droog tot hij bij die boerderijen kwam om te schuilen.
De auto kwam weer terug, achteruitrijdend. Vlakbij stopte hij en er stapte een dikke man uit, een leren broek aan en een zwart hemd zonder mouwen. Van Gesink kreeg het angstige vermoeden dat het geen kwestie was van even de weg vragen. De man blies zich op als een gorilla en begon te schreeuwen dat hij in de weg stond en dat hij hem daarom wel eens op zijn smoel zou slaan. Van Gesink zei niets; liep ook niet weg. Gaarne was hij op de HMW gesprongen en weggereden, maar afgezien dat er geen lucht in zijn band zat met de auto zouden ze hem zo ingehaald hebben.
De dikke was log, met tatoeages op de bovenarmen; zijn gele haar was niet langer dan een centimeter. Nu zag Van Gesink de tweede uit de auto komen. Hij lette even niet op en kreeg een duw, maar zijn brommer liet hij niet los.
De man, die zacht tegen hem praatte alsof hij hem iets vertrouwelijks meedeelde, zei dat hij helemaal niet hield van oude mannetjes die de weg blokkeerden. Hij zei de vreselijkste dingen en vertoonde niet de minste uitdrukking in zijn toegeknepen ogen. Van Gesink dacht: hier hebben we dus die gasten die je bedreigen uit tijdverdrijf. En als je slachtoffer bent, moet je het je maar laten welgevallen. Waar is de bougiesleutel, dacht hij, waar is die. Maar hij had hem in het gras gegooid en wist niet meer waar. Had ik die nu dan zou hij al geen tand meer in zijn waffel hebben, en met die andere was ook snel afgerekend.
(Wordt vervolgd).



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en Ren Claessens