woensdag 25 april 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Heidewitzka's Pogingen - Afl.6 van 29
Gepubliceerd op: 17-11-2011 Aantal woorden: 2480
Laatste wijziging: 08-02-2015 Aantal views: 1142
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Heidewitzka's Pogingen - Afl.6 van 29

Henk Gruys




Mathilde sloeg de foto's van de stapel om, een voor een, om er nog enkele te bekijken. – "Maar nu moet ik me echt verkleden," zei zij.
    Van Gesink zei: "Zeg, weet je wat ik je wilde vragen?.."
    "...Wacht eens, op het zoldertje moet dat bier staan!" zei Mathilde nadenkend. "Nou weet ik het weer!" Van Gesink hoonde: "Op het zoldertje... zeker verstopt voor je nieuwe vriend toen die er genoeg had leeg gezopen!" – Flauw, flauw, dacht hij, waarom zeg ik dat? Het kan wel lijken of ik jaloers ben. Terwijl zij niet de geringste aanleiding geeft ook maar de schijn van een nieuwe relatie te onderhouden.
    "Het is veel te warm om daar in het stof der eeuwen rond te kruipen," zei hij, "en bovendien is die pils daar zo lauw als de pest."
    "Ach Walter, kruip even op dat zoldertje," zei Mathilde. "Het moet toch gebeuren en ik kan er niet bij. Dan zal ik ze in de ijskast zetten."
    Hij ging achter haar de kamer uit. Ze liepen een vertrek binnen dat zo smal was dat het eerder een gangetje leek; een dakraam in de schuine dakwand gaf licht. Boven de donkere kamer van Mathilde liep een van de wanden niet door, maar liet een soort kruipruimte over. Hij haalde een keukentafel en een stoel en zette die op de tafel. Daarna hees hij zich op het zoldertje.
    – Wij hadden dit vroeger thuis ook. Het lijkt er sprekend op. Licht kwam door het dakraampje, net als hier. En daar was het zomers ook zo warm. – Hele middagen sigaretten roken en mijmeren – over auto's en jazzmuziek op de radio van Pete Felleman. Fantaseren over meisjes, twee bepaalde... Susan... Van de andere heb ik de naam nooit geweten, zelfs nooit gevraagd. Intèns was alles toen, ervaringen, gedachten, alles...
    "Ik zie niks," zei hij, "'t is zo donker. Heb je geen zaklantaarn?"
    "Ja, maar alles is van zijn plaats door de verhuizing."
    Opgewolkt stof kriebelde in zijn neus, zanderigheid schoof onder zijn tastende handen. Het lijkt vandaag alsmaar rotzooi te wezen, dacht hij, wat komt er nog meer? Langzaam gewenden zijn ogen. Er stond van alles: kisten, dozen en klein meubilair op lange planken. Afgedankte spullen, misschien nog van de vorige bewoners. – De verdere tijd hier blijven, uitkijken over het zoldertje en de overloop. Eten krijgen van Mathilde. Een bed inrichten van een oud matras. Living apart together. Nooit meer weggaan...
    En toen: "Ja daar is wat!" Hij trok het kratje naar zich toe. Er stonden flesjes in, met en zonder doppen. – "Zes volle en zes lege! En zo'n dikke fles sherry! Whisky zie ik niet." Hij liet het kratje voorzichtig zakken over de rand, waar Mathilde het aanpakte, en ook de fles overhandigde hij. Toen keek hij weer over het zoldertje. In de driehoekige muur onder het dak zat een klein blind raam. Hij kroop over de balken en probeerde door het glas te kijken. Hij draaide zich weer om naar het licht.
    "Wat is dat hiernaast eigenlijk?"
    "De buren? Heb ik nog nooit gezien. Het is geen woonhuis."
    "Dat grote witte huis. Wat doen ze daar dan?"
    "'t Is geloof ik een handelsagentuur, iets met het buitenland, je ziet nooit iemand."
    "Mathilde," zei hij, maar zo zacht dat zij het niet gehoord kon hebben, "zullen wij weer bij elkaar gaan wonen, in één huis? Hij kreeg kramp in zijn dijen van het hurken.
    "Mathilde," riep hij luider, "Mathilde!"
    Hij stak zijn hoofd over de rand, maar Mathilde was weg met haar kratje.
    Juist wilde hij zich weer terugtrekken, toen hij een kreet hoorde in de huiskamer. Hij liet zich snel over de rand zakken. Daarna sprong hij op de vloer en holde terug.
    Mathilde stond aan het raam met één hand aan de keel, de andere op haar maag en ze riep: "Walter niet kijken! Een ongeluk!"
    Hij liep op haar toe, legde zijn hand op haar schouder en keek uit het raam. Op het kruispunt stond een beige auto. Een man en een bromfiets lagen op de weg; Van Gesink zag de automobilist die met het portier in de hand stond en tegen de man op de weg begon te schreeuwen; hij zag het meer dan hij het hoorde en gromde: "Wat kan mij dat nou schelen, zo'n stom ongeluk."
Het verkeer ging om de bromfiets heen; tot dusver lukte dat nog net. "Nu ligt hij op straat," zei Mathilde, maar daarnet zat hij nog te braken, beùhhh... ik kan overal tegen, maar niet tegen kots."
    "Als fotograaf moet je overal tegen kunnen," zei Van Gesink frikkerig, "anders kun je beter alleen bloemetjes kieken."
    Er liepen mensen op het ongeluk toe, niet om hulp te bieden, maar om toe te kijken.
    Nu begon de automobilist, een grote man met loshangend hemd de bromfietser te schoppen, terwijl een van de omstanders hem daar vanaf probeerde te houden. Het werd een heel geduw en getrek, drie anderen bemoeiden zich ermee – Maar plotseling leek het voornamelijk nog om een verbale strijd te gaan.
    "Zo'n ongeluk is het nu ook weer niet," zei Van Gesink, "geen bloedplas in elk geval." Hij zag dat de bromfietser was opgekrabbeld en naar het trottoir strompelde, waar hij gebukt ging staan over een drekkige plas. "Niets aan de hand!" zei Van Gesink. "Zie je wel! Aanstellerij! Direct rijdt hij zo weer weg op z'n Puchje, dat zul je zien!"
    Hij wees op het kratje en zei: "dat lauwe bocht lust ik niet, ik ga beneden pils halen. Toch een voordeel een café zo vlakbij; kan ik meteen vragen of ze weer echte muziek opzetten inplaats van dat kloterige gebonk." Mathilde liep naar de spiegel. "Ik moet werkelijk haast maken," zei ze, "anders kom ik subiet te laat."
    Hij ging naar de deur, maar toen hij in de opening stond, draaide hij zich om. "O! Voor ik het vergeet: kan ik jouw wagen even krijgen; dat rijdende hoedendoosje? De mijne heb ik vanmiddag kapot gereden toen ik naar die verdomde Arnoud ging, en reparatie kan nog wel enige tijd vragen."
    Mathilde sloeg met haar hand tegen haar hoofd; "oh wat jammer, de mijne staat ook in de garage. Iets aan de motor, een onderdeel is in bestelling en kan wel een week duren."
    Van Gesink zuchtte.
    "Dan zal ik toch op de brommer moeten naar Uitdam. Het is nu al te laat. Dan ga ik morgen wel. "
    "Op de brommer?" Mathilde schoot in een moeilijk lachje. "Hoe kom je daar nou bij? Wees maar voorzichtig! Als je dat niet gewend bent!"
    "Wat blijft er anders over? Ik heb thuis de brommer van Frits nog staan. Voor de bus moet je uren bij de halte wachten, àls er al eentje gaat, en voor de fiets acht ik mezelf niet sportief genoeg. Het is mooi weer komende dagen... Zo moeilijk is dat niet. En wat die veiligheid aangaat: morgen ga ik van de drank af, geen druppel drink ik meer."
    Zo moest Mathilde lachen, dat het was of hij een mop had verteld, die niet geheel was gelukt. Ze zei:
    "Ga nou maar naar beneden, dan ga ik me intussen verkleden. Dat rijmt. Gezellig hoor, als je er bent, daar niet van, maar ik schiet vanmiddag geen moer op."
    Zijzelf begaf zich onverwijld naar haar slaapkamer en hoorde intussen Van Gesink de trap af stommelen.
    – In haar slaapkamer was alles roze, zelfs het licht van de kleine schemerlamp die al brandde, hoewel het buiten nog licht was. Er zat maar één raam in de kamer waarvoor dichte vitrages hingen tegen inkijk van de achterkant.
    Dit is een lelijk en oncomfortabel huis, dacht zij, maar wat moet ik? ik zit in ongunstige omstandigheden gevangen als in een web.
    Ze deed het paarse gewaad uit en opende een kast. In haar ondergoed monsterde zij haar garderobe. En na korte aarzeling bedekte zij haar gladde ledematen en zwart kanten lingerie met een donkere pantalon en glimmende rode blouse. Vervolgens nam ze een kepie van goudbrokaat en past hem voor de spiegel. Maar dat was een grapje, want die stond wel bijzonder louche bij die donkere bril. Toen kreeg ze een ander idee, verving pantalon en blouse door een krappe spijkerbroek en een beige kantoenen hemd.
    – Ze liep terug naar de huiskamer, net toen Van Gesink weer boven kwam. Hij was druipnat. Hij zette een fles midden op de vloer en liep naar de bank.
    "Wat is er gebeurd?"
    Maar hij zei alleen godverdomme en liet zich in de driezits vallen. Het water vloeide uit zijn schoenen op de grond; hij keek naar het raam en naar de deur.
    "Wat is er dan gebeurd?!" Maar het enige dat er uit hem kwam was gevloek. Mathilde werd steeds lacheriger en bleef maar vragen. Pas na de vierde gvd of daaromtrent, bleek de toedracht: hij had pils gevraagd aan de tap, en juist op dat moment had een bezopen figuur de brandslang van de muur gerukt, en met: "Eerst water! De rest komt later!" iedereen aan de tap finaal weggespoten! Maar niemand had zo de volle laag gekregen als hij! De baas had de slang weer opgerold en gedaan of er niks was gebeurd, maar hij, Walter, had wel staan druipen! Wat een rottent: Café Populair, hoe verzinnen het godver! enzovoorts.
    Toen Mathilde uitgelachen was, haalde ze een handdoek en een ander glas uit de kast, schroefde de dop van de nieuwe whiskyfles en schonk een glaasje in. "Wat ben je toch een mopperkont," zei ze.
    Ze gaf hem een klap op de schouder en verliet de kamer.
    Hij dronk zwijgend zijn whisky. Minstens tien minuten bleef hij alleen met zijn glas en fles. Langzaam vulde de kamer zich met een aangename wollige mist, die hij niet kon zien, maar duidelijk voelde aan zijn wangen en slapen.
    Zijn kleren droogden op, hij voelde hun vochtige omsluiting nauwelijks meer. Ook de omgeving en de voorwerpen leken hem welgezind. – "Mooie plant daar, die bladeren lijken wel gelakt!" Eindelijk was de spanning en boosheid van vanmiddag een beetje aan het wegvloeien. Wat hij allemaal had meegemaakt leek langzamerhand onwaarschijnlijk; hij recapituleerde het uitgerookte gebouw, dat hem voor de geest kwam als een verbrande kathedraal of het ingewand van een geweldig dier, en ook vaag de gedragingen van zijn ontaarde schoonzoon...
    Mathilde kwam de kamer weer in; ze had een rood nylon jack aan dat ze open liet. Ze zette een bakje op de vloer. "Nog even de kat eten geven... Ze is een beetje scheel. Ik denk dat ik haar Bobbie Battista* noem."
*eertijds een enigszins "loenzende" nieuwslezeres van CNN.
    Hij draaide zich om, had het gevoel of hij haar aankeek langs een lijn zo recht als een stalen liniaal, maar dat nochtans de mist in de kamer zijn blik ernstig verboog. "Mathilde, strijdbare maagd," zei hij. Hij probeerde op te staan, maar viel lachend weer terug op de bank.
    "Je bent een tikje dronken," zei Mathilde, "je hebt er in dat café zeker ook al een paar achterovergeslagen. Weet je zeker dat je van de drank af kan?"
    "Het loopt niet uit de hand," zei hij. "Bij mij loopt het nooit uit de hand. Nooit! Ik weet precies hoever ik gaan kan!"
    "En doe je voorzichtig morgen op die bromfiets? Ik hoor het wel als je iets aan de weet bent gekomen."
    "Ik drink dan niet," riep Van Gesink. "En wat die brommer betreft!..."
    Mathilde verliet de kamer. Hij hoorde dat ze de trap afliep en de deur in het slot trok.
    Zijn kleren leken opgedroogd, maar dit was hem onbelangrijk om te verifiëren. "Vanmiddag bij Arnoud bijna in de brand; daarna in het café geblust. Wel wat laat! Toen dacht hij aan Mathildes zwarte bril en haar ongeluk. Bamibal in de frituur... P a t s ! Oh m'n oog!! Paniek. Een klacht bij de leverancier, maar die maken drie miljard van die dingen en dan kan er altijd iets misgaan, nietwaar. Daar kunnen ze niet aan beginnen. – Wat gaf het trouwens voor een fotografe! Die Hasselblad-camera en die Leica's waarmee ze werkte hadden toch ook maar één oog?
    Hij bleef nog drie kwartier zitten als ingesponnen in een cocon van wollige warmte. Langzamerhand vielen de muren weg, zat hij in een tropische plantenkas of in een oerwoud met in de verte dreunende trommen.
    Eindelijk stond hij op. Vandaag nog naar Uitdam, zat er allang niet meer in. "Maar ik heb het adres, en dat is het voornaamste."
    De fles was half leeg... Een alcoholist ben ik echter niet, ik weet mijn grenzen... Hij achtte dat een niet geringe prestatie van zichzelf. – "Want ik zeg: hij is nog halfvòl, voor Mathilde als cadeautje van Walter." –
    Hij zette de fles op de vloer, zodat hij goed zichtbaar was, klikte met de hakken en salueerde voor de fles. Daarna verliet hij de kamer en stommelde de trap af. Maar de buitendeur trok hij met een veel hardere knal achter zich dicht dan de bedoeling was.
    De late zonneschijn omhulde hem als een warme wattendeken. – Toen hij langs het café kwam, dreunde de muzikale heimachine weer op volle kracht. Hij stak zijn hoofd om de deur en brulde: "Is die kloterige paal nou nog de grond niet in?!!" Zo luid dat de voorbijgangers verschrikt omkeken.
    Bij het kruispunt was het ongeluk nog niet afgehandeld. Inmiddels had zich een hele kring toeschouwers verzameld. Hij zag dat de bromfietser weer op de grond lag in een vuile plas braaksel of benzine, waarvan een miezerig stroompje afliep naar de goot. Niemand scheen de man te helpen; er was ook niemand speciaal bij; ambulance of politie zag hij niet. Misschien is hij toch al dood, dacht hij, zodat ze geen haast meer hoeven maken.
    Pas toen hij bij de bushalte stond, hoorde hij de dubbeltonige sirene van de politie naderen.
(Wordt vervolgd).



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens