woensdag 25 april 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Koninginnedag - Afl. 7 (slot)
Gepubliceerd op: 25-07-2011 Aantal woorden: 2207
Laatste wijziging: 04-02-2018 Aantal views: 1431
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Koninginnedag - Afl. 7 (slot)

Henk Gruys


De hulde


Tenslotte vond Arian wat rust op de vlonder van het brugwachtershuis beneden aan het water. Verschillende oude bekenden waren aanwezig: de brugwachter, die hij eerder had ontmoet, zijn kleine zoontje die op mocht blijven omdat het feest was en ook de kelner uit het café in de Hoofdstraat was ter plekke, met over zijn schouder een serveerdoek geslagen.
    De brugwachter, die viste op de steiger, had een radio in de vorm van een zwart-wit-geblokte voetbal bij zich staan die de bekende roddelmuziek gaf, met een vrijwel onverstaanbare spreekstem erdoorheen, misschien een buitenlands station.
Maar ook dit lacuneus gebabbel stoorde Arian nog een weinig bij zijn sombere overdenkingen.
    Want diep was hij in zijn deceptie afgedaald, Arian. Mat staarde hij naar de golfjes rond de vlonder. Zijn aftocht, zijn onherroepelijke nederlaag was het die hij hier recapituleerde; en een bittere drank kon hem niet bitterder smaken dan de wijze waarop hij aan zijn ontmoetingen met Lina terugdacht. Haar steeds grotere terughoudendheid, aarzelingen, zelfs haar boosheid: het had een teken moeten zijn. Toch leidde hij zijn aandacht daar weer van weg, want hij moest de schuld zeer zeker ook bij zichzelf zoeken. In zijn vertrouwen in de toekomst had hij op die signalen onvoldoende acht geslagen. En nu moest hij pijnlijk erkennen dat door zijn eigen onhandige, misschien zelfs afstotende houding van de laatste dagen het niet eens zo onlogisch was dat Lina hem uiteindelijk niet haar liefde had gegeven en het in het geheim met barman Luuk had aangelegd.
    En zo was zijn droom een hartveroverende, maar verloren illusie geworden. En het ontwaken onderging hij thans, ontelbare malen opnieuw – met zich telkens af te vragen wat er nu verder moest gebeuren. Het beste zou natuurlijk zijn Lina maar helemaal te vergeten, zijn oude leventje weer op te pakken alsof er niets niemendal was gebeurd, maar hij wist heel goed dat hij dat niet kon.
    En hij werd weer heel treurig nu, omdat het betekende dat hij nog steeds van Lina hield. Terug kon hij echter ook niet meer.
    Op de remming was de kelner met de brede grijns een tafel keurig aan het dekken en flessen en glazen erop aan het zetten. De brugwachter die Arians zwijgzaamheid en gepeins had bemerkt, wees over zijn schouder en zei om hem een beetje af te leiden:
    "Aan alles is gedacht. Zoals je weet bestaat vandaag ook onze voetbalclub vijftig jaar, tegelijk met het koninklijk jubileum. De café's daarom: tjokvol! Maar ik houd niet zo van die drukte en daarom heb ik het mij hier maar gemakkelijk laten maken." Hij haalde zijn hengel op en trok een struik wier omhoog, waaruit nog drie fosforescerende vissen terug in de golfjes vielen. Meteen niesde hij. Het echode over het water; het is of dat geluid uit die fabriekspijp komt, dacht Arian.
    Op bijna hetzelfde moment stond Louise op het plankier als kwam ze uit de lucht gevallen. Ze zag er bezweet uit en hijgde. "Ik heb je lang moeten zoeken," zei ze tegen Arian, "maar je bent er tenminste nog. Alle anderen zijn verdwenen, wat is er toch met je gebeurd?"
    – Je kunt me toch iedere keer weer gemakkelijk vinden, dacht Arian. Eerst op dat podium, toen in dat café en nu weer hier...
    Hij verwaardigde zich niet naar haar te kijken, tè zeer beledigd daareven. Maar hoe ronduit onsympathiek hij haar thans ook achtte, hoe minimaal aantrekkelijk zij hem ook voorkwam, hij had zich toch even afgevraagd: welke anderen bedoelt zij?
    Ze tikte hem zachtjes op de wang als ter berisping en liep naar de spelende radio waar ze naast ging zitten; hijgen deed ze al veel minder. "Muziek is eigenlijk het mooist als zij niet wordt gespeeld," zei ze tegen de brugwachter.
    De oude man, de schilder, zag hij ook weer. Hij kwam afgedaald van de ijzeren ladder van het brugwachtershuis en drukte even met zijn vinger tegen een raampje waar hij langskwam. – "Zijn ogen moeten alweer bijna normaal zijn," mompelde Arian. Hij wou nog roepen: "Ik heb dat schilderij van u nog gezien in de fabriek!" Maar hij hield de woorden bijtijds in. Niet zozeer om de pijnlijke herinnering aan de gebeurtenis, maar omdat hij er ineens niet zeker meer van was, dat het inderdaad hetzelfde doek was als hij had aangetroffen in die dienstwoning. Toch stak hij zijn hand op ter begroeting, maar de oude zag het niet.
    De brugwachter riep van de remming dat ze moesten gaan aanzitten aan zijn gedekte tafel, en ze stonden gevieren op. En nadat ze hadden aangeschoven aan de papieren lakens, hief hij het glas en ving hij aan met zijn speech.
    Hij heette dus alle aanwezigen hartelijk welkom. Al was het doodjammer dat "de anderen" er nog niet waren. Misschien dat ze nog vertoefden bij de haven, waar ook hij vanmiddag was geweest, en daar had gezien hoe de kademuren als pieren in het water staken. En hoe bevolkt de zandstranden al waren waarover hij was afgedaald om zijn boterhammetje op te eten. En dat ze de tijd helemaal vergeten waren; dat was heel goed mogelijk, want dat was hèm ook wel eens overkomen toen hij daar was enzovoorts enzovoorts.
    Arian, hoewel van tijd tot tijd geraakt door het oplevend rumoer op de brug, viel bijna in slaap van zijn temerige voordracht. Met weinig interesse nog zag hij over de brugleuning een stalen wagentje voorbij racen, waarbij de achterlampen groot opgloeiden voor het tussen het gepeupel verdween. De toeschouwers moesten allemaal snel hun ellebogen van de leuning halen, wilden ze niet worden geraakt. Twee knaapjes bestuurden het met een toetsenbord. "Perfecte modelbouw," mompelde Arian in een laatste wakkere opwelling, "een hele prestatie voor zulke kleine jongens." Maar vervolgens sliep hij al weer bijna.
    Even later drong de slome stem van de brugwachter weer tot zijn bewustzijn door. Die legde uit dat hij had gevraagd wat die geweldige roestige buizen, zoals voorkwamen in de buurt van staalfabrieken of hoogovens, en die overal door- en overheen kruisten, nu eigenlijk te betekenen hadden.
    "Weet u dat dan niet," hadden ze gezegd, "dat is voor de oorlogsindustrie die hier overal gevestigd gaat worden."
    "Oorlogsindustrie!" De kelner lachte honend, "die nieuwe tijd hè, die is op geen enkele manier meer tegen te houden," zei hij.
    "Wat een flauwekul," zei Louise verontwaardigd, "en geloofde u dat?"
    De brugwachter vertrok zijn gezicht. "Misschien in de lucht ja, maar op de grond niet, die vliegtuigen waren misschien wel geheime tekens." Hij keek verlegen naar zijn voeten.
    Er daverde op dat moment een serie knallen door de lucht, die de radiomuziek in stukken hakte en als ballen van geluid over het water meevoerde. Waardoor het lawaai veroorzaakt werd, was niet te bepalen. De brugwachter stond evenwel haastig op.
    "De Telegraaf" is zojuist gekomen," zei hij. En inderdaad was het aflopen van een elektrische bel hoorbaar in het bedieningshuis. Hij beende haastig weg over de balken, de oude slofte achter hem aan.
    De opgeruimde kelner ruimde de tafel op en verdween tussen de pijlers van de brug om een plas te doen, en zo bleven Arian en Louise alleen over. Arian kéék niet eens naar het meisje, zo onverschillig liet ze hem, zo negeerde hij haar. Eerst leek Louise zijn antipathie nog niet te geloven, zei ze nog wel eens iets, bijvoorbeeld dat ze hem helpen wilde, of lachte ze zachtjes. Maar toen hij geen antwoord gaf, haar zelfs zijn rug toekeerde, ging zij verongelijkt haar nagels poetsen. Tenslotte zette zij de radio af. Zo zaten ze nog een poosje zwijgend bij elkaar.
    De avond was werkelijk aan het dalen en zelfs twee maal zo vlug als gewoonlijk, omdat er een lichte bewolking was opgekomen die zich snel over de hemel verspreidde.
    Opeens wees Louise achter de antieke brugleuning waar de onrust nogal groot was en riep: "Daar gaat Lina! In een lange jurk en met een parasolletje over haar schouder!" Maar Arian zag Lina nergens. – Alweer aanstellerij, dacht hij; hij kon werkelijk niets aardigs meer over Louise bedenken.
    Louise sprong evenwel haastig op, holde over de remming, sprong bokje over de dukdalven, klom tegen de brug op en was in een oogwenk in de drukte verdwenen.
    Arian stond na korte tijd ook op, ging naar het vlot en wikkelde lusteloos zijn vissnoer op. De avond had zijn daling weer gestaakt en de hemel had de kleur van melkglas aangenomen. De rivierbocht leek nu nog meer op een zwartaangeslagen, halflege badkuip waarin het kind zijn speelgoed laat dobberen. Het was of iets groots in de omtrek zijn adem inhield.
    Over het lage water begon Arian te turen. En daar kwamen ze al aangeronkt: de duistere bootjes op weg naar de fabrieken. S a b o t a g e ging het door hem heen. Ook barstte er tijdelijk een verontrustend lawaai los – of dit geweervuur was dan wel het beloofde vuurwerk elders in de stad, viel niet uit te maken. In het noordwesten was de hemel rood door Bengaals vuur of een kolossale brand.
    Tegelijk doofde een goed gemikte steenworp de groene schijnwerper die de hele avond de baggermolen met de duikdemonstraties had verlicht, en een massaal hoongelach klonk op.
    En terwijl Arian langzaam in de richting van de brug liep, denkend: wat gaat mij dit eigenlijk allemaal aan, zag hij opnieuw heel scherp de eronder hangende illuminatie glanzen. Maar ook waren duidelijk de kunststofkokers ertussen te zien, tot pakketten samengesnoerd en onderling verbonden met lonten. "Dynamiet"! flitste het door zijn gedachten, "als straks de verlichting aangaat, vliegt de brug met alles erop de lucht in!" De brugwachter zag hij nergens – wel de oude man die ernstig luisterde naar een mededeling van de kelner, waarbij ze langzaam in de richting van de ijzeren trap liepen.
    Er werd voortdurend geschoten met een mitrailleur en er ontstond hier en daar tumult op de brug; hele groepen sprongen in het water. Op verscheidene plaatsen op de oevers waren oliebranden uitgebroken.
    Op dat moment hoorde Arian zijn naam roepen. Toen hij opkeek zag hij iemand over de remming komen aanfladderen: Een vrouw, ze leek als op de vlucht, waarbij de koppen der dukdalven hachelijke obstakels waren.
    Het was Louise, maar wat zag ze eruit! Haar mooie jurk was aan flarden; en ze huilde zo dat ze bijna van de balken viel.
    "Er is iets vreselijks gebeurd," snikte ze, terwijl ze hem om de hals vloog. "Er is opstand, het gaat op alle radio's! De vliegers hebben in plaats van brieven, bòmmen op het koninklijk paleis gegooid, Luuk en de anderen! De toestellen zijn neergeschoten. De piloten te pletter gevallen allemaal! De koningin ligt op sterven! De gebouwen staan in brand. Wat moeten we toch beginnen?!" Arian zag de kelner en de oude man bezorgd om haar toelopen, nadat ze even schichtig achterom hadden gekeken.
    Hij moest Louise ondersteunen en stevig vasthouden op het vlot, anders was zij zó in het water geplonsd.
    En terwijl hij het snikkende meisje voor zich uit duwde over de vlonder, overkwam hem een gevoel van grote kalmte en zekerheid. Het was alsof hij deze ontwikkelingen al een hele tijd had voorvoeld, of alles uiteindelijk een gevolg was een van natuurlijke wet, en de voltrekking slechts had afgehangen van een paar schijnbaar onopvallende omstandigheden.
    De brugwachter kwam uit zijn deur en liep in Arians richting, de armen omhoog in wanhoop. De oude en de kelner haastten zich direct naar hem toe, terwijl ze het schreiende jongetje meevoerden.
    Toen bonkte tegen de steiger een grote motorboot, welke Arian niet had opgemerkt.
    Uit de boot met enorme kajuit zag hij een drukdoend mannetje op de vlonder springen, met in zijn hand een dik touw, waarmee hij zijn scheepje tegen de palen trok.
    Het was de bruine roerganger van de zandsleep eerder op de avond. En het gaf Arian werkelijk een schok hem, van wie hij toen zo onder de indruk was geraakt, van zo dichtbij mee te maken.
    "Allemaal mee!" schreeuwde de kleine man, waarbij hij streng gebaarde. "Kom op! Ik heb alles geregeld! Over een paar minuten is het hier niet veilig meer!"
    In zijn hand blonk een zware revolver, waarmee hij hen zessen aanspoorde in te stappen in zijn boot.
    En terwijl de laatste stralen van de ondergaande zon zijn bruine gezicht verlichtten, zagen allen die naderbij waren gekomen de grote ontreddering en diepe ontgoocheling erop.
    Het was of hij zijn hele leven lang voor iets zijn uiterste best had gedaan, daarvoor letterlijk alles had gegeven, maar dan tenslotte toch nog, op werkelijk het àllerlaatste moment, jammerlijk tekort was geschoten.




Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens