zaterdag 20 januari 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Koninginnedag - Afl. 2 van 7
Gepubliceerd op: 16-07-2011 Aantal woorden: 2307
Laatste wijziging: 12-11-2015 Aantal views: 1559
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Koninginnedag - Afl. 2 van 7

Henk Gruys


In de grote bocht, daar waar het olieachtige water het meest moedeloos golfde, verhief zich een machtige muur van fabrieken, een loodrechte bergwand van industrie, die op deze feestdag niet vlagde met vlaggen, maar met honderden vanen en wimpels van rook, in allerlei smaken. Pepermunt en sinaasappel trof hij aan, alsook gewone vanille. Hij ontwaarde citroen, framboos, chocolade en drop. En zelfs pistache, reine-claude, grenadine, champagnepils en slappe noga, als vluchtige smakelijkheden waarvan de slierten horizontaal langs de gekanteelde muren trokken. Boven de gebouwen was van deze kleuren een melange opgestegen, sterk verdund, als een multicolore bewolking, plaatselijk door de zon beschenen.
Arian proefde terdege het antwoord dat met al deze geuren samenhing: onheilsverwachting. Maar ze verontrustten hem niet erg omdat geuren ook vroeger, hem maar zelden bang maakten.
Toch wendde hij zich, om niet de geringste gedachte aan toen een kans te geven, af en ging op de onderste stang van de brugleuning staan terwijl hij zich vasthield aan de bovenste. Het had de schijn of hij van plan was voorover in de rivier te duiken, om zwemmend met weer andere beperkingen natuurlijk zo snel mogelijk de dichtstbijzijnde oever te bereiken.
Maar springen deed hij toch maar niet. Terwijl hij zich voorover boog, zag hij onder de brug een uitgebreide illuminatie hangen die uit duizenden gematteerde gloeilampen bestond, tot bleke druiventrossen samengegroeid en met groene gesoleerde draden verbonden.
Toen hij weer rechtop stond, leek de zon enige malen groter geworden, zonder dat hij was afgedaald. En heter werd het en de atmosfeer dikker en zwaarder, alsof er intussen veel tijd was verstreken. Daardoor kwam het misschien dat hij zich twee maal zo snel voort haastte dan tevoren om niet te laat te komen bij Lina...
Maar ineens voelde hij een kleine droge hand op zijn voorhoofd, een hand die hem sterk in zijn vaart remde en zelfs tegenhield. Voor zich zag hij een kleine oude man, wiens uitgeplozen haar schitterde in een aureool van roze suiker om zijn hoofd. De oude riep, terwijl hij zijn hand weer van Arian af haalde:
"Past u toch op! Dit is heel gevaarlijk voor u! Het is een prachtige zomeravond, dat wel, maar u kijkt voortdurend tegen de zon in! Dan zie je niets meer! Straks raakt u nog te water! of loopt u mijn spullen omver!"
"Of," vervolgde hij argwanend, "keek u soms naar het luchtschrijven?"
"Het tegendeel eerder," antwoordde Arian, "'t was nogal laag-bij-de-gronds. Maar laat u mij alsjeblieft door, ik heb haast! Direct kom ik nog te laat!"
"O neem me dan niet kwalijk," zei de oude, terwijl hij wat terugtrad. "Ik bedoelde het goed. Dat komt: zelf kan ik niet meer zo goed zien en dat maakt me soms bezorgd over de ogen van anderen."
Hij was ondanks zijn verklaarde ongemak een olieverfschilderijtje aan het opzetten. Er hoogstwaarschijnlijk een stukje bij vandaan gelopen om overzicht te krijgen en juist van plan weer terug te gaan, toen Arian bijna tegen hem was opgebotst.
Arian, alweer goeddeels tot rust gekomen, bezag uit wellevendheid even het werkstukje. Erg duidelijk was het niet; slechts wat vage contouren van bomen, waarachter een hemel van topaas een klein en laag landschapje compleet dreigde te verpletteren. Hij had weliswaar een moment het gevoel ooit te hebben gedroomd van zulk een voorstelling; een ervaring die iedereen wel eens heeft bij het bekijken van een schilderij, of zelfs een oude ansichtkaart uit een schoenendoos, maar van wanneer die droom dateerde kon hij zich niet te binnen brengen.
"Gaaf dat je 't hebt bekeken, " zei de oude niettemin. Hij was bezig zijn penselen op te ruimen. "Schilderen deed ik altijd, al ben ik slechtziend. Vroeger heb ik dikwijls gedacht dat ik te veel tegen de zon in heb gekeken en dat daardoor mijn gezicht slecht is geworden. Juist in de tijd dat er nog niet veel vliegtuigen waren, schilderde ik ze vaak, later minder, maar toen was het waarschijnlijk al te laat. En nu is die schade aan mijn ogen nooit meer in te halen. Gelukkig zijn mijn oren nog niet versleten."
Even later wandelden zij samen op, richting vaste wal. De oude hield de blik steevast op Arian gericht. Hij leek hem steeds iets te willen vragen, iets dat hijzelf buitengewoon belangrijk achtte. Maar het was of hij niet durfde. Tenslotte ging hij, als tegen zijn zin in, weer naar de fabrieksgebouwen in de verte turen.
Arian vertelde intussen met verve over zijn nieuwe werk in de journalistiek. "Mijn opdracht is belangrijk," zei hij. "Ik moet ogen en oren goed de kost geven, want ik moet een verslag maken van wat er vanavond zoal passeert."
"Hier is nog weinig te beleven," mompelde de oude, terwijl hij met half dichtgeknepen ogen over het water tuurde, "nog geen roeibootje vaart er. De rivier is leeg als een tobbe. Toch moet het al bij achten zijn. Op dat uur van de dag worden altijd de laatste zandschepen doorgelaten."
Er knalden in de verte enige schoten, maar vliegtuigen waren er niet te zien. Ze keken allebei omhoog, maar niet tegen de zon in. Ze zwegen en luisterden naar de kerkklok die vele malen sloeg. Langs de fabrieksgevels dreven de zoete smaken. Geen vogeltje floot.
Maar toen opeens verschrikte hen een zeer harde stoomfluit van de andere kant. De zwarte sleepboot, groot als een coaster, lag al vlakbij de brug. De schoorsteen was zo hoog als van een fabriek en aan de top kelkvormig gespleten. Rook en roet spoten eruit, met hier en daar zelfs vlammen erdoorheen. De hele omgeving werd erdoor veranderd.
"Een gil als van een locomotief in doodsnood!" riep de oude enthousiast in het gedaver dat plotseling rondom was losgebarsten. Hij scheen van pure opwinding een luchtsprong te willen maken en Arian zag met spot zijn stuntelige vitaliteit: hij leek wel een engel van lood! Meteen blies de stoomfluit voor de tweede keer.
Het water in de wijde omtrek trilde. Over een doffe plek op de golven rende het signaal voorbij. En het kwam weer terug, veelvuldig uiteengeslagen in hoekige scherven, weerkaatst als het werd door de bergwand der fabrieken. Een sidderen trok door de brug; de brug werd opengedraaid.
Over de hele bocht was een lange sliert platte schuiten uitgewaaierd, en nu al gleden de eerste ijzeren bakken, hoge en lage, meest ongeverfd, door de geopende brug, net als de wagens van een goederentrein, even geleidelijk en met ook zo'n gedreun.
De doorvaart duurde lang. Zelfs toen de trotse sleepboot al om de bocht was verdwenen en de stinkende rook korrelig op het water neersloeg, waren alle bakken nog niet gepasseerd. Maar het einde was in zicht.
Op de allerlaatste schuit, die snel naderbij gleed, stond een potig mannetje op een soort hoge troon aan een reusachtig stuurwiel te draaien. Het was maar een klein bruin kereltje, niet veel groter dan een dwerg, maar sterk en pezig als een worstelaar.
Onbewogen stond zijn norse gelaat, en met heersersblik overschouwde hij zijn sleep en waterweg, dat was recht voor hem uit. Geen mens kon twijfelen dat hj het was die de sleep kaarsrecht en pijlsnel door de vaargeul stuurde. Zijn optreden was de apotheose van het indrukwekkend schouwspel.
Hierna was alles snel voorbij. "Het was een prachtige aanblik," vond Arian, terwijl hij kort applaudisseerde. Toch had hij verscheidene keren omhoog gekeken, alsof hij er vliegtuigen bij had verwacht. Maar het was verleden tijd; niets herinnerde nog aan het schouwspel en hij keerde zich van het waterrijk panorama af.
Echter de oude bedacht dat hij nog steeds geen antwoord had gekregen op zijn vraag, en dat er niet veel tijd resteerde om die te herhalen. Hoopvol trad hij op Arian toe, zijn hand opgeheven om aandacht te vragen, zijn mond reeds half geopend om te spreken.
Maar Arian had inmiddels schoon genoeg van zijn bezorgdheid en op de lippen brandende vragen en ging er niet op in. Hij was zijn vader niet! Of zijn grootvader! Weliswaar had de gelijkenis van de oude met de kleine roerganger hem even aan het twijfelen gebracht over zijn belangrijkheid, maar wat bewees zo'n toevalligheid nog? Als hij het de oude zou vragen, zou die wel zeggen dat hij niets had gemerkt, door zijn zogenaamd slechte ogen.
Hij kon hem ook niet helpen, al was het drie keer koninginnedag. Hij ws al verlaat! Misschien dat hij verder op de avond nog iets voor hem kon betekenen, maar nu moest hij ervandoor.
Hij tilde bij wijze van groet zijn rechterhand anderhalve decimeter op en legde alleen de laatste meters naar de vast wal af.
Het nabeeld van de kleine bruine roerganger op de langs schietende zandsleep schoof nog even op zijn netvlies voorbij.


De snackbar

Waar de brug op de vaste wal aanliep, zette deze zich als het ware nog even voort in een belachelijk kort stukje straat, met een hoge fabrieksmuur tegenover een rijtje van drie oude herenhuizen, op dit uur van de dag nog door de oranje avondzon beschenen. Grote palmen in tonnen had het feestcomit midden op straat geplaatst zonder rekening te houden met verkeer. Ook de overmatige versiering, die op de brug reeds Arians minachting had gewekt, was nog overal aanwezig.
Schuin tegenover een stinkend urinoir straalde het caf met aangebouwde snackbar bepaald warmte af. Daar naartoe stak hij over.
Een lange vlag hing boven de deur van de snackbar omlaag. Toen hij de deur opende, streelde de vlag hem zachtjes over de schouder, alsof zij hem voor iets onmogelijks wilde troosten. Arian negeerde het, hoewel het hem niet weinig verstoorde. Laag en veelkleurig daarna het interieur van Lina's snackbar. In de vierkante ruimte brandden zowel gekleurde schemerlampjes als witte verspringende neonletters. Maar ondanks de omstandigheid dat men door een raam over de hele breedte uitzicht had op de versierde brug en de rivier, was het er toch niet zeer licht.
Klanten waren er niet. Achter een toonbank stond een rossig meisje met kortgeknipt krullerig haar, dat gekleed was (en hij bedacht: ook daar waar je het niet direct kon waarnemen) in glanzend zwart. Maar lang verwijlde hij daar niet bij, want vanavond viel hem weer op dat Lina in bezit was van twee geheel verschillende ogen, als was haar gelaat uit twee verschillende expressies samengesteld.
Uitdagen liet ze zich nooit. Zij liep direct bij hem vandaan, naar het brede raam en riep meteen, terwijl haar stem klonk of ze allang genoeg had van alles:
"Dit gaat zo niet langer! 't Is nu al de derde maal! Jij denkt zeker dat ik maar zo'n beetje kan rondhangen als jij. Ga maar weer weg en kom een andere keer terug als het minder druk is dan op Koninginnedag! Jij komt maar kletsen en me op de vingers kijken... Juist vanavond kan ik dat niet gebruiken begrijp je? Je zou aardiger tegen mij kunnen zijn, en verdraagzamer."
Deze onvriendelijke woorden brachten Arian in onzekerheid, maar ontmoedigden hem toch niet zeer. "Ik ben juist wl aardig," zei hij, "want ik kom ju toch bezoeken! Het is alweer vier uur geleden dat ik hier voor het laatst kwam om je te begroeten en nu weer. Ik moet vanavond overal naartoe. En als ik dan toevallig langskom voor mijn werk, dan kom ik even binnen om je goedendag te zeggen, dat spreekt vanzelf. En druk is het juist nog helemaal niet..."
Zijn antwoord ontlokte Lina nauwelijks een reactie; zij begon quasi-ijverig het houtwerk van een tafel te poetsen.
Arian zei: "Je moet niet boos zijn. Het is ook niet wr dat ik niets te doen heb. Ik moet, zoals ik al eerder heb gezegd, voor de krant een stuk schrijven over koninginnedag. Dat artikel moet morgen klaar. De hele tijd ben ik er al mee bezig, en ik zal je wl vertellen dat het niet meevalt hoor met die hitte. Het is ook voor ju dat ik het doe!"
Hij wilde nog meer zeggen, maar er kwam hem niets meer te binnen. Door het wandbrede raam zag hij dat een witte plezierboot door de geopende brug voer, hetgeen zo'n zuiging in het toch al lage water veroorzaakte, dat de modderige rivierbodem achter het caf even droogviel. Enige vissen spartelden in het wier, Arian had ze bemerkt, maar ze werden alweer door een golf teruggespoeld in hun eigen wereld.
Lina draaide zich naar hem om. "Ach wat smoesjes," zei ze. "Dat schrijven kun je hier niet doen! Wou je mj soms interviewen? Ik kan je heel wat onthullen hoor! Heb je je opschrijfboekje klaar? Dan zal ik je een verhaal vertellen waardoor je me niet meer zo aardig zult vinden."
Maar Arian lachte er bijna om. Ze deed dit alleen maar, dacht hij, om hem af te leiden, boos te maken, als een soort verdediging. Hij ging er niet op in, hij zei:
"Ik zou inderdaad minder aanlopen, als wij bij andere gelegenheden wat vaker met elkaar zouden kunnen spreken... Want wat hebben we tot nu toe nog tegen elkaar gezegd? Behalve vorige week dan misschien. Weet je nog wat je toen allemaal hebt opgebiecht? Mijn overhemd heb je doorweekt met je tranen..." Op de wand tegenover hem vormden neonbuizen balken en lichtende cirkels op de wand; hij keek er naar en toen weer naar Lina.
(Wordt vervolgd met nog vijf afleveringen).




Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en Ren Claessens