zaterdag 20 januari 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Heidewitzka's Pogingen - Afl. 3 van 29
Gepubliceerd op: 14-11-2011 Aantal woorden: 2366
Laatste wijziging: 07-02-2015 Aantal views: 1137
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Heidewitzka's Pogingen - Afl. 3 van 29

Henk Gruys



"Toch niet precies. Het is wat ingewikkelder... en jaloers was misschien niet het juiste woord. Je kunt het beschouwen als een soort straf of wraakneming, omdat ze is weggelopen, mij heeft ingeruild voor anderen, waardoor ik nu haar ultrageheime verblijfplaats verraad."
    Arnoud scheen toch wat geëmotioneerd. Of door iets geërgerd. Hij stond op van de bank, liep zonder iets te zeggen naar de deur en was verdwenen.
    Het was stil. Wat nu, dacht Van Gesink, wat heeft hij? Of hij heeft niets, is het weer aanstelleritis zoals gebruikelijk... Arnoud Messemacher... hij had beter Miesmacher kunnen heten. Een geboren komediant. Zoals hij dit gesprek heeft gearrangeerd, in deze omgeving, met de opzet iemand finaal van zijn apropos te brengen.
    Of... was hij soms weggelopen om met Rosita terug te komen?.. als leuke ontknoping. Hij trommelde met zijn vingers op zijn linker dijbeen. Toen veronderstelde hij dat Arnoud slechts zijn geringe urinefontein liet sproeien in de door hem zo fameus geachte veemkrater.
    Dit hok deed hem op een of andere manier aan zijn kinderjaren denken, hoewel hij zeker wist dat hij nooit in een toren als deze was geweest. Vervolgens zag hij foto's voor zijn geest, met veel kleuren, van Mathilde misschien? of van iemand anders kort tevoren ontmoet. Met iedere ademhaling leek de smerige lucht verder in zijn longen door te dringen.
    De deur schoof piepend open en Arnoud kwam weer binnen. "'k Heb even een kleine brand geblust," zei hij luchtig, "het smeult af en toe, al dagenlang, maar het is niet meer gevaarlijk." Hij ging op de tafel zitten.
    Van Gesink rook de brandlucht niet sterker dan eerder, maar de mededeling verontrustte hem toch. Maar het gesprek ergens anders voortzetten zou weer nieuwe vertragingen in zich dragen. Nog meer reden om voort te maken. Hij vroeg:
    "Waar is zij? Ik wil nú weten waar ze is."
    "Ik zal het je zeggen," zei Arnoud en stond op, "ik moet hier nog ergens een kaart hebben."
    Hij verdween achter de crème tank. Van Gesink dacht: zij is hier dan zeker toch niet... ja dat was ook te mooi om waar te zijn... Gestommel klonk, een klap op de tank, en toen was het weer stil. Hij dacht al dat Arnoud hem stiekem was gesmeerd door een verborgen deur, maar daar kwam hij met teleurgesteld gezicht terug.
    "Kan hem niet vinden. Ergens tussen gegleden. Zonde, 't was nog een bijna nieuwe. – Doet er niet toe!" Hij gaf een klap op de tank, die hol galmde. "Weet je wat hierin zit? Wasbenzine! Heb ik ontdekt. Werd gebruikt bij de extractie van vetten beneden. De installaties hebben ze weggehaald, maar de benzine laten zitten. Nog voor honderden guldens. Als ik iemand kan vinden die er handel in ziet, verkoop ik het!" Zijn gezicht drukte enig naïef optimisme uit.
    "Verdomd interessant," zei Van Gesink. "Je kunt me straks een beetje geven om mijn schoenen schoon te maken. Ik had beter laarzen en een overall aan kunnen trekken."
    Hij boog zich wat naar voren. "Maar nu terzake en geen onzin meer. Waar zit ze?"
    "Ik zal het je vertellen. Je moet echter begrijpen dat we nu een ernstige inbreuk maken op haar privéleven... ze is tenslotte bijna meerderjarig..."
    Van Gesink bemerkte dat er langzamerhand bij hem een grens werd bereikt. Steeds de vertragingen in het gesprek, de rare omgeving, de brandlucht, alles ging sterker op zijn zenuwen werken. Daar kwam nog bij dat Arnoud doodkalm aanvulde: "Ik vind: daar moet wat tegenover staan."
    "Je bent nog een even grote hufter als altijd," zei Van Gesink na een moment van stilte. Hij schoof gedurig met zijn schoen over de vloer zonder dat hij dat kon tegenhouden. "Je wilt hier dus ook weer een slaatje uit slaan..."
    "Wat je zegt," zei Arnoud opeens veel ernstiger, "maar anders gaat de pret niet door. En ik ben niet om misprijzende kwalificaties verlegen en helemaal om niet die van jou, want die ken ik zo langzamerhand wel, maar om geld. Een andere tegenprestatie kan ik niet verzinnen. – Geen geld – geen adres. Twee honderd piek en je weet het. Ik moet ook in mijn onderhoud voorzien." Hij stak zijn hand al uit om de bankbiljetten in ontvangst te nemen.
    Hoe kwaad Van Gesink ook was, hij wilde nog steeds zo gauw mogelijk het adres, en dan uit de torenkamer weg. Hij haalde zuchtend zijn portefeuille uit zijn zak en trok er gelaten een biljet van honderd uit. "Meer heb ik niet bij me," zei hij kort.
    Maar dat ging zo maar niet; Arnoud dàcht er niet over om voor dat snertbedrag het geheim te onthullen. Er volgde geïrriteerd heen en weer gepraat, waarbij Van Gesink door de ruimte begon te ijsberen – als je dat kan zeggen bij de langzamerhand tropische temperatuur in het hok; hij liep naar de tank en weer terug, gesticulerend bij al wat hij zei. – Hij dacht: ik zou hem een vuistslag middenin dat smoelwerk kunnen geven, hem van dat tafeltje afslaan. Al was het niet aan te nemen dat dàt de kwestie bevredigend zou oplossen...
    Arnoud zei pesterig: "Ik zou je hier natuurlijk kunnen opsluiten tot je je herinnert waar dat andere honderdje is."
    Van Gesink zuchtte en sloot de ogen. Hij haalde zijn portemonnee tevoorschijn en schudde hem leeg, waarbij Arnoud de ogen ten hemel sloeg en zacht begon te fluiten. Er vielen negen euro's en vijftig cent op het blad. "Meer heb ik niet bij me," zei Van Gesink, "dit is alles."
    Na nog wat heen en weer geloop en spottende opmerkingen van Arnoud, werden ze het tenslotte eens over dit bedrag. Arnoud scheurde een reepje papier van een krant en hield hem een blauwe ballpoint voor.
    "Schrijf op. Rosita zit op de Zeedijk, nummer vierenvijftig. Niet dè Zeedijk dus, maar in Uitdam. Iets minder beroemd. Of berucht. Uitdam dus – aan het IJsselmeer."
    "Kan ik zo wel onthouden," zei Van Gesink verbluft, maar ook opgelucht over het feit dat het die andere Zeedijk niet was. Hij zag in gedachten de kaart van Noord-Holland voor zich, met een vaag idee waar Uitdam lag. Maar vooral dacht hij: hoe komt zij daar, wat moest ze daar... Maar hij zei niets; hij ging op de punt van zijn stoel zitten en keek strak naar Arnoud.
    Maar deze scheen niets meer te zeggen te hebben; hij streek met een luchtig gebaar de honderd negen euro vijftig in zijn hand en stopte ze met een tevreden gezicht in zijn zak. Daarna leunde hij ontspannen tegen de tafelrand. Van Gesink overwoog alsnog even uit te halen naar Arnouds grijzende tronie. Had hij een paar borrels op gehad, dan had hij dat gedaan ook, maar nu voelde hij zich buitengewoon vermoeid, van de warmte of het gesprek... en hij zou inderdaad weg kunnen gaan, maar deed dat nog niet. Nu hij datgene waarvoor hij was gekomen had gehoord, hoopte hij dat Arnoud nog wat aanvullende informatie zou verstrekken. Waarom juist dáár. En hoe hij dat wist.
    "Anders nog iets van je dienst?" Arnoud scheen zich behaaglijk te voelen nu de zaken waren gedaan.
    "Ik zal haar de groeten doen," zei Van Gesink sarcastisch, "maar ik denk niet dat ze de groeten terugdoet... Maar vertel eens hoe..."
    Er klonk nu ergens in het gebouw een slag alsof iets zwaars omviel.
    Van Gesink sprong op van zijn stoel. "Wat is dat?" vroeg hij verschrikt, zijn ogen fel op Arnoud gericht. "Het is hier beneden! Wat gebeurt er? Het brandt! We moeten weg!" Hij zag wat vage rooksliertjes langs de deur trekken.
    "Het fikt daar!" riep hij hard, alsof hij het niet tegen Arnoud had. Hij wilde naar de deur lopen. Maar Arnoud was snel opgesprongen en hield hem tegen aan de arm; hij zei: "Maak je niet ongerust, er kan niks gebeuren, ik ga wel even kijken."
    Van Gesink riep tegen zijn rug: “Want om nu naast die tank met benzine..." en wilde direct achter Arnoud het hok verlaten. Maar die schoof met onbegrijpelijke versnelling de branddeur dicht, zodat Van Gesink er bijna tussen kwam te zitten.

Hij week in opperste verbazing achteruit. "Hé!" riep hij. Hij beproefde zijn krachten op de ondiepe handgreep van de deur, maar er was geen beweging meer in te krijgen; Arnoud moest hem aan de andere kant weer hebben vergrendeld. Verward duwde hij ertegen met zijn volle gewicht.
    Hij begon ontzettend te zweten. Opgesloten op de zesde verdieping van een hoog, brandend gebouw, met een kubieke meter lauwe kookpuntbenzine op drie pas afstand, wie had dat ooit meegemaakt? De muren worden warm en de vloer begint te roken. Je wordt langzaam geroosterd of door een explosie weggeblazen in een vuurzuil – of was je eerder al gestikt? – Een testament maken, afscheidsbrief schrijven aan je vrouw (indien je die tenminste nog had). "Arnoud!!!" brulde hij. "Arnoud!!!!"
    Maar hij kreeg geen antwoord. De hufter! dacht hij, in plaats van te pissen daarnet had die natuurlijk met benzine en lucifers lopen strooien; was hij gevlucht en had hem hier opgesloten achtergelaten!
    Mij levend verbranden!! Wat heb ik hem misdaan? Ik ben altijd veel te goed van vertrouwen geweest en wat breekt me dat nu op! Wat breekt me dat op!
    Hij voelde aan de muur of het vuur al dichtbij was. Maar die was koud. Hij hoorde de brand zwakkerig knappen en er kwam wat rook onder de deur door. Wat moet ik doen? Wat moet ik doen? Hij rende steeds korte stukjes door het kamertje als een opgesloten dier, wild zoekend naar een uitweg, hoestend van nervositeit. Zijn zweetdruppels spatten overal op de grond.
    Maar nee, dacht hij, in de eerste plaats kalm zien te blijven, een ontsnappingsmogelijkheid als die er nog is ontdekken! Hij voelde aan de tank, aan de muren. Muren van beton of baksteen, vloeren van hout, vele centimeters dik in zo'n oud gebouw. En geen gereedschap om een vluchtgat te zagen.
    – Sommigen, die de dood voor ogen hebben gehad, zeggen dat je je hele leven als een versnelde film ziet afspelen. Maar hij zag alleen maar alle fouten en fatale beslissingen ooit genomen, die stuk voor stuk tenslotte tot deze rampzalige situatie hadden geleid! Mathilde! Hun ontmoetingen... het huwelijk. Zijn vaderschap. Zijn kinderen. Rosita. Haar volwassenheid. Arnoud!
    Het geluid van de brand werd duidelijker: zacht geknapper en de galm van vallend ijzer. De ramen van de torenkamer waren zo hoog, al zou hij op de keukentafel of de tank staan, dan zou hij er nog lang niet bij kunnen. En dan nog! Op minstens dertig meter hoogte zat hij! Hij zocht naar zijn zakdoek om die voor zijn mond te doen, maar kon hem niet vinden. Van woede en wanhoop tilde hij de keukentafel met kleedje en al op en smeet die te plettter tegen de deur. – Maar nee, kalm blijven, proberen hem te forceren! Ach onzin, een branddeur forceren... ijzeren beplating met een vulling van vuurvaste stenen, dat wist hij nog van toen hij ergens werkte waar men zulke deuren had. Inbeuken lukte zelfs niet al had je een stormram ter beschikking!
    Onder de deur was een kier van wel vijf centimeter. Die dichtstoppen, dan kwam er tenminste geen rook meer binnen.
    Maar toen hij de keukentafel zag, kreeg hij een beter idee. Hij nam een tafelpoot en stak die als een hefboom onder de deur.
    Sommige branddeuren hangen aan rollen over een rail; het zou hier niet anders zijn. Hij trok het dikste deel van de poot uit alle macht omhoog. Die kier, dacht hij razend, die kier moet groter!.. De deur was wel zwaar, maar zijn hefboom ook groot; hij kon hem wel tien centimeter oplichten. Daar week de bovenkant, haakte uit de rail en sloeg met een geweldige dreun tegen het hekwerk om het bordes, waartegen hij bleef liggen. Stof en nog meer rook maakten het zicht onmogelijk, maar de trap was er nog!
    Eenmansapplaus van een verdieping lager. "Bravo voor je vindingrijkheid!" schreeuwde Arnoud, "ik wou je net komen bevrijden! Het wordt toch wat gevaarlijk! Haaahahaha!!" Hij stond zich bijna te bepissen van de lach. – "'t Was een grapje! Moet kunnen!"
    Van Gesink stond hoestend van de rook, nog met de tafelpoot in zijn hand. "Blijf staan!!" schreeuwde hij. "Blijf staan als je durft, dan sla ik die gore kop van je in mekaar!!"
    Maar hij hoorde hoe Arnoud vlug de ijzeren trap afholde. En bang dat het hele gebouw alsnog in elkaar zou donderen, kroop hij op handen en voeten over de deur en daalde insgelijks, zo vlug hij kon. Rook, roet, vuile kleren, veiligheid, nergens lette hij meer op.
    Hij zag, toen hij op de begane grond stond, Arnoud nergens meer. – Laat ook maar barsten, dacht hij en holde naar buiten.
    Zijn voetstappen ploften in het zwarte stof. Zijn auto stond nog naast het muurtje. In de binnenspiegel zag hij een glimp van zijn vuile gezicht, zijn sluike haren langs zijn voorhoofd en de kraag van zijn bevuilde poloshirt.
    Hij startte zijn wagen en spoot met geweld weg over de sintels, fervent voorover leunend, zijn gezicht dichtbij de voorruit. – "Hoe die onze hele familie minacht! Dat het een hufter was wist ik, maar zó een..."
    Op diverse plaatsen waren de IJslandse geisertjes weer actief, maar hij roste er zo overheen naar de brokkelige asfaltweg.
    "Ik heb dringend een borrel nodig," dacht hij. "Maar verdomd, ik heb niet eens geld meer op zak."
    (Wordt vervolgd).



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens