zaterdag 21 juli 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Koninginnedag - Afl. 1 van 7
Gepubliceerd op: 14-07-2011 Aantal woorden: 2256
Laatste wijziging: 04-02-2018 Aantal views: 1711
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Koninginnedag - Afl. 1 van 7

Henk Gruys


Voorboden


Waar de asfaltweg het dichtst langs de rivier liep, verliet Arian de weg en begon hij de brede schuinte ernaast te beklimmen. Hij klom door geheel verdord gras. Rond zijn voeten wolkten van stof traag bewegende kringen op, als van minuscule onderaardse ontploffingen. De zon brandde nog steeds fel, recht voor hem uit. Er was geen ander mens in de omtrek te bekennen.
    Nadat hij boven op de verdroogde helling was gekomen, keek hij na van hitte een moment zijn ogen gesloten te hebben, over de omgeving uit. Voor hem lagen de rivier en daar de overkant, en die vertoonden geen andere aanblik dan de vorige keer. Op het olieachtige water lag een blikkerende baan, gespiegeld door de zon, en de hemel was fletsblauw, wazig zoals altijd op een hete namiddag.
    Toch wist hij heel goed dat dit bedrieglijk was. Hij liet de illusie even duren en richtte toen de blik lager.
    Nu zag hij de ramp weer in volle omvang, de ramp die al die tijd niet uit zijn gedachten was geweest en zelfs verergerd leek. Een ondiepe modderige inham lag voor zijn voeten; er dreven daar veel dode wortels van riet en opgezwollen bleke stengels staken boven de drab uit. Luchtbellen tussen modderplakkaten zakten lobbig en geluidloos in, maar hij zou ze nog niet met de schoenpunten kunnen aanraken, zo was het niveau van het water gedaald. Het leek of ergens de stop er was uitgetrokken en bijna al het water door het afvoergat weggezakt. Dat was in een rivier als deze, bijna een kanaal, hoogst ongewoon en hij vroeg zich weer af hoe dat mogelijk was.
    Hij speurde naar enige stroming in de rivier, maar beweging was niet vast te stellen. Ook middenin, waar het water nog helder leek, lag het onbeweeglijk. Zelfs de gloeiend hete zomerwind, die voortdurend ritselde in de dode bossen riet hoger langs de bedding, scheen het niet te kunnen rimpelen.
    Dan, zoals steeds, werd zijn blik onweerhoudbaar naar links getrokken. In de verte zag hij de stad walmen. De zwarte stad lag als een schroeiplek in het landschap, naar het hem voorkwam vol half verteerde staketsels en ingestorte bouwwerken, voornamelijk vuil afgevend.
    De stad had van hieruit altijd al een sinistere aanblik geboden. Maar vanavond maakte zij voor het eerst nog een andere indruk, van een nauwelijks verheimelijkte agressie tegen de rivier. Het was of de stad met zijn verziekende invloed op verborgen maar nogal gemene wijze met de verdwijning van het water te maken had. Maar hoe dit idee, en waarom deze gedachte postvatte, kon hij niet verklaren.
    – Dat dit allemaal voortekenen waren, voelde hij intussen maar al te goed; alleen voortekenen waarvàn wist hij niet. Twee maanden geleden was het begonnen; toen had een ondefinieerbaar gevoel van onbehaaglijkheid bij iedereen opeens de kop opgestoken. Was het iets in groter verband? Omdat de toestand-internationaal het laatste halfjaar weer sterk te wensen overliet?.. Hijzelf voorvoelde er de aankondiging van een nieuw tijdvak in, een verandering van politiek klimaat, waarvan de mensen zeiden: Er zit iets in de lucht. Of anderen: er kon wel eens oorlog uitbreken binnenkort...
    Hoe het ook zij: niemand die van het fijne op de hoogte was... wie ook zou dat ondoorzichtige net van internationale intriges en machtstrijd achter de schermen nog kunnen ontwarren?..
    Feit was dat de kranten de laatste tijd bol stonden van de meest pretentieuze toekomstvoorspellingen, de ene nog onwaarschijnlijker dan de andere, en de berichtgeving – de vaderlandse pers eigen – meestal nogal gekleurd. Zodat in de avondbladen gigantische samenzweringen werden ontmaskerd, massaoplichtingen nog massaler verdonkeremaand en de alleronmenselijkste dictaturen met zonderlinge argumenten uit het verdomhoekje gehaald.
    Maar waar pessimistische voorgevoelens meestal worden gevoed door geruchten, bleek ook hier dat de ware toedracht van de gebeurtenissen eigenlijk niet aan het licht kwam. De landelijke autoriteiten die als het erop aankwam, opheldering zouden kunnen verschaffen, wisten zogenaamd weer van niets, zaten misschien zelf wel in een komplot, wie weet. – En het gewone volk had zijn weerstand allang opgegeven. Wat er werd gezegd: dat men beter niet in die troebelingen van hogerop en zelfs van de stad deed te roeren; daar werd een eenvoudig mens maar tureluurs van. De stad gaf zijn geheimen toch niet prijs, en problemen had men al genoeg. De dagelijkse zorgen gaven groter ongemak – dat was het oordeel van de meesten.
    Maar Arian ging het nog wel ter harte. En thans deze ramp met het water; het kon niet anders of ook die moest daarmee te maken hebben. – "Maar al zou ik alles weten: ik kan niets uitrichten, ik sta machteloos."
    Intussen veroorzaakten om hem heen honderden insekten piepende en zagende geluiden overal in het gras. Hij zag het ongedierte hier en daar ook zitten – met bijna fotografische scherpte zag hij ze. Sommige waren zo lang als een vinger en gaven een hoogst eigenaardige stank af.
    Ze zijn al doorgedrongen tot de rivier, dacht hij; straks komt de stad aan de beurt en moeten we allemaal verhuizen. Uit afkeer probeerde hij er zoveel mogelijk dood te trappen, maar dan vlogen ze ongehinderd op, om verderop weer neer te strijken.
    Vermoeid staakte hij de achtervolging en stak zijn handen in zijn zakken. De conclusie die hij trok was overstelpend juist, maar misschien iets te comfortabel in dit geval:
    "In dit gras liggen en starend in de verte op de zonsondergang te wachten, dat is hier geheel en al onmogelijk."
    Rust zou hem voor vanavond trouwens niet zijn gegund. Want het was in de stad dat hij verplichtingen had. Terug zou hij moeten naar die kokende stad, dat had hij afgesproken.
    Hij haalde traag zijn handen uit zijn zakken en begon de flauwe helling naar de asfaltweg weer al te dalen.
    "Het enige is overal alert op te zijn, dacht hij. "En optimistisch te blijven; mij door voorgevoelens niet in de war laten brengen... Al ben ik dan misschien optimist uit bangheid; hetgeen natuurlijk een o zo verwerpelijke reden is om optimist te zijn... Maar ook vroeger zette ik boze dromen het liefst zo ver mogelijk van mij af. Uit zelfbehoud. Anders was mijn eigen, innerlijke wereld allang ingestort. Zo ben ik nu eenmaal, ik kan er niets aan veranderen."
    Nadat hij beneden aan de dijk was gekomen, keek hij nog eenmaal achterom. Maar door de hoge berm kon hij de rivier al niet meer zien.
    Het leek hem opeens buitengewoon onwaarschijnlijk dat de waterstand ooit nog naar zijn oude niveau zou terugkeren. En deze constatering ondervond hij als een onontkoombaar, nog niet eerder opgemerkt voorteken van een naderende afschuwelijke tijd. De betrekkelijk mooie jaren tot nu toe waren definitief voorbij... Net als de dromen uit de jeugd: die kwamen nooit meer terug, nooit!
    – Weer op de gloeiend hete weg gekomen, bekroop hem de tegenzin nog hoger. De terugtocht te voet naar de stad lag voor hem uitgestrekt, belichaamd in vele kilometers zinderende asfaltweg. En deze beproeving kon hij niet ontkennen of voor zich uit schuiven, zoals hij gewoon was te doen. Hij voelde de vermoeidheid groeien in alle hoeken van zijn gedachten.
    Tot aan de bocht bleef hij in het aangedroogde zand van de berm gaan. Maar na enige tijd ging hij midden op de verlaten weg lopen, waarvan het asfalt kleefde aan zijn schoenzolen.
    Aan zijn rechterzijde – totaal – brandde de zon onverzettelijk achter een nevel van vuile dampen boven de stad. Maar ook om hem heen was de lucht zo heet, zo stoffig dat zij bijna niet was in te ademen. Het was reeds avond, maar de hitte van overdag was nog nauwelijks verminderd.


Een dubbelganger

Een uur later was hij terug in de stad. Aanvankelijk had hij nog getwijfeld of de hitte èn droogte van de laatste zes maanden – geen logischer verklaring voor het verdwenen water was dan het spookbeeld dat hij zich zojuist bij de rivieroever voor ogen had getoverd.
    Maar al gauw werd hij door dit soort overwegingen niet meer beziggehouden, noch door de onmacht er iets aan te veranderen; dacht hij eigenlijk aan weinig meer. Nu hij weer in zijn geboortestad was wilde hij zich niet door oude melancholieke herinneringen laten verleiden, vooral niet op dit intense vroeg-avondlijke moment. Hij moest voorkomen dat hij door oude beelden of bekende geluiden die hij in de stad zou herkennen (of bijna vergeten was), tè intensief in beslag zou worden genomen en straks bijna uitgeput met zijn werkzaamheden zou moeten aanvangen.
    Zelfgekozen, kunstmatige onverschilligheid was het uiterste waartoe hij zich nog wist op te werken op deze ingrijpende uren van de dag. Maar of het succes zou hebben hiermee zijn evenwicht te handhaven.....
    Deze stad, – hoe weinig weggeëbd bevond hij weer de melancholie van de oude stationswijk in welke omgeving hij thans was aangeland. Hoe onweerstaanbaar op deze zomerse uren waren nog steeds deze gribusachtige straatjes, zwarte fabriekjes en vermoeide bakstenen muren. – Heel vroeger, in de doelloosheid van zijn jongste jaren waren het vooral de vrije woensdagmiddagen in de stad die hem bedrukten. Vooral later op de dag, als hij weer op weg was naar huis, iedere keer weer moedeloos en teleurgesteld. Terwijl alles eerder nog zo hoopvol was begonnen. –
    Nu onderging hij die machteloosheid niet echt meer, hij was volwassen geworden, maar hij kon zich alles, nu hij hier liep, nog heel goed herinneren.
    Thans voelde Arian zich moe en dorstig, maar niet geheel verdoofd. Aan een stalletje bij een watertoren van een fabriek kocht hij een flesje limonade en een ijsje.

De rivier had de stad uiteengewrikt tot twee bochtige oevers, met hoge bebouwing en zwaar beschaduwend bladergroen.
    Maar meer naar het zuiden toe, waar het licht nog vrij spel had, werd de watermassa veel breder en leken de stadshelften vèr van elkaar weggedreven.
    Twee smalle bruggen overspanden het wijde water; hier en veel verderop. De meest noordelijke, voorzien van gietijzeren hekwerken en ouderwetse gaslantaarns, voor de gelegenheid met guirlandes versierd, liep Arian op.
    Hij passeerde voortdurend lange rechtopstaande palen, aan de brugleuning vastgemaakt met ijzerdraad en geschilderd in de kleuren van zuurstokken. Bovenin hingen er ontelbare slingers veelkleurige lampions tussen en hele trossen kinderballons, die zachtjes schommelden in de avondwind. Tussen de versiering, die de overdadigheid in stand hield, waren grote letters B gestoken, wat hem overigens niets anders te denken gaf dan een spottend: het feestcomité is weer heel aardig bezig geweest.
    Maar eigenlijk was hij te slaperig om zich erover op te winden. Hij had zijn hersens goed afgesteld: hij liet het vanavond wel allemaal over zich heenkomen. En als iemand iets van hem wìlde: hij zou zich niet verzetten, maar hij zou zich er ook niet voor ìnzetten. Dat was de beste houding voor nu, en hij was niet van zins zich in fatalistische gedachten te verliezen.
    Na enige tijd ontmoette hij de brugwachter, een oude kennis, die onderweg was naar zijn post en zijn jongste zoontje had meegenomen omdat het vandaag feest was. Gedrieën wandelden zij voort.
    Druk was het nog niet op de brug. Maar aan één kant stond reeds een hele rij kleine jongens te vissen met bezemstelen met katoenen draden eraan. Regelmatig haalden ze die op, maar er zat nooit iets anders dan een vliegerstaart aan hun hengels.
    "Er is al die jaren niets veranderd," mompelde Arian, terwijl hij ze een voor een voorbij liep. "Nog steeds veinzen ze het gekerm van de worm niet te horen. – Maar ik ben nu ouder en kan mij niet meer met hen bemoeien. Tenminste niet meer zoals vroeger."
    Ze waren aangeland bij het brugwachtershuisje dat getooid was met een schild van roze anjers met het getal 50 er middenin. De brugwachter nam afscheid en verdween met zijn zoontje naar binnen.
    Arian ging zijn weg weer in eenzaamheid vervolgen. Maar niet dan nadat hij even op het raam had getikt en een grimas naar binnen had getrokken.
    Nu hij weer alleen was, kon hij alvast wel aan Lina gaan denken. Hij was benieuwd wat voor welkom zij hem straks zou bereiden. Vol liefde en hartstocht, of toch weer met afstandelijkheid? Zij had eens beweerd dat zij afgunstig was op zijn "leeg" leven. Maar twijfelachtig was het of zo'n leven – zonder werk – haar wel zou bevallen. Zij was een meisje dat haar toekomst wist te bepalen! Hem waren haar ambities zelfs wel eens te veel, en kwelde minderwaardigheid en onzekerheid hem als hij bij haar op de kamer was.
    Maar vanavond zou hij daar geen last van hebben. Nu hij eindelijk een baantje had gevonden, was hij ervan overtuigd dat er veel ten goede zou veranderen. En ook zíj. Want vanavond zou hij haar voor het eerst zijn nieuwe toekomstplannen onthullen!
    Hij naderde intussen steeds meer de westelijke oever. Zo kort geleden was het dat hij zich hier had bevonden en een zo sterke indruk had dat achtergelaten, dat hij even stilstond om het overweldigend uitzicht opnieuw in ogenschouw te nemen.
(Wordt vervolgd met nog 6 afleveringen).



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens