zaterdag 20 januari 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Heidewitzka's Pogingen - Afl. 2 van 29
Gepubliceerd op: 13-11-2011 Aantal woorden: 2522
Laatste wijziging: 06-02-2015 Aantal views: 1157
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Heidewitzka's Pogingen - Afl. 2 van 29

Henk Gruys



Meteen klonk uit een hoek schel: "Tetterat!! En ja hoor, daar kwam Arnoud vanachter een berg oud ijzer aan slenteren. Verschoten spijkerjasje en -broek sloten krap om zijn magere ledematen, de punten van zijn schoenen wezen als altijd naar elkaar en zijn kleurloze haar hing als een gordijntje voor zijn ogen.
Zijn gezicht zag rood, niet bleek zoals anders. De vochtige ogen zwommen, alsof hij een lachbui had gehad. Hij heeft gedronken of gesnoven, dacht Van Gesink. Arnoud liep grijnzend op hem toe, maar hem de hand drukken deed Van Gesink toch niet.
    "Je had die dakpan wel op mijn kop kunnen gooien," was het eerste wat hij zei. Het was verwijtend bedoeld, maar zijn stem klonk zacht en krachteloos in de ruimte. Arnoud liep weer bij hem vandaan. "Moet je hier komen," zei hij, "dan heb je mooi uitzicht."
Maar Van Gesink bleef waar hij stond om duidelijk te maken dat hij genoeg had van de flauwiteiten. Wel keek hij waar Arnoud naartoe ging. Het dak leek hol, als in het midden doorgezakt; houtskool, roest en oliedrab bedekten de oppervlakte. Even verderop was een groot gat, een hele hoek uit het dak weggevallen als door een bominslag. Aan de uiterste rand ging Arnoud staan; hij breidde zijn armen uit tegenover het zogenaamd mooie uitzicht. Wat een theater weer, dacht Van Gesink; hij liep naar hem toe, maar aan de rand waagde hij zich niet.
"Hier," hield Arnoud aan, "hier staan." De zon verlichtte de linkerhelft van zijn gezicht.
"Ik heb hoogtevrees," zei Van Gesink. Hij was bang dat het dak zou afbreken als ijs aan de rand van een wak. Alleen uiterst voorzichtig moest men zich verplaatsen, alleen over het pad tussen de hopen. Maar ook hield hij er rekening mee dat Arnoud hem over de rand zou kunnen duwen.
Van Gesink was tot halverwege gekomen. Van de torentjes die beneden zijn aandacht hadden getrokken, waren er maar twee zichtbaar. Hij had niet gedacht dat ze zo groot waren. Ook zag hij een soort schuur, opgetrokken van verticale planken waar alle naden zwart uit waren weggebrand. Van de schuur kreeg hij een naar gevoel in zijn maag.
Hij liep, in plaats van naar Arnoud, naar de buitenrand van het dak, naar een betonnen muurtje van een meter hoog en keek over de rand.
Met zweverig gevoel zag hij in de diepte andere straten, vervallen gebouwen, daken vol hiaten en vergane rommel. Ook de watertoren aan het eind van de weg was te zien, als een enorm dik potlood dat rechtop was gezet, de punt naar boven. Onder zich de wereld van binnenplaatsen vol troep, muren en loodsen van grote ingewikkeldheid. En dit was nog maar een deel van het uitzicht. Van Gesink schetste in gedachten een plattegrond van het geheel en werd er duizelig van.
Toen bedacht hij dat hij Arnoud had willen uitschelden. Diens stem was opeens naast hem; hij had hem niet horen naderen. "Wel aardig panorama niet?"
"Krankzinnige plaats om een afspraak te hebben," zei Van Gesink, iets toegeeflijker dan hij van plan was en, zoals hij bemerkte weinig overwicht uitstralend. Hij liep bij Arnoud vandaan, terug naar de ijzeren deur. Ineens viel hem in: zou hij Rosita hier soms ergens verborgen houden? Met die mogelijkheid had hij nog geen rekening gehouden...
"Een uitgelezen plek juist," zei Arnoud, die achter hem aan was gelopen. "Wat mankeert eraan? Ik ontvang je nog wel in mijn heiligdom! In gewone huizen en caf's word ik zenuwachtig, daar kan ik niet tegen, zoals bekend."
Dat wist ik helemaal niet van die caf's, dacht Van Gesink. Of hij lult maar wat... Maar ook over wat Arnoud nog meer had gezegd moest hij nadenken. Toen vroeg hij argwanend:
"Wat bedoel je met ...heiligdom..?"
"Die brand hier bijvoorbeeld heb ik zlf gesticht."
"O op die manier." Hij dacht: wat een toneel, een aanstellerij, hij is nog niks veranderd. "Ik wil hier niet blijven in deze rotzooi," zei hij door onrust gedreven, "laten we ergens anders gaan praten."
"Ja," lachte Arnoud als was hij in een boek aan het eind van een hoofdstuk en sloeg hij een nieuwe bladzij op. "We gaan naar beneden."
Ze liepen terug de houtskoolsnippers naar een andere deur dan waardoor Van Gesink was gekomen, en Arnoud deed hem daar voorgaan naar een bordes met gele leuning. De stalen deur liet hij met een galmende slag achter zich dichtvallen. Maar afdalen deden ze nog niet. "En hoe vind je dit? Dit al gezien?" klonk Arnouds stem weer. "Aardig interieurtje niet? Mooier dan moeder natuur vind ik."
Van Gesink, met licht zwalkende maag, keek over de vloerrand in een afgrond vol neergestorte voorraadtanks, verbrande schotten en reusachtige spaakwielen. Uit lekke buizen sijpelde water. Hij keek omhoog; boven zich, aan de rand van de krater, zag hij de inwendig verteerde schuur staan. "Wat klets je toch," zei hij, zich aan het hekje vasthoudend. "We kunnen zo wel naar beneden storten! Hou op met die onzin."
"Ach, het is zo mjn manier van regeren over mijn omgeving," zei Arnoud. "Wat heb je erop tegen? Trouwens, niemand heeft veel te klagen over mij de laatste tijd."
"Maar je blijft toch een dwangneuroticus," zei Van Gesink, "en dat ben je altijd al geweest." Oude woede kwam op. Maar hij bedacht dat er zaken waren te doen en hield zich in. "Als je zo van branden houdt, steek volgende keer het stadsmuseum in brand, dan doe je Tilly daar ook nog een plezier mee." Zijn hoofdpijn was verergerd en hij veegde met zijn beroete hand over zijn voorhoofd. "Je begint steeds meer op zwarte Piet te lijken," lachte Arnoud, die over het hekje was geklommen. Maar Van Gesink wilde zich onder geen beding meer laten afleiden. Hij vroeg: "Heb je Rosita kort geleden nog gesproken?"
"God man, wat zeur je toch. Zeg, je kunt beter hier aan de rand komen staan..."
"Lul niet, ik heb hoogtevrees zei ik al, niet op de trap, maar wel aan zo'n afgrond. Voor flauwekul ben ik niet gekomen. Ik wil alleen weten waar ze is, anders niet."
"We gaan zakken," zei Arnoud subiet. Hij liet Van Gesink voorgaan en ze daalden naar een lager bordes. Als hij me een schop geeft, stort ik te pletter op het beton beneden, dacht Van Gesink.
Op de zesde verdieping was een rode branddeur terzijde van de trap. Arnoud trok een ijzeren pin uit de muur en schoof de zware deur opzij. "Hier naar binnen!"
"Waarom in deze troep," protesteerde Van Gesink zwak. "Ik wil beneden praten. "
"Waarom juist hier?" zei Arnoud, "nogal eenvoudig, ik woon hier."
Van Gesink keek hem even aan. En al raakte hij langzaamaan immuun voor Arnouds mededelingen hij vroeg toch lichtelijk verbaasd:
"Woon jij in deze bende?"
"Bevalt het je niet? Dan zeg je het maar hoor, en ga je maar weer. En ik laat je het gebouw nog wel zien! Dat monumentale specimen van industrile architectuur! Nu zo roemloos aan haar einde gekomen."
Hij kletst maar wat, dacht Van Gesink. Architectuur! Wat kan hem dat schelen. Niettemin, bij het woord "monumentaal" voelde hij het gebouw weer als een burcht van reusachtige grootte onder zich.
Ze waren intussen de ruimte achter de deur binnengegaan.
Het kamertje kon inderdaad een verblijf zijn, met die oude tafel, stoel, stoffen bank en zelfs een kleed op de vloer. Maar plafond en wanden waren lichtjes beroet, zoals alles hier; en was het er net zo smerig als overal, met houtskool, blik en plakken asfaltpapier op de grond. Het enige dat er niet bij leek te horen en toch nogal ruimte innam, was een liggende, crme geschilderde voorraadtank aan de achterzijde. Dit moet in een van die torens zijn, dacht hij. Maar voor zijn gevoel leek dit een kelder tegelijk.
wilde haast maken. "Zeg, ik wil ter zake komen. Waarm heb je mij gebeld? Waarom nu?" Hij keek Arnoud niet aan.
"Je was naar haar op zoek," zei Arnoud, terwijl hij kort naar Van Gesink keek, "via kennissen hoorde ik dat." Hij ging op de rand van de tafel zitten. "...Dat is echter niet de enige reden dat ik eerlijk ben... maar dat zal je niet interesseren." Hij staarde op het tafelblad en keek Van Gesink toen weer aan, zonder verder iets te zeggen.
Deze vroeg zich opnieuw af of Rosita hier verborgen was, of zelfs opgesloten, zodat het niet mogelijk was contact te krijgen.
"Vertel eens van de laatste maanden," zei Arnoud geheel op zijn gemak, "hoe was zij de laatste tijd?"
"Ze is er vanf, zover ik weet, en ik hoop dat ze er door jou niet meer aan terug raakt." Waarom geef ik hier antwoord op, dacht hij. "Je begrijpt toch wel," zei hij, "dat ik niet gekomen ben om je van alles aan je neus te hangen; ik wil het weten en dan zo gauw mogelijk uit deze troep weg."
Hij keek Arnoud aan in de vage hoop dat die meteen over de verblijfplaats zou beginnen, en hij niets anders hoefde te doen dan alleen maar te luisteren. Of nog beter: dat hij Rosita op een of andere wijze tevoorschijn zou toveren, en hijzelf onmiddellijk met haar zou kunnen vertrekken. Gelukkig einde aan een irritant en onvoordelig begonnen ontmoeting.
"Niet zo overhaast," zei Arnoud rustig, "'t is veel te warm." Hij schoof met zijn voet een keukenstoel naar Van Gesink toe en ging zelf zitten op de zwarte canap.
Van Gesink aarzelde. Het leek hem toe dat het zitten zijn verblijf nodeloos zou verlengen. Maar toen deed hij het toch maar om het gesprek op gang te krijgen. "De laatste vier weken hoorden we niets meer. Daarvoor belde ze nog wel op. Sporadisch, maar toch met zekere regelmaat."
"Waarom was zij eigenlijk bij jullie vandaan gelopen, was er dan iets voorgevallen?"
Van Gesink zuchtte.
"Dat niet, ze was op een gegeven moment gewoon vertrokken. Maar z was ze wel dat ze ons meestal niet in ongerustheid liet. Vandaar dat we nu dachten dat er iets mis was, ze in een vervelende situatie terecht was gekomen."
Ik vertel weer veel te veel, dacht hij, waarom zulke intimiteiten uitgerekend aan hem? In de verwachting dat hij dan wat meedeelzamer wordt?
Maar het had er de schijn van dat Arnoud toch iets minder wist dan hij had gehoopt.
"Maar ze ws vertrokken," zei Arnoud. "En zonder dat jullie wisten waarom?"
"Ja," zei Van Gesink, "de situatie toen was echt niet anders dan ervoor."
Er zat geen greintje voortgang in het gesprek, Arnoud vertoonde in de kwestie nog steeds geen haast. Van Gesink keek af en toe om zich heen. Doorgerookt was het er, aangebrand en bewalmd, al had de vuurzee hier niet binnen kunnen loeien. Uit drie kleine bovenramen, vrij hoog, zonder glas, kwam middaglicht. Ofschoon de branddeur nog op een kier stond, dacht hij: ik lijk hier wel opgesloten... Ineens kreeg hij het plan: ik ga haar hier zometeen zelf zoeken, of hij dat nu wil of niet, dan merk ik aan zijn reactie wel of hij haar verborgen houdt.
Arnoud sloeg zijn magere benen over elkaar en zei met een scheef lachje:
"Maar ze had haar buik vol van jullie, en ze zei: Ik heb het wel gezien bij die ouwe mensen." Hij scheen nogal geamuseerd door het gesprek. Hij maakte een gebaar of het de logica van de logica was en zei: "Zo is het probleem weer terug bij zijn oorsprong: het ouderlijk milieu."
Stik, dacht Van Gesink. Maar hij wist dat het niet verstandig was kwaad te worden. Hij zei zo kalm mogelijk:
"De grootste moeilijkheden kwamen pas nadat ze met jou omging! Dat blijkt. Dat ging toch ook niet langer? En ik ben niet de enige die dat vindt! Rosita zei dat je steeds meer een sadist werd."
"Nee werkelijk," lachte Arnoud, "spijt me oprecht! Je zou anders eens moeten weten wat ik allemaal met haar heb meegemaakt."
"Dat geloof ik best," zei Van Gesink heftiger, "maar met wie had ze te maken? Met een mafkont, eentje die alles wilde hervormen zoals hij beweerde, een hemelbestormer, maar wel een die tot twee uur in de middag op z'n nest bleef liggen stinken. Die liep te ouwehoeren over een nieuwe wereldorde, maar zich ontpopte als een junk zonder vaste woon- of verblijfplaats. Een brandstichter..."
Hij merkte dat hij weer met zijn handen sprak; een teken van onzekerheid en tekort aan overtuigingskracht. Hij had zijn woorden trefzeker willen maken, dodelijk van ironie, maar het enige wat hij deed was: oude verhalen opdissen op een te betrokken emotionele wijze, en wat schoot je daar bij de hufter mee op?
Och ja. Zoiets," zei Arnoud afwezig. Hij scheen Van Gesink nauwelijks te hebben gehoord. Hij zat voorover, de ellebogen op zijn knien; zijn fletse haar hing over zijn voorhoofd, Van Gesink keek recht op zijn warrige kruin. Hij scheen met zijn gedachten er niet bij, of was ergens naar aan het luisteren. Toen keerde hij zich langzaam, als tegengewerkt, weer naar Van Gesink:
"Waarom wilde je eigenlijk weten wr ze verblijft? Ze is praktisch meerderjarig, ze kan doen wat ze wil. Het zou voor jullie toch voldoende zijn te horen dat ze veilig is..."
"Ik heb al gezegd dat we ongerust zijn. Dat als we niets horen, het niets goeds te betekenen kan hebben. Ik wil gewoon dat ze weer naar huis komt, want zoals het nu loopt, gaat ze haar ondergang tegemoet."
"Ja, de een verzamelt postzegels, de ander mannen, " zei Arnoud droogjes, "dat was al voor onze relatie en dat zal nog steeds zo zijn... De reden ook... ik zal je de confidentie maar doen... waarom ik nog steeds wat jaloers ben op die anderen waar ze mee gaat, hoe gek dat ook klinkt."
Van Gesink hoorde ervan op, maar liet niets merken. Van wat Arnoud over zichzelf onthulde, geloofde hij meestal niets en al helemaal niets als het zo oncontroleerbaar was.
"Ze zal je anders niet meer terug willen na alles wat gebeurd is," zei hij op het vorige aansluitend, "zet dat maar uit je hoofd jongen. Is dt de reden waarom je me hebt gebeld... dat je hoopt dat het weer goed komt tussen jullie?.."
(Wordt vervolgd).




Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en Ren Claessens