zaterdag 20 januari 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Heidewitzka's Pogingen - Afl. 1 van 29
Gepubliceerd op: 12-11-2011 Aantal woorden: 2578
Laatste wijziging: 06-02-2015 Aantal views: 1185
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Heidewitzka's Pogingen - Afl. 1 van 29

Henk Gruys


                                        Wie verschil maakt tussen droom en
                                        werkelijkheid is nog niet voldoende
                                        wakker geworden.
                                                                        Jean de Boisson




                            H E I D E W I T Z K A ' S   P O G I N G E N


                                                Roman




                                    H O O F D S T U K  E E N

Met ijzerdraad probeerde hij de verf eruit te krabben. Dat de troep aan de auto kwam gaf niet, dat was toch een oude, maar van zijn schoenen, bijna nieuwe, was het zonde. Hij hield zich met één hand vast aan het hek. Maar zijn zolen waren sterk geribbeld; de menie ging er maar gedeeltelijk uit. Toen probeerde hij de rest aan het armzalige gras af te vegen, maar ook dat lukte nauwelijks. Nu zag hij dat het ook bovenop zat, bij de veters.
    Van Gesink was gestopt en had bij het uitstappen meteen in de verf getrapt, gestroomd uit plastic emmertjes die achteloos aan de kant van de weg waren gegooid. – Dat doet men verdomme zomaar, dacht hij. Hij zocht naar iets waaraan hij de vuiligheid kon afvegen, maar nergens lag papier of een lap. – Hij stond op één been in een strookje gedeeltelijk weggesleten groensel. Het gaas van het hek was roestig en hing vol flardjes plastic zover je kon kijken. Het hek begrensde geen specifieke terreinen meer; erachter lag bultig grasland vol kale plekken, op sommige plaatsen glooiend door oude, sinds lang geslechte funderingen. – Waar ben ik terechtgekomen, dacht hij, een uithoek. De gemeentegrens, de zelfkant van een stad; die ziet er overal hetzelfde uit: verval, vervuiling, en oud roest...
    Waarvoor hij zojuist was gestopt, was een bordje aan een paal, waarop met moeite de letters Ee eg waren te ontcijferen; niets wijzer had het hem gemaakt. Van geen nut was zijn uitstappen; alleen zijn schoenen verpest! Hij keek naar zijn schoenen; inderdaad, ook het bovenleer was verontreinigd, waarschijnlijk loodmenie – nog vergiftig ook.
    Hij smeet het ijzer in het hek en liep in de hitte terug naar de auto. Even dwaalden zijn gedachten af naar Arnoud en Rosita, maar dat was te weinig concreet om er vervolg aan te geven.
    Benzinelucht bij zijn wagen en net of het daar nog heter was dan bij het hek. Hij stapte in, maar liet het portier open, startte en reed weer. Al rijdend keek hij om zich heen. De middagzon spiegelde schel in het olieachtige water van een binnenhaven met verzakte kademuren verderop. Twee- of driehonderd meter voor hem uit torenden zeer hoge gebouwen, vemen en bijna antieke fabrieken van baksteen en beton, sinds jaren niet meer in gebruik; oude dromen van inmiddels gestorven kapitalistische voormannen. Hij herkende weinig, al moest hij hier als kind meerdere malen zijn geweest. Niet meer dan vage herinneringen aan iets groots, overweldigend geheimzinnigs had hij eraan overgehouden...
    Dat hij op de juiste plaats was, leek steeds onwaarschijnlijker; geen huis, kantoor, keet, nergens iets waar je je een plaats voor een gesprek kon voorstellen. Overal afval; langs de weg hier en daar een oude auto zonder deuren, zonder wielen. Hij zag links een soort zijstraat – zou hij dáárheen moeten? Hij reed hem in, maar de straat liep na een bocht dood op een hoog hek om een veem. Achteruitrijdend belandde hij weer op de weg.
    Op de weg en ook bij het water was geen leven te bespeuren. Stapvoets reed hij langs het eerste hoge gebouw. Ik ben toch niet van plan hier te blijven ronddolen, dacht hij. Want misschien was dat zogenaamde gesprek een grapje geweest van zijn hufterige schoonzoon en deze hele expeditie zinloos. Daar was het precies een figuur voor. Hem op een snikhete middag naar deze rotzooi laten komen voor niets. Van Gesink ving in gedachten Arnouds hoongelach op, als die hoorde hem weer eens met succes voor de gek te hebben gehouden.
    De weg was zo hobbelig dat zijn portier dichtsloeg met een klap. Het deed hem de hitte nog erger ondergaan; hij voelde zweet op zijn voorhoofd en overal onder zijn kleren.
    Opeens had hij geen zin meer. Hij stopte, draaide het contact om, en veegde met zijn zakdoek de druppels van zijn gezicht.
    Doodstil zat hij in het oude interieur van zijn auto als in een cocon. Hij legde zijn hoofd op het stuur. Ook binnenin de wagen had het verval toegeslagen en was het een grote troep op de vloer. Met gesloten ogen voelde hij de aanwezigheid van de raampjes om zich heen, waardoor je het landschap waarnam, – decor uit een film toen hij achttien was; in de bioscoop was hij geen jaren meer geweest. En vijfendertig jaar later waren er van de dromen slechts zon, hitte, zweet, stof, verval en verveling overgebleven...
    Het was in de wagen nog warmer dan op de weg, en tot overmaat van ramp konden de portierraampjes niet meer omlaag. Waarom was hij eigenlijk gestopt? – Hij hield de ogen gesloten, stelde zich, om zijn hoofdpijn te verminderen voor dat alles buiten ijs was, óverkoud, het hek berijpt, muren, daken, de weg, alles bevroren – zelfs dat hij met de wielen op het ijs stond. Maar hij kon de beelden niet vasthouden, ze zonken weer weg, tot waar hij er niet meer bij kon.
    Hij draaide zonder te kijken de contactsleutel om, startte en reed langzaam verder, een lange flauwe bocht in. Hij kwam voorbij een veldje van dor gras. Daar zag hij weer zo'n naambordje, bevestigd aan een rechtop gezette tramrail, te ver weg om te ontcijferen wat erop stond.
    Toen hij uitstapte om te kijken, spoot een paar meter verder uit de grond een dunne grijze fontein op, een onderaards gaslek, een IJslands geisertje van stof; het vertoonde een snel afnemende druk. Hij wist niet wat het was, liep erheen, maar het was al opgehouden. Hij zag een gaatje in de aangestampte grond als door het insteken van een breinaald, niet groter.
    Op het bordje was door de roest absoluut niets meer te lezen en hij liep terug over het met plukken onkruid begroeide sintelterrein. Verderop stonden aan weerszijden van de brede weg nňg hogere gebouwen, die leken door een betonnen watertoren aan het eind te worden bewaakt. Overal afgebladderde silo's, half omgevallen kademuren, wankele schoorstenen, kapotte ramen en vergane ijzerconstructies. In de fabrieken moest de produktie al tientallen jaren geleden zijn gestaakt. Roestige spoorrails met handwissels liepen langs de gebouwen; op een kruispunt een deels gesloopte spoorwagen. En nergens een mens te bekennen. – Het felle zonlicht stak zijn hoofdpijn weer aan.
    Hij had zin om terug te keren, thuis te douchen en een borrel te nemen, maar twijfelde weer of dat nog niet voorbarig was. "Bij het bordje NEGENTIENDE WEG" had de hufter gezegd. Omdat van Gesink voortdurend op bordjes op palen en aan muren lette, stuurde hij als een laveloze automobilist naar links en rechts. Hij merkte zodoende te laat dat hij van de weg raakte en over een hoge hobbel van de rails reed, zodat zijn wagen met een schok naar voren dook en hijzelf met het hoofd tegen het dak vloog. Hij hoorde een harde tik onder de vloer, maar gebeuren deed er niets. Hij gaf veel meer gas en belandde zonder moeite weer op de weg.
    Nee, ook dichterbij de gebouwen bleef het dezelfde vervallen verlatenheid, hij ging hier maar keren... Even voorbij een ander pand rechts, wellicht het grootste van allemaal, zag hij een leeg terreintje; er waren geen rails en hij zou er makkelijk kunnen omdraaien. Zijn banden kraakten op kapotte groene flessen tussen de sintels. Hij keek intussen naar het gebouw. Het was in ieder geval zeer hoog; hij moest bukken om de bovenkant te zien. Het had op grote hoogte bakstenen torentjes als een toverkasteel, op iedere hoek één. Industriële architectuur uit de jaren twintig, toen men nog oog had voor dergelijke versieringen. Muren met grauwbruine cementbanen; aan de onderkant had de graffiti-jeugd zich hevig uitgeleefd in kakelbonte kleuren. Geen ruit of deur zat er meer in het gebouw. Niemand te zien, Van Gesink stuurde met ruime bocht voorbij een muurtje naast een water dat uitmondde op een breder kanaal erachter.
    Toen, hij wilde alweer wegrijden, viel zijn oog op een bordje aan een halfopen stenen loods:
                NEGENTIENDE WEG
Het was toch niet te geloven! Hij zette de motor af en stapte uit. Had hij Arnoud dan toch ten onrechte veroordeeld? Hij keek over het sintelveld en de weg, maar er was niemand. In de kasteelachtige fabriek dan zeker. Natuurlijk net iets voor de hufter. Theater!! Zonder gekheid, dit was toch geen plaats om af te spreken?.. Ja hij was gestoord – en hij verloochende zijn afkomst niet, zoals hij altijd al had gezegd, waarbij zijn schoonzoon alles naliet om het te weerleggen.
    Ineens een geweldige klap naast zich, Van Gesink dóók ineen. Een groot stuk klapte uiteen op het muurtje; zwarte scherven spatten rond. Vrijwel direct hierop ratelde een zwerm steentjes als meteorieten op de auto; hij voelde er zelfs een op zijn schouder tintelen.
    "Godverdomme, het is de hufter," mompelde hij. "Ik had wel zo'n pan op m'n kop kunnen krijgen! Op het dak zit-ie me nu uit te lachen. Hij keek omhoog, maar zag niemand.
    – Hij denkt misschien dat ik niet durf! Maar dat zal hem heugen! Als hij vervelend doet, sla ik hem zo over de rand!
    Hij begon op het gebouw af te hollen, vol woede, maar uit voorzorg voor meer projectielen telkens naar boven kijkend.
    Hoe meer hij het pand naderde, hoe hoger de muren en hoe majestueuzer het bouwwerk dat ermee was opgetrokken.
    Hij liep blindelings een deurgat in. Binnen keek hij om zich heen. Schemerige betonnen kamers naast elkaar, raampjes erin zonder glas; een kerkhof van rommel, schotten en plaatijzeren goten schots en scheef neergesmeten op de vloer.
    In een donkere hoek ontdekte hij een ijzeren trap naar boven. Klauterend over de obstakels kwam hij bij de trap, en zonder zich om iets te bekommeren stoof hij die meteen op. Het holle ijzer daverde door het gebouw. Hij was binnen tien seconden buiten adem. – Ik ben een idioot, dacht hij, als ik straks boven ben, heb ik niet eens meer lucht om hem uit te vloeken!.. Wat was zijn uithoudingsvermogen slecht geworden! Hij deed ook nooit meer iets aan sport...
    Hij werd zich steeds meer bewust van de ongewone omgeving; deze immense constructie en de indrukwekkende afmetingen gingen zijn denken beďnvloeden, en begonnen zijn voortvarendheid aan te tasten. Zijn woede bekoelde en maakte plaats voor een zekere voorzichtigheid. Hij matigde zijn snelheid nog meer, want hij moest zich er voortdurend van vergewissen of de trap nog wel hield, of de leuning niet kon losschieten, zodat hij met het ijzer en al omlaag zou storten in een trechter van stof.
    Hij was nu boven de betonnen kamers en kwam op een ander bordes, tweede verdieping. Deze en ook de derde verdieping bestonden uit driehoekige, hoge, aan alle kanten gesloten silo's met een paar roestige luiken erin.
    Hij realiseerde zich meer en meer in welk raar interieur hij zich bevond. Dat malle zonlicht ook dat door de glasloze vensters langs banen van stof naar binnen scheen. Toen hij klein was had hij samen met zijn grootvader eens een fabriek bezocht. Scheen het licht daar toen net zo, door raampjes? Maar hij moest zich niet door zulke dingen laten afleiden! Dat maakte je op een of andere wijze kwetsbaar en emotioneel, en kostte energie bovendien. Nee vooruit, de confrontatie met de hufter opzoeken! – Toen hij weer aan hem dacht, leek het of hij in de tijd een stukje had overgeslagen.
    Maar op de vierde verdieping – met verbazing en weerzin zag hij het – had in een hoek een binnenbrand gewoed. Alles was min of meer beroet en door de hitte aangetast. Er hing een stank als van Gelderse worst.
    Hij kreeg spijt dat hij hier binnen was gegaan. Hij was ook altijd veel te onbezonnen! Beter had hij de hufter beneden kunnen ontbieden, in plaats van deze smerige en bovendien gevaarlijke toeren uit te halen! Hij voelde zich langzamerhand vrij weerloos tegenover zijn onzichtbare, doch in zijn verbeelding onweerhoudbaar groeiende tegenstander.
    Maar terugkeren kon toch eigenlijk ook niet meer. Steeds schudde hij met kracht aan de trap voor hij een nieuw bordes beklom. Hij bereikte eindelijk de zevende vloer, zonder dat de trap was losgeraakt, doch hij was buiten adem en het schemerde hem voor de ogen. Hij hield even rust en keek om zich heen. Ook hier was het interieur door de vlammen aangevreten. De vloer was gedeeltelijk verdwenen en lappen gesmolten asfalt hingen langs de binnenmuren. In het midden van de zoldering was een gat zo groot als een huis, waarachter de blauwe zomerhemel stond. IJzeren balken hingen als verwrongen draperieën om het gat. De "vloeigrens" van ijzer, dacht hij. Niet te verwarren met het smeltpunt! Hij glimlachte ondanks zijn bekommernis. Wie wist zoiets nog, dertig jaar na de natuurkunde op de middelbare school? Zijn hersens waren beter gebleven dan zijn spieren!
    Toen hij aan het einde van de trap een bordes met stalen deur bereikte, was er van zijn boosheid niet veel over. Veeleer uitgeput voelde hij zich, trillend van inspanning en een tikje hulpeloos, nu hij zo ver aan de veilige begane grond was ontstegen.
    Hij opende behoedzaam de deur en gluurde om de hoek.
    Van het grote dak was het meeste nog intact. Het leek wel een opslagplaats van onbruikbaar geworden materialen: spaanplaat, asbestgolfplaten, teerpapier en dekzeilen, door elkaar, kapot of gedeeltelijk verbrand. – Niemand te zien. Hij zou hier wel naar de hufter willen zoeken, maar overal te lopen zonder te weten hoe sterk het verbrande dak nog was, leek niet verstandig. Het was dan ook met de grootste voorzichtigheid dat hij de deur uitstapte.
(Wordt vervolgd).




Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens