zaterdag 20 januari 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Heidewitzka's Pogingen - Afl. 4 van 29
Gepubliceerd op: 15-11-2011 Aantal woorden: 2476
Laatste wijziging: 07-02-2015 Aantal views: 1146
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Heidewitzka's Pogingen - Afl. 4 van 29

Henk Gruys


                                H O O F D S T U K  T W E E


Van Gesink wist niet wat hij het eerst zou doen. Naar de politie, of een pistool kopen en teruggaan om Arnoud de stuipen op het lijf te jagen. Ik zal hem het betaald zetten, dacht hij, de grens is nu toch wel bereikt...
    – Toch slaagde hij er na enige tijd in te kalmeren. Hij was tot de slotsom gekomen dat het zeker niet in het voordeel van de zaak was zich te blijven opwinden. Er was per saldo niet echt iets rampzaligs gebeurd, al had dat natuurlijk goed gekund... Het kon bij nader inzien ook wel worden betwijfeld of Arnoud hem in de torenkamer aan zijn lot zou hebben overgelaten... Dus voorlopig de rest even vergeten, niet meer steeds denken aan alle idioterie van vanmiddag, dat psychotische gedoe.
    Nuttiger was het zich te concentreren op wat hij te weten was gekomen! Het adres van Rosita, dat was het belangrijkste! De kans dat Arnoud erover had gelogen schatte hij op vijftig procent. Het feit dat zijn schoonzoon er geld voor had gevraagd, maakte de informatie op de een of andere wijze betrouwbaarder.
    Daar hij zich nog niet geheel uitgeput voelde, nam hij zich voor meteen naar Uitdam te rijden. – Maar eerst naar huis, alle vuiligheid, roet en zweet van zich afspoelen.

Maar zijn auto was door de onvoorzichtige manoeuvre daarstraks bij de goederenwissel waarschijnlijk beschadigd; al na een paar kilometer hoorde hij in de motor vreemde geluiden, – en die werden alsmaar erger. Ook liep de koelwatertemperatuur veel te hoog op.
    Hij was nog tamelijk ver verwijderd van huis; wat nu?.. Na enige overweging reed hij met lage snelheid naar zijn garagebedrijf en haalde de chefmonteur erbij.
    "Dat is ernstig," zei deze onmiddellijk. Hoe kwam dat nou? zeker een of andere stommiteit begaan? – Van Gesink mompelde iets over een ongelukje met een stoeprand.
    Het leek de chefmonteur op het eerste gezicht twijfelachtig of dat ouwe kavalje nog te repareren was, maar dit moest dan toch eerst worden onderzocht. – "Hebbie soms zèlf ook onder die wagen gelegen?" vroeg hij met een lachje, Van Gesinks vuile gezicht beziend.
    Van Gesink waste de ergste smerigheid van wangen en handen bij een fonteintje in het kantoor. Een handdoek was er niet, dus moest hij zich met zijn zakdoek behelpen die hij nu zó kon vinden.
    Met een natte prop in zijn zak kon hij vertrekken – lopend. Maar eerst nog even de rekening. "33,87 euro, inclusief btw, meneer," zei het kantoormeisje dat was toe komen lopen, vriendelijk.
    "Wat krijgen we nou," vroeg hij, "vooruitbetaling? Zijn jullie soms bang dat ik niet meer kom opdagen? – En drieëndertig euro voor die vijf minuten, wat is jullie uurtarief eigenlijk?"
    "Nieuwe instructies van de directie, zei de chefmonteur, "vraag het nou niet aan mij! Inspectiekosten onder de vijftig piek moeten op voorhand worden verrekend. Een kwestie van efficiency."
    "Dat is weer 't toppunt met jullie! – Ik heb zoveel niet bij me! Pleur maar op de giro!"
    Geërgerd verliet hij Garage Mateman. Wat een sofbediening altijd! En ze hadden niet eens een andere wagen voor hem ("Allemaal weg, meneer; ja het is kokend druk!") Buiten op een muurtje voor de ingang zaten een paar leerjongens of jonge monteurtjes met dunne zwarte snorretjes, blikjes in de hand, harde boeren te laten en bierviltjes naar passerende meisjes te gooien. Humeurig beende hij hen voorbij. Werd het niet eens tijd voor een ander autobedrijf?
    – Maar intussen was het ontstane probleem niet opgelost! Hij moest naar Uitdam, dertig, veertig kilometer en had geen wagen! Hoe moest hij daar komen? Een andere huren... Maar dan toch zeker niet bij die afzetters daar!
    – Het was snikheet in de stad en druk; overal stonk het naar uitlaatgassen en afval. Hij was niet meer gewend langer dan vijf minuten achtereen te lopen. Pas na een half uur was hij thuis, geradbraakt en met pijnlijke voeten. Half vier inmiddels al.
    Hij douchte en trok andere kleren aan: piekfijn overhemd en zomerbroek met messcherpe vouw. Zo voelde hij zich tenminste weer een beetje mens. Zijn kwaadheid leek hij tegelijk met het vuil van zich te hebben afgespoeld. Ja hij moest eens ophouden steeds terug te denken aan alle mislukking van vanmiddag! Twee borrels nam hij vlug aan zijn homebar. Daarna ontsloot hij de achterdeur.
    In de bijkeuken inspecteerde hij de spullen die daar waren opgeslagen: kampeertent, strijkplank, crossfiets, surfplanken, koffers, ski’s, wascentrifuge... hij moest alles eens opruimen en aan de stoeprand zetten voor de ophaaldienst, de hele boel uitmesten...
    Eindelijk vond hij wat hij zocht; half verscholen achter een dekzeil: de bromfiets die nog van zijn zoon was geweest toen die op de middelbare school zat – een oude HMW, misschien al in geen tien jaar meer bereden.
    Hij trok hem tevoorschijn uit planken, kleden en vuilnisemmers, en reed hem naar buiten. Daar zette hij hem op de standaard. Peinzend keek hij ernaar. De brommer was wat roestig vettig en zwart; maar nog lang geen wrak...
    Terwijl hij zijn nieuwe vervoermiddel aan een nadere inspectie onderwierp, was zijn aandacht overlangs gespleten. Over de heg zag hij een zeer zwarte man op het erf van de buurvrouw. De man zag eruit of alles wat hij aan had gloednieuw was, of zo uit een dure winkel kwam. – Alwéér een nieuwe vriend van Machteld, dacht Van Gesink, terwijl hij de vering van het zadel beproefde. Die weet er ook raad mee... Opeens ging de deur open en verscheen de forse blonde buurvrouw in de opening. Ze glimlachte naar de man. Meteen deed deze zijn armen wat vooruit, lachte en liep op de deur toe. Beiden verdwenen in het huis.
        Van Gesink zette de benzinekraan open en trapte de motor aan, maar deze sloeg niet aan, zoals hij trouwens ook niet had verwacht. Pas toen hij de bougie had afgekrabd en de sproeier doorgeblazen – hetgeen vies smaakte – kon hij de motor starten. Hij zette hem onmiddellijk weer af en klom in de bijkeuken op het zoldertje. Maar de valhelm kon hij niet vinden; en hij bedacht dat na zoveel jaar de verzekeringspapieren ook niet meer geldig waren.
    Het was inmiddels al half vijf, en eigenlijk te laat om nu nog zo'n volslagen onbekende rit naar Uitdam te maken. Dat moest hij dan maar uitstellen tot morgenochtend. Hij zette de rug van zijn vette hand in zijn zijde en keek tevreden naar zijn alternatieve vondst. Zelfs avontuurlijk begon het hem te lijken; en dat hij dit morgen ook zo zou ervaren, stond vast.
    Maar ineens kreeg hij een veel beter idee. Natuurlijk! dat hij daar niet eerder op was gekomen. Mathilde! Hopelijk was zij thuis! – Hij reed de brommer weer binnen, waste zijn handen, sloot de deur en liep naar de halte voor de bus richting stadscentrum.

In de bus, die na twintig minuten kwam, was het minstens veertig graden; het rode kunstleer van de banken kleefde aan zijn broek als hij ging verzitten. Het openbaar vervoer blijft immer een kwelling, dacht hij. Telkens als ze stopten en de deuren automatisch opengingen, klonk er een snerpend gefluit in de buurt van het middenpad. Het werd steeds voller en heter. Hij stapte, om niet helemaal gaar gekookt te worden, twee haltes te vroeg uit. Opnieuw te voet: met zijn nieuwe schoenen die knelden aan de randen. Wat een dag, mompelde hij.

Tien minuten lopen was het; de kerktoren in de buurt waar Mathilde woonde had hij op de laatste hoek al zien opsteken boven de daken.
    In de straten rondom de kerk raasde het verkeer. Maar op het plein, van ontelbare gele klinkertjes, stonden slechts een paar bloemenstalletjes en bij het bushuisje hielden zich enkele bejaarden op. Recht tegenover het plein was een eenzijdig bebouwde straat van voornamelijk winkels en een café.
    Uit alle bovenlichten van het café golfde dreunende muziek toen hij voorbijkwam, en sigarettenrook en bierwalm sloegen warm in zijn gezicht. Hij belde aan bij een deur ernaast.
    Het lied van het café was onverstaanbaar, hoewel de zanger zo hard mogelijk leek te brullen. Het kwam hem bekend voor, dat aloude lied van minstens veertig jaar geleden, hij wist de woorden nog ongeveer.
    "Hei-dewitz-ka!
    "Vooruit geef gas!
    "Dat oude getreu-zel komt niet meer te pas!
    "Geen afstand is van-daag een hindernis!
    "Zolang er benzi-nuh in het tankie is!

    De deur werd met een harde klik opengetrokken. Een smalle houten trap zonder loper rees stijl naar boven. Van Gesink zag een nieuw lichtblauw koord lopen langs de leuning. Ik begrijp werkelijk niet waarom Tilly juist op deze kamer is gaan zitten, dacht hij voor de zoveelste keer. Het trapportaal rook ook al naar het café. De muziek klonk hier nog harder dan buiten, maar ook doffer, achter de dunne houten wand. Dat lied moet al heel oud zijn, dacht hij, een Duits lied van oorsprong, een carnavalsschlager.
    Mathilde stond in de deuropening en toonde zich verrast, hoewel het nog geen vijf dagen geleden was dat hij haar had bezocht.
    Ze zag er wat uitgedost uit, vond hij, met die lange paarse jurk en paarse muiltjes aan haar voeten. Nog steeds die zonnebril. "Zeg kan iedereen hier zomaar binnenlopen," vroeg hij direct, en vrijwel zonder onderbreking daarop: "Hoe is het met je oog?"
    Mathilde liep terug de kamer in. "Maar dan toch alleen als ik open doe?" zei ze. Ze kusten elkaar niet, omdat dat niet meer gebruikelijk was.
    Hij liep achter haar aan. De kamer leek wel een plantenkas, dat viel hem iedere keer weer op. Hangplanten, klim- en kruipplanten; ze stonden op tafeltjes, op de vloer, op kasten en in de vensterbanken. Het aantal potten en bakken leek zelfs nog groter sinds de laatste keer. Aan de wanden foto's van geboomte, struiken en bladeren. Zelfs gedroogde exemplaren waren er, in ondiepe glazen kastjes als kleine etalages.
    De beide hoge vensters waren half opengeschoven, zodat het in de kamer wel warm maar niet benauwd was. Van achter uit de kamer vertoonde het uitzicht slechts de kerktoren en de hemel. – En die twee, zei hij altijd, hóórden ook bij elkaar.
    Hij liep de kamer door met trage passen, want veel ruimte was er niet; grote bladeren streken langs zijn armen en gezicht. In het voorbijgaan leunde hij even met een hand op de tafel en ging toen zitten op de driezitsbank. De muziek van beneden was nog te horen, zij het veel zwakker.
    Mathilde stond in een hoek bij een kleine spiegel en kamde haar donkere krullenkop uit. Het was waarschijnlijk dat zij daarmee ook bezig was toen hij aanbelde. Nu en dan verwisselde ze de kam voor een borstel. Het leek Van Gesink om onnaspeurlijke reden of zij ieder moment kon worden weggeroepen. Daarom wilde hij meteen maar van wal steken; hij legde zijn handen tegen elkaar en leunde naar voren.
    "Ik ben gekomen om je te zeggen dat ik haar hoogstwaarschijnlijk op het spoor ben."
    "Vertèl. Waar is ze dan?" Mathilde ging door met kammen, maar keerde zich naar hem toe.
    "Ze zit waarschijnlijk in Uitdam!"
    "In Uitdam! Aan het IJsselmeer!"
    "Ja, ze logeert misschien bij een boer," (dat het logeren is, mogen we hopen, dacht hij ondertussen).
    "Hoe komt ze daar nou?"
    "Weet ik veel. Zal wel weer zo'n rare bevlieging zijn. 't Kon erger. Als het goed is zal ik weldra meer weten. We zullen wel zien. In ieder geval zit er weer beweging in de zaak – hebben we dat ook weer gehad."
    Hij keek steeds naar haar, om te zien hoe groot haar verrassing was.
    "Hoe ben je dat te weten gekomen? Heb je haar gesproken?"
    "Natuurlijk niet, dan had ik haar wel meteen meegenomen. Nee, van Arnoud. Die heeft dus..."
    "Van Arnoud? Maar hoe wist die dat dan?"
    "Je weet dat die in bepaalde kringen komt, en die lui daar zijn vaak beter op de hoogte dan wij."
    "Maar van Arnoud?.. Een zwak nummer hoor. En waarom heeft hij het verteld? Heb je hem onder druk gezet?"
    "Onder druk gezet!" Van Gesink lachte honend, of hij daarmee de geloofwaardigheid van zijn mededeling kracht kon bijzetten. "Die laat zich niet zo makkelijk onder druk zetten!"
    Mathilde tuitte haar lippen, alsof ze hiermee niet instemde, maar weersprak hem niet.
    "Een figuur!.." vervolgde hij, "en een eersteklas komediant! Die heeft zijn streken nog niet verleerd sinds hij van die toneelschool is getrapt. Wat denk je? ik moest komen in een half verbrande fabriek op industrieterrein K. Smerig! Mijn nieuwe schoenen helemaal verpest, moet je kijken. Hij had zelf gisteren opgebeld. En toen ik daar kwam, zat meneer op dak, stenen naar beneden te gooien. Zo heb ik hem ook gevonden. En weet je waarom hij het vertelde? Dan weet je meteen waarom ik geloof dat hij de waarheid sprak."
    Mathilde liep bij haar spiegel vandaan. "Wacht even, dan zal ik eerst wat voor je inschenken."
    "Eh ja... Ik had je al eerder ingelicht, als je telefoon hier had. Dat is verdomd lastig..."
    Mathilde was naar een hoge mahoniehouten kast gelopen en nam glazen en een platte fles eruit. Zij hield hem omhoog. "Zit niet veel meer in," zei ze. "...En wat ben je nu van plan?"
    "Erheen gaan in ieder geval. Ik zou vanmiddag meteen al, maar..."
    "Waarom vertelde hij dat zomaar?"
    "Niet zomaar. Hij had geld nodig, vandaar."
    Mathilde sloot even de ogen. "Heb je hem veel gegeven?"
    "Honderd. Wat een hufter niet? Maar daarom geloof ik dat het serieus is. – Het gaat overigens helemaal niet goed met onze Arnoudje. Ik ben blij dat hun relatie compleet is stukgelopen. Die jongen balanceert op de rand van de gekte als je het mij vraagt."
    Mathilde stond bij de tafel en schudde de fles tot de laatste druppel uit. "Nu heb je zelf niet," zei hij.
(Wordt vervolgd).




Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens