donderdag 23 november 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Koninginnedag - Afl. 6 van 7
Gepubliceerd op: 24-07-2011 Aantal woorden: 2555
Laatste wijziging: 13-11-2015 Aantal views: 1644
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Koninginnedag - Afl. 6 van 7

Henk Gruys


Hij hield met zijn ene hand het glas en met de andere de hand van het meisje vast, dat hem meetrok door een lange, kale, maar goed verlichte gang.
    Ze spraken niet. Arian niet omdat hij zonder meer verwachtte over twee minuten weer buiten te staan, en Louise niet omdat zij na lange tijd eindelijk weer een definitief doel voor ogen scheen te hebben.
    Van de gelijkblijvende omgeving viel dat overigens niet af te leiden. Achter de lichtgroene wanden van de gang gonsden dof de zware elektromotoren in de fabrieken die pal achter het café moesten oprijzen. Soms was het tikken en klotsen van ingewikkelde machinerieën waarneembaar.
    Maar hoeveel gangen ze ook doorliepen, in hoeveel ontvolkte bedrijfskantoortjes ze kwamen, veel sterker werden deze geluiden niet. Het leek of zij voortdurend ronddwaalden. Telkens sloegen ze hoeken om, maar ze belandden steeds weer in andere lokaliteiten, die zonder uitzondering verlaten waren. En alles was wit bestoft, en het rook zoetig, naar suiker of puddingpoeder, dus waarschijnlijk bevonden ze zich nog steeds binnen de fabriekscomplexen, al begreep Arian niet dat er maar geen einde aan kwam. Ze liepen al een kwartier of langer door trapportalen, expeditiehallen en opslagruimten, zonder dat de buitendeuren van de gebouwen in zicht kwamen.
    Ze zagen niemand. Arian spoelde van tijd tot tijd zijn mond helemaal met de drank om, uit teleurstelling dat het op deze manier nooit zou lukken aan dit doolhof te ontkomen. Dan weer, op vreemde ogenblikken, als hij de moed bijna had opgegeven, kreeg hij het dolzinnige verlangen dat Louise hem rechtsreeks in de echte fabrieken zou brengen; omhoog naar de daverend geheime machinerieën die de zoete bijna eetbare rook produceerden, zoals hij die vanavond vanaf de brug had gezien. En eenmaal op de bovenste verdieping gekomen zou hij als een blok in slaap vallen en dan zou Louise ongemerkt moeten zijn verdwenen. Dat zou weinig minder dan een wonder zijn.
    Maar eindelijk hielden ze dan toch halt voor een deur in een smalle gang, die eerder bij een dienstwoning dan bij een fabriek leek te horen. Louise luisterde voorzichtig aan het sleutelgat of alles veilig was, en toen opende zij de deur. Zij werden gevolgd, zei ze met geheimzinnige stem.
    Ze betraden achter elkaar een lange lichte kamer die zo goed als leeg was. Ofschoon het zonlicht nog met onverminderde kracht scheen achter de overgordijnen, brandde op de schoorsteenmantel reeds een schemerlampje zonder kap. Een meubilair van twee grote salontafels stond aan een muur geschoven, met enkele op elkaar gestapelde laden erop, waarin zo te zien niet meer dan wat onbeduidende snuisterijen en een paar rode en gele stofdoeken lagen.
    Louise deed heel opgewekt, alsof ze eindelijk thuis waren. Ze liep ijverig door de kamer, leek iets te zoeken onder de tafels en in de laden. "Het was in het café zo druk," babbelde ze, "omdat ook de voetbalclub vandaag zijn jubileum vierde. Stom was het om dat precies op koninginnedag te doen, die hooligans! Misschien wilden die er een slaatje uit slaan."
    Arian knikte, want van de volte kon hij meepraten! Hij was bij de deur gebleven om direct weer weg te kunnen. Hij zei: "Ik was ook niet uit mezelf naar het café gegaan, Louise, maar er naar binnen geblazen door de mariniers toen het zo druk was! Maar ik moet direct naar de haven. Dat is belangrijk! Als ik nog langer wacht, kom ik te laat, het was al negen uur op de klok. Kan ik zo achterom lopen naar buiten?"
    Louise luisterde evenwel niet. Ze stond bij de schoorsteenmantel en liet het licht van het vijfentwintig watt lampje op haar armzalige benen schijnen.
    Arian aarzelde, keek naar de ramen, vroeg zich af wat daarachter was, maar kon niets ontwaren. In de ongewassen vitrages hing het licht van heel vroeger, meende hij, en een gevoel van heimwee overviel hem; misschien dat hij zich ooit eens in zo'n kamer had bevonden, lang geleden, op een warme avond van een zomerse dag... hij was toen ook niet alleen geweest...
    Hij wilde naar de ramen lopen, maar Louise begon hem te omhelzen met poezelige armen; het glas nam ze voorzichtig uit zijn hand. "Laten we de divan uit de andere kamer naar hier verslepen," fluisterde zij. Ze sloeg haar lange jurk omhoog om zijn hals en kuste hem verscheidene malen, waarbij haar spitse tanden tegen zijn wang tikten. Zulke kleine zoentjes kon ze geven dat de aanraking miniem was. Hij kon zich niet bevrijden uit haar rozigheid en naaktheid, al was zij niet sterk en al voelden haar benen nergens hard.
    Maar haar betovering raakte verbroken, niet het minst doordat hij werd afgeleid door het raadselachtige licht achter de gordijnen, waardoor hij zich uitgedaagd voelde op onderzoek uit te gaan.
    Toen deed hij een ronduit verbluffende ontdekking! Hij merkte om te beginnen dat het lampje bij de schoorsteen nog maar flauw gloeide, verminderde; straks zou het helemaal uitgaan. Tegelijkertijd doemde boven de schoorsteen, langzaam en betekenisvol het schilderij van de oude man van de brug op, verheven en stralend, alsof het enigszins in zichzelf werd verlicht.
    Het bleek nu het voltooid was veel groter dan hij had gedacht. Er stond een gedeelte van een laan op, gezien vanachter een soort begroeide stenen wal, die zo natuurgetrouw was geschilderd, dat men onweerhoudbaar de aanvechting kreeg eroverheen in het schilderij te klimmen om te zien hoe het er daar uitzag; misschien in de hoop er iets aan te treffen dat op slag àlles zou veranderen en een oplossing voor alle problemen in het vooruitzicht stelde. Arian ontworstelde zich aan Louise en liep op het schilderij toe; hij vergat alles om zich heen, wist nog nauwelijks waar hij zich bevond. Hij naderde de overwoekerde wal heel dicht, tot hij hem bijna kon aanraken...
    Om vervolgens – dit kwam hem later zeer vreemd voor, het leek op de verwezenlijking van een oude droom, meer nog dan een bewust ingrijpen – zonder aarzelen over de begroeide muur te stappen...
    Maar in werkelijkheid bevond hij zich natuurlijk nog in de lange kamer, was hij op weg naar de ramen, waarachter de zon bleef stralen op namiddagsterkte...
    Terwijl Louise achterin tegen hem lag te schreeuwen dat ze nu wel wist dat hij gek was, en dat Lina met Luuk was en Luuk met Lina, en dat hij, Arian, er nooit meer aan te pas zou komen!
    Hij hoorde haar nog schelden en tieren toen hij haar niet eens meer kon zíen!
    Maar ook werd op de gang en in vertrekken boven door Luuk en anderen zijn naam geroepen en nog had hij het einde van de kamer niet bereikt! Tamelijk verontrustend waren vooral de hollende voetstappen die overal in het gebouw begonnen te klinken.
    Uiteindelijk wist hij via een kolenhok aan de bedreiging te ontsnappen.

De tuin waarin hij was beland was met onkruid zo sterk overwoekerd dat het de oorspronkelijke planten allang moest hebben verstikt. Voorzichtig wadend tussen de manshoge stengels kwam hij bij een open ijzeren tank vol oliedrab, die heel verraderlijk in het midden was ingegraven. Behoedzaam balancerend over de roestige rand bereikte hij de betonnen muur die de tuin omsloot. – Hij voelde zich door wat hem zojuist was overkomen of hij een enorm pak slaag had gekregen en durfde bijna niet te denken aan wat Louise zojuist over Lina had beweerd; al was dat misschien (hoopte hij) alleen uit vijandigheid en jaloezie geweest.
    – Maar zodra hij door een brede scheur in de muur was gekropen, verminderde de onrust, restte er alleen wat doffe druk in zijn hoofd. Hij kwam een beetje tot kalmte; uiteindelijk was er niemand achter hem aan gekomen. Veilig voelde hij zich echter nog allerminst.
    De tweede tuin was – naar men zou kunnen zeggen als keihard commentaar op de vorige, tot de laatste vierkante decimeter geplaveid. Met tuintegels, straatklinkers, betonplaten, leien, kalkstenen, trottoirbanden, grafzerken, blauwe stoepen, plavuizen, flagstones, zwerfkeien, dakpannen en gipspanelen, die er tot in de uiterste hoeken de slordige vierkante vlakte bedekten. Iedere geplande verandering leek er al bij voorbaat in te zijn versteend, en Arian voelde alleen al daarom niet de minste aanvechting er te blijven. Hij sloeg op goed geluk een richting in, daarna nog een, verwachtend toch wel ééns bij de brug uit te komen.
    Maar hij scheen hopeloos verdwaald; wat volgde waren gazons die bij kleine villa's hoorden, aan een eenzame straatweg gelegen. Op het gras tussen de vlaggen zag hij soms bewoners die scherp naar de hemel tuurden. Op hem lette niemand. Eenmaal knikte een statige grijze heer hem vriendelijk toe, alsof Arian de jongen was die elke avond de krant bezorgde.
    De hemel verkleurde langzaam naar oranje. Op de struiken glinsterden waterdruppels, maar de gebruikte tuinslangen had men zeker opgerold, want die zag hij nergens. In de verte leek men af en toe te schieten met automatische wapens.
    Tenslotte kwam hij bij de allerlaatste tuin die in het water afliep als de helling van een scheepswerf. Vóór hem, in de rivier, stonden tientallen staken waaraan wimpels wapperden. Daaronder dreef een hele vloot van roeibootjes, waarin dagjesmensen zaten die met hun handen boven de ogen de lucht afspeurden. Toch was er in het noordwesten niets te ontdekken; de hemel leek er leeg als de binnenkant van een schoongebrande cilinder.
    Maar de brug was hier gelukkig vlakbij. Arian kon een pijler gemakkelijk bereiken, hoewel er niet op eigen kracht tegenop klimmen.
    Enige behulpzame passanten hesen hem daarom over de leuning. Drie jongemannen waren het, die erg vrolijk leken, alsof ze gedronken hadden. "Bijna was je te laat," riepen ze. "Ze zullen zó wel komen!"
    Daarna haastten ze zich lachend ieder een eigen kant op; het was alles zó vanzelfsprekend, dat het wel onderdeel van een vooraf ingestudeerd plan leek. Arian had intussen geconstateerd dat het zwart van de mensen zag op de brug.
    Eerst naar Lina, dacht hij. Het kostte hem door de drukte wel een half uur om de oever te bereiken, hoewel die vlakbij had geleken.
    Maar toen hij bij de snackbar was gekomen, vertelde men hem daar dat Lina was vertrokken en niet had gezegd waarheen.
    Wie weet hoe laat het al is, dacht hij toen hij weer buiten stond, en hoe lang ze al op mij heeft gewacht! Maar waar te zoeken? Hij had geen horloge en tuurde naar de klok van de kerktoren, maar de wijzerplaat weerkaatste het licht van de zon, en het uur niet was vast te stellen. – Net wilde hij iemand de tijd vragen, toen het opeens een groot tumult werd op straat en iedereen naar één kant van de brug begon te hollen. Er werd geroepen: "Het is zover!" en: "Ze komen er aan!" En de mensen lachten veelbetekenend naar elkaar, alsof wat nu gebeuren ging voor iedereen een grote opluchting betekende.
    Nadat Arian zich voldoende naar de brugleuning had gedrongen, kon hij boven de rivier een formatie sportvliegtuigen zien aankomen, die zo laag vlogen dat de wielen bijna het water raakten.
    Meteen barstte overal een daverend gejuich los en begon iedereen geestdriftig met vlaggetjes en zakdoeken te zwaaien. Tegelijk steeg de toonhoogte der ronkende motoren.
    Ze kwamen snel naderbij, de een- en tweedekkers. Uitlaten knetterden, propellers snorden en weerkaatsten het zonlicht als krankzinnig. Alle toeschouwers begonnen oorverdovend te brullen; de piloten wuifden terug met hun shawls. Sommige hingen daarbij vèr uit hun cockpits, maar trokken zich weer tijdig terug voor een bocht.
    .....En zo paradeerden dus de machines die door de piloten werkelijk subliem werden bestuurd. De toestellen steigerden en produceerden met tussenpozen dikke strepen krijt, bij wijze van demonstratie.

Ineens ontdekte Arian Lina. Zij stond op het platte dak van haar snackbar en zwaaide wild naar de vliegers. Maar het was duidelijk dat haar geestdrift maar één piloot gold, en dat was Lucky Luuk, de reclamevlieger-barman, die zich ver over de rand van zijn cockpit had gebogen en met de hand aan de mond iets naar haar riep.
    En langzaam werd het Arian duidelijk en kon hij niets anders bedenken dan dat Lina hem de laatste tijd vreselijk voor de gek had gehouden. Dat dit de reden was waarom zij de afgelopen dagen zo weinig van hem had willen weten! En dat Louise gelijk had toen ze zei dat Lina niet op hèm, maar op Luuk verliefd was geworden. Zoals hij dit eigenlijk ook wel had kunnen weten, omdat die twee iedere dag in elkaars nabijheid rondhingen! Als hij zich maar niet wekenlang zo door zijn verliefdheid had laten verblinden!
    Lina op haar snackbar wuifde en wierp kushandjes in de lucht. Door zijn hoogtevrees kon Arian de vliegtuigen niet blijven volgen en toch moest hij dit, om te zien wat er allemaal plaatsgreep, al was hij nog zo duizelig en wankelde hij op zijn benen van deze onverdiende ellende.
    Opnieuw beschreven de toestellen een bocht, kwamen ze weer nader. Maar Arian was intussen zo misselijk van alles, dat weggaan nog het enige was wat hij wilde.
    Het laatste dat hij van Lina zag was, dat zij op één been op het dak balanceerde als op een wereldbol, de armen wijd gespreid, als vloog ze zelf. De wind – of de draaiende propellers – deden haar dunne jurk om haar benen wapperen als een vlag. Een zwarte Godin van de Gelukzaligheid leek ze zo.
    Moeizaam, en verdoofd door het lawaai, wrong Arian zich tussen de applaudisserende mensen door die nauwelijks opzij gingen. De vliegtuigen die hij zo machteloos haatte, waren nu blijkbaar aan een ereronde bezig.
    Toen hij eindelijk weer bij de snackbar was teruggekomen, trokken de staarten van de toestellen voor de laatste keer laag boven de hoofden en feesttoeters over.
    In zijn verwarring zag hij dat de vlag boven de deur was weggehaald en vervangen door een klok die in een vliegtuigpropeller was gemonteerd; dezelfde uit het café op het plein of een grotere. Op die propellerklok zag hij dat het al tien over tien was.
    – Nooit meer teruggaan naar haar, dacht hij in overstelpende moedeloosheid. Dit komt niet meer goed. Nooit meer. Ik kan er niets aan veranderen, ik zou niet weten hoe. En als ik het wel wist, zou ik er geen energie meer voor hebben. Ik geef het op. Ik heb verloren, finaal...
    Ik heb iets bij Lina verkeerd gedaan... wat weet ik niet. Maar ik doe altijd alles verkeerd...
    Maar wat kan het me eigenlijk nog schelen... Laat het allemaal maar komen, het is toch niet tegen te houden. – Hij voelde zich ineens zo afgemat, dat het leek of hij de verdere avond geen meter meer zou kunnen lopen.
    Het was alsof hij ontelbare malen hetzelfde had moeten uitleggen, steeds aan anderen, zonder dat iemand hem had geloofd.
(Wordt vervolgd met nog één aflevering).



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens