zaterdag 20 januari 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Koninginnedag - Afl. 5 van 7
Gepubliceerd op: 21-07-2011 Aantal woorden: 2237
Laatste wijziging: 13-11-2015 Aantal views: 1331
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Koninginnedag - Afl. 5 van 7

Henk Gruys


Het meisje was inderdaad heel onknap, vrij klein, hij keek bovenop haar haar, dat met klein takje klimop met bloemetjes was samengebonden, en waarin een scherpe scheiding het midden aangaf tussen domheid en onbeduidendheid.
    Ze hadden nog geen tien meter op de dansvloer afgelegd, of zij bracht haar lippen al bij zijn wang en fluisterde:
    "Kom straks met me mee naar huis."
    Hij lette er nauwelijks op. Verder en verder kwamen ze op de grote vloer, die geheel met glimmende ijzeren platen was vol geschroefd. Het lage plafond werd van grof ijzergaas in raamwerk; alleen de botsautootjes van de kermis ontbraken er nog aan, dacht hij. Er was niemand anders; blijkbaar had de rest van de meisjes zover niet kunnen doordringen.
    "Ik woon daar, aan de overkant," zei Louise, en ze wees op de bleke maan die onder dakwerk blonk, maar ze bedoelde natuurlijk de oostkant der stad, waar zich de beruchte achterbuurten bevonden; Arian meende dit al aan haar vale gezicht gezien te hebben.
    "Ga mee, dan zal ik je voorlezen uit de mooiste boeken die er bestaan!" – Hij gaf er niet eens antwoord op.
    Eindelijk hadden ze de rand van het plankier aan de overkant bereikt, waar, achter een crème-met-roodgestreept hekwerk, een rijtje kermiswagens de zonnegloed afschermde. De dansmuziek verkoolde in de versterkers met het geluid van een overvliegende straaljager. In het toenemende gehuil zwiepte Arian het meisje ruw van zich af.
    "De mooiste boeken ken ik allang!" riep hij uit. "En vanavond heb ik toevallig ook geen tijd! En waarschijnlijk wel nooit meer! Ik heb met jou al genoeg geduld gehad! Ik moet ervandoor! Ik heb vanavond meer te doen!"
    Hij berekende pijlsnel maar nauwkeurig zijn sprong, nam een aanloop en kwam precies terecht in de deuropening van een roodgele kermiswagen.
    Erbinnen stond een zwaar dieselaggregaat te bulderen, waardoor het leek of plotseling honderden stemmen zich hoogst afkeurend over dit bruuske afscheid uitspraken. Maar daar wilde hij zich niet mee ophouden. Langs gloeiende uitlaten, langs moordende vliegwielen wrong hij zich om bij een klein deurtje te komen... Met moeite kon hij langs een klein trapje afdalen, dan een klein afstapje, en toen stond hij op een klein pleintje aan de achterkant van het kermisterrein, waar het vol dikke elektrakabels lag.
    Van het pleintje voerde een smalle straat recht naar de zonneovens in het westen. Die richting begon hij zo vlug mogelijk in te lopen. De stinkende stemmen uit de motor hoorde hij nog een tijd achter zijn rug protesteren en kwaadspreken, maar tegenhouden konden ze hem niet meer.
    De straat verbreedde zich na een poosje tot een wijdere plaats, waaromheen een magere illuminatie was opgehangen die nog niet was ingeschakeld. Hier was het dat alweer een nieuw feestelijk evenement aan de buurt was toegevoegd, en een bescheiden aantal nieuwsgierigen had zich in de schaduw van een gammel podium verzameld.
    Tot voor kort was vlak naast dit plein een plantsoen geweest, maar door een fout met de onkruidbestrijding waren alle bomen en struiken afgestorven en al helemaal geel geworden.
    Het kon, deze bizarre omgeving in aanmerking genomen, dan ook geen toeval zijn dat een zogeheten Maatschappijkritiese Tejatergroep hier zijn tenten had opgeslagen, met het doel er een stuk van een allang vergeten anarchist uit de vorige eeuw op de planken te brengen. Huichelachtig wierp het voetlicht zijn zwakke schijnsel op de dode bomen, laf kaatste de luidspreker de wereldvreemde teksten op tegen de bouwvallige gevels.
    Zich nauwelijks tijd gunnend om stil te staan, wilde Arian juist weer doorlopen, toen zich uit het publiek een man losmaakte, die joviaal glimlachend op hem toekwam. Arian wilde zich al schouderophalend omdraaien en de zijstraat inslaan, toen hij zag dat het een bekende was die hem daar zo nadrukkelijk begroette.
    Inderdaad, het was Luuk, de barman uit het café De Brug; thans gekleed in een onberispelijk vliegersuniform, waarvan hij de pet onder de arm hield en de eretekens Arian in de ogen staken.
    Hij legde direct de hand op zijn schouder en voerde hem van het rumoerig protest weg. Het leek of hij het gesprek in het café nog even wilde voortzetten omdat hij vond dat Arian er wat te gemakkelijk van was afgekomen. – Deze liet zich dit intermezzo zonder protest welgevallen; hij had hier toch niet willen blijven... Een hevig gefluit van microfoons deed hem nog even naar het podium omkijken, waar het slechts scheen of een bruine damp op ooghoogte tussen de toeschouwers hing.
    "Helaas," begon Luuk, de blik afgewend, "ik had gehoopt dat ze iets prikkelends zouden verzinnen! 't Is allemaal volstrekte onzin van een of ander revolutionair warhoofd van minstens honderd jaar geleden! Al dat misbaar over die koninklijke moord is beslist niet actueel meer!"
    Ze staken de feeststraat over in een richting die weliswaar niet naar de havenwerken toeliep, maar ook niet verder er vanaf.
    "Dergelijke laag-bij-de-grondheden zijn aan mij niet besteed," oreerde Luuk. "Het zij zo! Voor zonsondergang zit ik hier gelukkig al een paar honderd meter boven." Hij wees omhoog, teneinde er geen twijfel aan te laten bestaan dat hij ook omhoog bedoelde.
    "Laat me je dit vertellen," vervolgde hij, "als piloot, mijn eigenlijke professie. Vanavond brengen wij een speciale groet aan onze jarige koningin! Straks vliegen we in formatie boven de paleistuinen en laten brieven met felicitaties uit het hele land naar beneden dwarrelden. En als dat gedaan is, schrijven we met gekleurde rook de gelukwensen uit alle windstreken met grote letters in de lucht."
    Arian zag zichzelf weerspiegeld in de uniformknopen, tientallen malen vermenigvuldigd en heel klein, want Luuk was veelbetekenend stil gaan staan, om zich ervan te overtuigen dat zijn woorden niet op de avondwind waren vervluchtigd. – Arian wist nooit hoe zich te houden bij zulke zelfingenomen praatjes. Het speet hem dat hij niet eerder van Luuks aviatische activiteiten had geweten, want dan zou hij hem van repliek hebben kunnen dienen! – Maar helaas, ook in het café was hij er niet van op de hoogte geweest. Hij wist toch ook wel weinig, dacht hij, en nog wel als verslaggever!
    "Ik ben eigenlijk reclamevlieger," ging Luuk verder. "Dat betekent: schrijven met witte of rode rook in de hemel. Hoofdzakelijk tenminste. Want soms krijgen we er ook wel eens een tikkeltje onkruidbestuiving tussendoor. "Je begrijpt," (hij knipoogde), "ook voor ontbladeren draaien we onze hand niet om. Maar het meeste is toch wel: in de lucht schrijven."
    Zulke types, dacht Arian, die menen met hun jovialiteit hun onbescheidenheid te camoufleren. Ze bemoeien zich overal mee en beweren dat ze alles kunnen. Ze bevinden zich in café's waar je net wat wou drinken of klampen je onverwachts aan op straat. Het beste is dan er maar het zwijgen toe te doen. Of weg te wezen.
    Ze raakten steeds verder uit de richting en het werd alsmaar drukker. Ineens hield Luuk in, keek hem veelbetekenend aan en zei:
    "Bij Westwaarts was je ons prima van dienst, heb ik vernomen. Klasse! Daar willen we iets tegenover stellen. Ik kan je helpen een goed figuur te slaan bij die sensatiekrant van je, en voor elkaar krijgen dat je straks met mij mee mag in de cockpit! Wat zeg je daar wel van? Hoog in de lucht boven de kerktorens en fabrieken? Arian als vliegende persmuskiet! Ha! Ik zie het al, morgen die koppen in de kranten: " Van Onze Vliegensvlugge Verslaggever, die houdt u op de Hoogte, haaha!"
    Maar Arian wou niets meer horen, niets over de cockpit en over de torenspits, het was een rechtstreeks appèl aan zijn hoogtevrees. Het idee te vliegen alleen al betekende een absolute onmogelijkheid; hij voelde zich al duizelig worden als zijn naam zelfs maar met vliegtuigen in verband werd gebracht.
    En die onzin had nu wel lang genoeg geduurd; wèg wilde hij! zo gauw mogelijk! – Zodra hij kans zag, stapte hij snel opzij en mengde zich onder een bedrijvig clubje als scheepspiraten uitgedoste figuren met ooglapjes en gestreepte frokken. Zo kon het lijken of hij Luuk in de volte was kwijtgeraakt.
    Hij wilde nu zijn weg weer vervolgen; maar doorlopen bleek bijna onmogelijk, om maar niet te spreken van naar de havenwerken, zo druk was het. Er moest in de Hoofdstraat iets spectaculairs ophanden zijn; de mensenmassa's die zo onordelijk dooreen golfden, waren anders niet te verklaren. Na korte tijd zag hij, vlak boven de compacte deining, grote zilveren hoorns, muziekinstrumenten naderen, die log schommelden boven de zee van hoofden en vlaggetjes. Hij werd nog meer opgedreven in de volte; hele menigten schoven voort als schotsen voor een ijsbreker.
    En nu, dichtbij de plaats waar hij zich bevond, baande een groot harmonieorkest, als zeeofficieren verkleed, zich op volle sterkte een weg door de menigte, rij na rij. De geüniformeerde muzikanten passeerden rechtlijnig en sonoor, zoals het hoort, maar de omstanders werden door het geweld bijna omvergeblazen; hetgeen, de geproduceerde decibels in aanmerking genomen, beslist geen illusie mag worden genoemd.
    Vervolgens werd iedereen als in een branding opgestuwd naar de overkant, waar men zich het zoute water uit de ogen stond te wrijven. Arian spoelde door een grote golf aan op een pleintje met café.
    Men stond daar in het gangetje en hield alvast de deur voor hem open.

Dit was een ander etablissement dan bij de brug. Kleiner, vooral de ramen waren klein. Binnen was het mogelijk nog voller dan buiten. Eén voordeel: door de krappe ruimte was de menigte hier vrijwel immobiel. Het publiek leek een veelkoppig monster, voorzien van grijparmen en schreeuwende monden die vanwege de hitte allemaal dorst hadden. Door links en rechts op een paar tenen te gaan staan, lukte het Arian in de drukte wat vooruit te komen.
    Een andere ober, met een glimlach van oor tot oor, vulde alle toegestoken glazen met een flinke scheut jonge jenever aan. Hij riep terstond toen hij Arian in de gaten kreeg:
    "Hij had geen tijd meer, hij moest onmiddellijk weg, er was iets tussen gekomen. Maar hij verwacht je over ongeveer een half uur op het vliegveld!"
    En weg was hij weer, tussen de tentakels verdwenen, al zag Arian zijn drankfles nog even boven de hoofden en feesthoedjes opduiken.
    Arian keek achterom. Van het café was door de drukte niet meer te zien dan een paar schemerlampjes en drie smalle ramen, waarvan de bovenlichten openstonden vanwege het zweet en de alcoholstank. Tegen de zoldering was een vliegtuigpropeller gemonteerd met een elektrische klok erin, waarop het al vijf over half negen was, een aanwijzing die hem nogal verontrustte. Maar het zou buitengewoon moeilijk zijn hier weg te komen, overwoog hij – nog afgezien van de drukte buiten. Hij had weinig tijd, hij zou straks ook Lina nog moeten ophalen...
    En zolang iedereen zo'n kabaal maakte, kon hij nauwelijks een voet verzetten. Hij porde wel met zijn vuisten in het ondoordringbare publieksmonster, maar dan grijnsde men tegen hem met een gebit van paardentanden, omdat men ook zelf nergens heen kon.
    Na een tijdje begon achter zijn rug iemand zachtjes terug te stompen. Hij keek om en zag dat het het lelijke meisje van het danspodium was dat achter hem stond; ze had iets smekends in haar ogen, terwijl ze zijn hand vastgreep, en zei:
    "Ik weet hoe je hier vandaan moet komen. Ik ken de weg goed, want ik woon hier. Dus als je je voelt als een kat in een vreemd pakhuis en haast hebt om weg te gaan, dan is het het beste dat ik je daarbij help."
    Zonder zijn antwoord af te wachten, vlijde zij haar armen om zijn hals en begon ze te fluisteren in zijn oor. Het leek allemaal heel ernstig wat ze zei en hij geloofde dat ook wel, maar kon er geen woord van verstaan. Haar magere décolleté was dichtbij zijn wang, maar dat kon hem absoluut niet betoveren.
    Toen haar verhaal uit was en ze niet meer op haar tenen hoefde te staan, gaf ze hem een limonadeglas vol drank in de hand, – uiteraard de drank die men hier dronk: oranjebitter, en zei zacht, maar met nadruk:
    "Neem dit glas en kom heel rustig mee, dan lijkt het of je hier hoort en wordt er tenminste niet gevochten."
    Hij keek nog eens achterom. In een rokerige zijkamer ontwaarde hij nog meer feestvierders die aan lange tafels zaten te schreeuwen en te stampen; waarschijnlijk voetbalsupporters (er hing een grote clubvlag boven hen), die zonder uitzondering stomdronken waren. Slaatjes en gehaktballen vlogen door de lucht, maar er werd nog nèt niet gevochten.
    Het lelijke meisje had achter de bar een deurtje geopend, trok hem haastig mee de tochtige duisternis in.
    Haar waarschuwende woorden had zij tamelijk kalm uitgesproken, maar tegelijk zo ongerust gekeken, dat het leek of een enkele tegenwerping van zijn kant haar gemakkelijk in paniek zou kunnen brengen.
(Wordt vervolgd met nog twee afleveringen).




Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens