woensdag 25 april 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Koninginnedag - Afl. 4 van 7
Gepubliceerd op: 19-07-2011 Aantal woorden: 2352
Laatste wijziging: 04-02-2018 Aantal views: 1503
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Koninginnedag - Afl. 4 van 7

Henk Gruys


Hij had inmiddels de buitenkant van de stad bereikt (het was aan de sfeer te merken dat het de buitenkant was), en kwam aan in zomers-warme straten, waar onafzienbare slingers lampions in de bomen hingen. Tamelijk gerust voelde hij zich in de vertrouwde buurt te zijn waar hij was opgegroeid, en waar nergens een schaduw van zijn avondvrees hem nog benarde.
Op het moment dat hij hun eigen straat bijna geheel had afgelopen deze maakte aan het eind een bocht voor een hoge gaasafrastering ontdekte hij zijn ouders die voor hun huis met buren stonden te praten. Zijn vader en moeder schoven vanzelf op hem toe, zonder dat hij daarvoor een stap harder hoefde te lopen.
En het was of ze hem allang hadden zien aankomen, zo vrolijk en opgewekt begroetten ze hem. Maar ook Arian was intussen geheel zorgeloos geworden; zonder twijfel bewerkstelligd door de geheiligde omgeving, waarin zijn ouderlijk huis nog steeds een rol van betekenis vervulde. Toch liep hij zijn ouders deze keer vlug voorbij, terwijl hij hen lachend toeriep dat hij weinig tijd had en verder moest.
Zijn ouders glimlachten vriendelijkst terug, riepen dat ze hem veel geluk toewensten voor zijn toekomst, maar dat ze aanstonds definitief zouden vertrekken naar het buitenland en dat ze stonden te wachten op de auto die hen naar het vliegveld zou brengen.
Hij sloeg haastig een lege zijstraat in en was onmiddellijk weer vr bij hen vandaan. Langs een betonplaten-schutting, waartegen hoog onkruid was opgewoekerd, ging hij vrij vlug, maar toch onzeker verder, alleen met zijn plotseling zeer sombere overpeinzingen. Het einde der ouderlijke binding, dacht hij, was dit nu een afscheid voor eeuwig? Had ik ze niet even moeten aanspreken?.. Het waren toch zijn eigen vader en moeder geweest die hij zoven voorgoed had verlaten. Hij was wel erg gehaast doorgemarcheerd, vergetend dat het wel eens de laatste keer kon zijn dat hij zijn ouders nog had gezien.
Afscheid nemen was het risico van het ouder worden, erkende hij. Onvermijdelijk. En zulk moment ondervond hij thans, het was al ingecalculeerd vanaf het prilste begin...
Hij werd heel treurig nu. Zijn ouders hadden altijd om hem heen gestaan, hem zoveel mogelijk onheil trachten te besparen. Tot het laatst toe alles voor hem geregeld. Maar juist daardoor misschien had hij veel te veel tijd gehad om over alles na te denken. En waar was dit alles op uitgelopen? Mislukking. Heimwee. Melancholie. Tot welk een mistroostig resultaat had het uiteindelijk geleid!
Maar wat had hij dan moeten doen? Zich niets aantrekken van hun goede bedoelingen... Zich met hand en tand verzetten tegen hun welgemeende bezorgdheid?.. Ach wat maakte het uit... Zij hadden eenvoudig hun besluit genomen, hetgeen hem tegelijk zo weerloos en opstandig maakte...
Spijt en boosheid welden in hem op. En hij nam de simpelste beslissing. Niet naar kerkhof Westwaarts zou hij gaan, zoals hem door Luuk was bevolen, maar een geheel eigene, zinvoller richting zou hij kiezen.
En aldus deed hij zijn voetstappen uit pure onwil en ongezeglijkheid zijn eigen nieuwe koers inslaan.

Hij naderde langzamerhand zijn nieuwe bestemming en liep voort in een lange, maar spaarzaam bebouwde straat die aan de rechterzijde werd begrensd door schrale weilanden achter een soort verhoogde berm gelegen. De zon schoot, nauwelijks zichtbaar gele pijltjes door de straat. Er hingen wel veel vlaggen, maar er was geen mens te zien.
Hij liep ondanks zijn mineurstemming gewoon verder. Niet alleen omdat het einde van zijn omzwerving onverbrekelijk met deze omgeving in verband stond, maar vooral omdat hij nu eindelijk eens met zijn werk zou kunnen beginnen.
Aan het eind van de afstervende straat werden de vlaggen snel kleiner, en tegelijk daarmee de afstanden tussen de huizen aan n kant steeds groter. Nu begonnen zich zelfs gaten en kuilen in het plaveisel te vertonen.
Tenslotte hield ook de bestrating op; een hek van wit-met-rood gestreepte planken langs de berm sloot verdere doorgang af; het eindpunt van zijn tocht. Achter die afbakening strekte zich het vervolg van het enigszins golvende braakland uit, dat het laatste kwartier steeds om hem heen te zien was geweest.
Maar in de verte waren de kenmerken van het immense graafwerk al duidelijk te zien. In wijds perspectief strekten zich daar de perfecte maar perfide percelen uit die voor honderd percent de zaken dienden waarvoor ze stonden. En deze behoorden aan de stad en aan niets dan de stad, zoals iedereen wist. De stad voerde hier haar bedenkelijke plannen uit, vertoonde haar letterlijk onbegrensde macht. Arian zag tientallen reusachtige graafmachines, die in de aanval waren tegen de grijze zandheuvels rondom, stof opwolkend als hun adem. En over de terreinen verspreid (een plan door beleggers opgevat), stonden ontelbare boortorens, die omhoog spietsten als een ijl stalen dennenbos van grote uitgestrektheid. Hoogspanningskabels en baggerbuizen verbonden alles met alles. En viaducten en spoortunnels, oplopend, dalend maakten dat weer gedeeltelijk ongedaan.
Boven het terrein, langs de rand van het kunstmatige meer, hingen clusters van schijnwerpers aan radiozendmasten, neerstralend in een vruchteloos voorhoedegevecht met de avondzon, die lager gekomen, schroeide achter een troebele hemel van plexiglas.

Toch was het niet voor het eerst dat Arian de havenwerken bespiedde. Menigmaal de laatste weken was hij op namiddagen de straat ingeslagen om hier op de uitkijk te gaan staan. Maar juist vanavond viel op dat de complexen zich sinds de vorige keer met onthutsende snelheid hadden uitgebreid!
Met gevoed wantrouwen liet hij de blik gaan over de laatste veranderingen... En nu hij van dit alles indrukken opnam, kwamen onwillekeurig de beelden van vanavond bij de rivieroever hem ook weer voor ogen.
En hij begon een vreemd voorgevoel te bespeuren.....
Daarop trof hem de ongelooflijke samenhang als een PLOTSELINGE HEFTIGE SCHOK!
Want dit waren de veelbesproken graafwerken van de stad een enorme ingreep in de buitenwijken en omlanden, waardoor een havenbassin moest ontstaan, groter dan tweederde van de hele stad! Een bassin dat inmiddels geheel met water uit de omgeving was volgestroomd! En dt had zijn totale uitwerking op de waterstand in de rivier natuurlijk niet gemist!
En op deze plaats bevond hij zich dus tegenover de oorzaak van de ramp. Stond hij tegenover een unieke openbaring van een extravagante waterdiefstal! Hij overzag, eigenaardig helderziend, direct de medeplichtigheid van de honderden betrokkenen erbij, onzichtbaar arbeidend in bouwkantoren, achter hellende tekenplateau's, of moordenaarsachtig rekenend in zonnige banktempels, die dit onzalige plan vorm gaven. Met op de achtergrond de autoriteiten die zich graag op afstand houden, zich liever vermommen als dames en heren op party's; een besef dat alles nog onverdraaglijker maakte.
Vergeleken bij al dezen, was hij alleen. Hij voelde zich gesteld tegenover een afzichtelijk, bijna kosmisch komplot, dat hij nooit in zijn eentje zou kunnen bestrijden. Alles wat hij in de openbaarheid zou brengen, de waarheden die hij zou onthullen: niemand zou hem geloven. Ze zouden hem hoogstens aankijken, waarschijnlijk wat bevreemd uit hun ooghoeken. Hooguit een paar keer verstrooid of verveeld jaknikken, maar zonder instemming. En gewoon doorgaan met datgene waarmee ze bezig waren.
Hij bleef nog wel een half uur naar de horizon turen. Het leek alsof hij niet eerder weg kon gaan dan nadat hij vanaf zijn uitkijk de afschuwelijke inbreuk op de omgeving ongedaan had weten te maken.
Maar geleidelijk begon hij zich zo ondraaglijk eenzaam te voelen aan de rand van de kapotte straat, dat hij zich tenslotte losmaakte van het vergezicht en terug begon te lopen naar de laatste huizenrij. Twee vliegtuigen waren opgestegen van het naburige vliegveld, maar vlogen al zo hoog dat het bijna sterren leken tegen de snel van kleur verschietende hemel. Stil was het overal, niets bewoog, geen zandkorreltje verrolde. Hij keek naar de langzaam bewegende schitterende stippen en huiverde. Misschien gingen daar zijn ouders wel, dacht hij.
Hij wilde zo gauw mogelijk terug naar de stad; hij zou zich daar direct in zijn werk storten. Het zou niet meer over de feesten gaan, die naar hij dacht op het punt stonden te beginnen maar over het schandaal van de nieuwe havenwerken en dramatische gevolgen. En dat zou hem bevrijden van het opgejaagde gevoel dat hem op dit uur zo bezighield en al zijn voornemens en plannen leek te dwarsbomen.
In de ramen van de laatste huizen weerspiegelden de rode vlammen van de avondzon. Het felst staken ze af tegen de voorruit van een brandende auto die op een der verre achtererfjes stond, en waar niemand naar kwam kijken.


Teken aan de hemel

Iedereen weet dat er mensen zijn die de eigenaardigheid hebben ziek te worden door de sfeer van de avond. Dan is het z dat zelfs het meest gewone huisleven de avondsleur bezwaart en vermoeit als een chronische kwaal. En juist op die uren lijkt men om een of andere reden gedwongen over alles en vooral zichzelf, na te denken en te tobben.
Iedere avond weer deze rusteloze gedachten en die afmatting die dat met zich meebrengt; dat met wel neerslachtig maken en ziek. En op zo'n bijzondere avond als de nationale feestdag worden zulke aanvechtingen nog verhevigd door de memorabele aspecten van het uur: de laatste zandschepen met hun manifeste roerganger op weg naar de losplaatsen in de nieuwe haven, de danspodia op de pleinen en in de plantsoenen eindelijk opengesteld voor het danslustig publiek, en in de fabrieken, de achterkamertjes en de leegte der versierde straatjes de eigentijdse roddelmuziek die schettert uit luidsprekers die overal in de lantaarns hangen.
Mensen met zulke zwakke zenuwen moeten zich haast zeker tussen de feestvierders bevinden. Huiverend zien ze toe hoe in de caf's de gordijnen worden dichtgeschoven tegen de laagstaande zon.
Maar vooral naar adem snacken is het in de overvolle snackbars, tussen acht en negen 's avonds, als de reclameverlichting overal aanflikkert, en de toenemende drukte de overgevoelige geest gaat benauwen.
Toen Arian weer was teruggekeerd in de stad, moest hij tot zijn teleurstelling constateren dat zijn nervositeit niet werd getemperd door de feestelijkheden en de aanwezigheid van talloze mensen overal.
Ofschoon hij niet vlug had gelopen, bonsde zijn hart of hij heuvels had beklommen. Stilstaan kon hij geen ogenblik, hij moest onmiddellijk weer ergens anders heen.
Zijn plan had hij definitief veranderd, zijn besluit stond vast; voortzetten ging hij het onderzoek naar het verdwenen water, het verfijnen. Daartoe zou hij om te beginnen de havenwerken van een andere richting benaderen: vanuit de stad. Z hoopte hij er dichterbij te komen. Daarover zou hij het dan hebben in zijn verslag, dat tevens een felle aanklacht tegen de autoriteiten zou worden, compleet met verbluffende onthullingen en vlijmscherpe analyses.
Maar het was inmiddels buitengewoon druk geworden overal. Op alle kruisingen staken mensen de rijbanen over, zelfs in het belachelijke zijstraatje bij de brug.
Nu is het z dat men, om bij de haven te komen, of wel een zr grote omweg buitenom moet maken, dan wel de (veel kortere) route kan nemen dwars door het stadscentrum. Maar dat laatste was juist vanavond niet gemakkelijk, want alle straten waren in verband met de feestelijkheden geblokkeerd, dan wel afgezet door de politie. Arian zou om zijn plan te verwezenlijken de versperringen alleen kunnen vermijden door zijn weg rechtstreeks te kiezen via danspodia en muziektenten. Zich dwars door kermissen en optochten wringen. Natuurlijk bevorderen zulke obstakels een snelle doortocht niet, maar hij liet zich door niets ontmoedigen en begon zich meteen op weg te begeven.
Hij bereikte al gauw een rond plein dat volgestroomd was met een beweeglijke menigte die hem om de haverklap het uitzicht benam op een groot plankier. Daarop waren in het licht van een aantal hoog opgehangen schijnwerpers die een achterhoedegevecht leverden met de avondzon, een stuk of vijftien meisjes in lange lichtblauwe jurken met elkaar aan het schuifeldansen.
Ze hadden slechts oog voor elkaar, of voor de bleke maan, die groot en vol boven de zwarte stad hing.
Zij waren ingehuurd door het oranjecomit, met het doel de feestelijkheden wat op te fleuren; maar er bleken op de advertenties alleen de allerlelijksten te zijn afgekomen, die eindelijk kans zagen de bloemetjes eens flink buiten te zetten. Beneden aan het plankier waren de rijen gezichten van het grauwe plebs allemaal naar hen opgeheven, maar niemand leek zin te hebben er n ten dans te nodigen. Vele ogen prikten dan ook in Arians rug, toen hij het podium opklom. Misschien dat hij daarom tweemaal zo snel liep als anders, al was hij er minder gauw op dan hij had gedacht.
Onmiddellijk kwamen de danseressen naar hem toe, omsloten ze hem met een nauwe kring. Hun te grote japonnen glinsterden van zilverdraad in het krijtwitte licht. Er waren vrouwen bij van minstens veertig jaar zag hij. Meteen begon een gloednieuwe wals de mierzoete slagroomtaart te bepoederen van de allerlaatste muzikale rage, die ook aan de oren van de danseuses klaarblijkelijk niet was voorbijgegaan. Allemaal vlogen ze weer bij hem vandaan, alleen een onbetekenend lelijk meisje bleef staan. Ongeduldig en tegelijk vrijmoedig richtte ze haar ogen op de zijne. "Ik heet Louise," zei ze, "en jij?" Hij antwoordde niet, vlijde, zij het met enige tegenzin, zijn rechterarm rond haar kleffe middel en nam haar hand. En zo walsten ze weg, onder de kleurige bloemen en vlaggetjes door. Arian dacht nog wel even aan Lina, en aan het verraad dat hij nu aan haar leek te plegen, maar hield zich voor, dat wat hij nu deed, niet anders was dan een eenvoudige truc om de kortste weg door de stad te vinden en hij voelde zich hierna niet meer bezwaard.
(Wordt vervolgd met nog drie afleveringen).



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en Ren Claessens