woensdag 25 april 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Rik van Schaik - Leszek Jambor en de dode in de St. Victor
Gepubliceerd op: 01-02-2004 Aantal woorden: 6639
Laatste wijziging: - Aantal views: 1553
Easy-print versie Aantal reacties: 2 reacties

Leszek Jambor en de dode in de St. Victor

Rik van Schaik


Rik van Schaik
Leszek Jambor en de dode
in de St. Victor

Mijn oom Leszek Jambor (Polen, Krakow 1900 – Nederland, Utrecht 1971) was in de jaren 50 en 60 behalve een berucht verslaggevend criminoloog bij dagblad Het Parool vooral ook een veel geprezen privé-detective die door de meest uiteenlopende particulieren en instellingen werd ingehuurd. Na zijn overlijden is zijn privé archief overgedragen aan zijn, inmiddels eveneens overleden, biograaf A.F.G. Verkade. Voor alle studies, artikelen en gastcolleges van mijn oom verwijs ik dan ook naar zijn zeer geslaagd te noemen biografie ´Een Poolse criminoloog in de Hollandse polder´. De dossiers van Jambor als privé-detective zijn na diens dood, keurig naar datum gerangschikt, via Verkade in mijn bezit gekomen. Aan mij als schrijver de taak om de zaken van Leszek Jambor in afleveringen uit te schrijven. Ik hanteer hierbij de volgorde waarin de verschillende zaken zich in het leven van mijn oom hebben aangediend. Daarin is ´de dode in de St. Victor´ de eerste. Ik heb mij de vrijheid veroorloofd om de verhalen aan u als schrijver te vertellen. Daarbij ben ik uiteraard in de eerste plaats enorm geholpen door de uitgeschreven dossiers en dagboeken van mijn oom. Maar ook mijn levendige herinnering aan deze uitzonderlijke man heeft mij bij elk te schrijven deel enorm geïnspireerd. Daarom draag ik alle afleveringen uit deze detectiveserie op aan hem die niet alleen mijn jeugd maar tevens ook mijn huidige leven als schrijver voorziet van een juiste dosering spanning en speurderszin.

In ´de dode in de St. Victor´, Leszek Jambor zijn eerste zaak als privé-detective, reist hij af naar het dorp Benschop, gelegen in de polder tussen Utrecht en Lopik. In de vroege morgen van de eerste kerstdag van 1950 treft hij daar in de pastorie het ontzielde lichaam aan van pastoor Mulkens. Ten midden van het bedienend personeel, de koster en de doodgraver tracht Jambor door diep te spitten oorzaak, gevolg en dader vast te stellen. Iets dat niet mee zal vallen binnen de stille muren van de geschokte en zwijgende kerkgemeenschap.
I

Op de Koningslaan 30 te Utrecht was de kerstochtend nog jong toen de schelle tonen van de telefoon door het Weihnachtsoratorium van Bach heen braken. Leszek Jambor zat met gesloten ogen in zijn rood fluwelen peignoir met koffie en sigaar voor het radiotoestel naar het kerstconcert te luisteren. Op het alarmerende gerinkel van zijn telefoon leek hij in eerste instantie geenszins te reageren. Pas nadat het toestel een aantal keren was overgegaan opende hij zijn ogen en hees zijn lange, brede lichaam statig uit zijn fauteuil. Op weg naar de tafel met de telefoon nam hij het schoteltje mee waarvan hij zojuist een plak kerststol had gegeten. In de gang stond zijn koffer gepakt voor een bezoek aan zijn zuster en haar gezin. Hij zou daar de kerst gaan vieren en verwachtte dat zijn zuster hem nu met een dringende mededeling opbelde. De bomen van het Wilhelminapark voor zijn huis bogen lichtjes in de ruwe storm.
´Goedemorgen met Jambor´.
´Goedemorgen heer en een gezegend kerstfeest…´ het was een onbekende stem van een oudere man die tot hem sprak. ´Het spijt me dat ik op deze bijzondere ochtend een beroep op u moet doen. U spreekt met Monseigneur Bentinck, vicaris-generaal van het Bisdom Utrecht…´ Er viel een stilte die Jambor, niet kerkelijk maar wel degelijk katholiek, niet meteen kon duiden. Het Bisdom was vlakbij diens woning gevestigd en over de heer Bentinck had Jambor zo nu en dan wel eens wat gelezen. Peinzend waar dat artikel toentertijd over moest zijn gegaan verbrak de detective de stilte.
´Goedemorgen Monseigneur, ik wens u een zelfde vrede deze dagen. Waar kan ik u mee van dienst zijn?´
´Wel, de vrede is in ons Bisdom wreed verstoord. Één van onze broeders is vanochtend op wrede wijze om het leven gebracht…´ Opnieuw een eerbiedige stilte met een resonantie die Jambor moeilijk kon plaatsen.
´Ik wil u daarmee oprecht te condoleren´.
´Dank u… Ondanks ons grote vertrouwen in de lokale politieautoriteiten ter plaatse zouden wij als Bisdom van uw diensten gebruik willen maken. Voor ons kunnen zoveel factoren van belang zijn de komende dagen dat wij graag uw visie zouden willen hebben op hetgeen er is gebeurd´.
´Ik begrijp het´ beaamde Jambor die echter in het geheel niet begreep wat de Monseigneur bedoelde met ´voor ons kunnen zoveel factoren van belang zijn de komende dagen´.
´Het gaat om onze pastoor Mulkens, werkzaam en ontzield in Benschop, de parochie van de St. Victor. Onze vraag is of u daar ter plaatse een onderzoek zou willen uitvoeren. Wij zijn op de hoogte van uw honorarium en willen u, gezien het tijdsstip van deze opdracht, met het dubbele bedrag tegemoet komen´.
`Ik sta geheel ter uwer beschikking en zal beloven secuur tot een rechtvaardig oordeel te komen´.
Dit uitermate zwaarwichtige telefoongesprek wikkelde Jambor beheerst en correct af. Bedachtzaam legde hij de hoorn op de haak en tuurde nog eens over het park voor zijn huis. Zijn koffer was al reeds gepakt. Hij deed de radio uit, ruimde zijn kopje op en trok de stekker van de kerstboomverlichting zachtjes, welhaast eerbiedig, uit het stopcontact. Voordat hij zich ging wassen en aankleden belde hij, alom teleurstelling acterend, zijn zuster af en bestelde een taxi.
´Toch nog naar de kerk deze kerst´ mompelde Leszek Jambor en hij kon daarbij een lichte opwinding niet onderdrukken.

II

De storm joeg Jambor zijn zwarte mantel om het zojuist geopende portier van de taxi. Met de hand stevig op zijn hoed gedrukt stapte de detective voorzichtig maar krachtig uit het zware voertuig. Onder zijn brede kaken wapperde zijn satijnen sjaal toen hij zijn rug rechtte en over het grindpad uitkeek naar de volle St. Victor. Voor een klein dorp als Benschop beschikte de parochie over een fors kerkgebouw met vele bogen en zuilen. Links van het kerkgebouw stond de eveneens rijzige pastorie. Jambor rekende af, pakte zijn koffer op en liep met ferme passen naar het portaal van de ambtswoning van de vermoorde pastoor. Jambor had de witte dienstauto van het plaatselijke politiekorps op het erf zien staan. Dit deed hem nog steviger op de voordeur toe lopen. Hij wist dat hij middels onverzettelijkheid zijn eigen weg vrij zou moeten maken daar de politiefunctionarissen, die reeds binnen waren, onaangenaam verrast zouden zijn bij het zien aantreden van een kritische criminoloog annex privé-detective. De taxi reed achter uit de dijk op en Jambor trok twee maal hard aan het koord van de deurbel terwijl de wind de bellen in de kerstboom naast de poort flink liet rinkelen. Op de dijk stonden enkele dorpsbewoners met een angstige belangstelling de weinige activiteiten op het kerkplein gade te slaan. Jambor was benieuwd in hoeverre de parochie al op de hoogte was van het noodlot dat hun pastoor de afgelopen nacht getroffen had. De Heilige Mis was deze kerstochtend in ieder geval niet doorgegaan en zou dus al tot de nodige onrust in het dorp hebben moeten leiden.
Met een zware klik opende zich de deur en er verscheen een rijzige, vrouwelijke gestalte. Haar brede, strenge gezicht was bedekt met een forse grijze haardos. Alvorens Jambor een hand te schudden veegde ze deze af aan een wit schort met boerenbontmotief. Haar lippen trokken omlaag en ze sprak bars monotoon.
´U moet de heer Jambor zijn. Het Bisdom heeft uw komst aangekondigd´.
´Mijn oprechte deelneming, mevrouw…?´
´Verstraten. Mevrouw Verstraten. Hoofdhuishouding van pastoor Mulkens´.
Mevrouw Verstraten deed, nadat ze zich had los gemaakt van Jambor zijn stevige greep, een stap opzij en de detective kwam de hal binnen. Mevrouw Verstraten wierp alvorens de deur te sluiten een achterdochtige blik naar de dorpelingen aan de rand van het kerkplein. Het was een brede hal vol hoge glas in lood ramen en Jambor zijn jas werd soepel aangenomen en aan de royale kapstok gehangen.
´U mag uw koffer hier laten staan meneer Jambor. Wij zorgen ervoor dat die in uw gastenverblijf terecht zal komen´.
Jambor, die duidelijk niet op deze gastvrijheid gerekend had, maakte een lichte buiging en liet het idee van een aantal overnachtingen in ´Het Wapen van Benschop´ varen.
´Ik neem aan dat u eerst een blik zou willen…´
´Ik zou zeer graag eerst naar het plaats delict gaan´. Het was duidelijk dat deze technische omschrijving de huishoudster enigszins choqueerde.
´Volgt u mij maar. Ik blijf, met uw permissie, op u wachten in de koffiekamer´.
Jambor volgde zijn gastvrouw in een kalm tempo en nam de gelegenheid ten baat meteen wat blikken te werpen in de schone, met adventskransen versierde hal. Elk kastje, ieder ornament, elk kerststukje en ieder Heiligenbeeld had een bepaalde statigheid die de detective meteen de rust schonk die bij deze verheven plek hoorde. Hun voetstappen waren het enige geluid dat in de gang viel waar te nemen. Mevrouw Verstraten liep met kordate passen stevig voor hem uit en Jambor vroeg zich af in hoeverre haar kille houding enkel aan het sterven van haar meester te danken was. Na een brede bocht in de gang, waarin wederom een hoge kerstboom stond, werd Jambor door de huishoudster op twee, tegenover elkaar liggende, deuren gewezen.
´Hier is de keuken en daar is de koffiekamer waar ik op u zal wachten´.
´Dank u zeer, ik neem aan dat u mij bij die gelegenheid ook aan het personeel zal willen voorstellen?´
´Zeer zeker, heer Jambor. U zult op alle medewerking mogen rekenen die u wenst´. Met een dienstbaar hoofdknikje verdween mevrouw Verstraten in de koffiekamer. Jambor ving nog net een glimp op van een manspersoon. De koster? Een politiefunctionaris? Leszek rechtte zijn rug, knoopte zijn jas los waardoor deze voller leek en stapte zonder te kloppen de keuken binnen. Alle lichten waren aan en een drietal mannen draaide hun gezicht naar de zojuist binnengekomen detective. In de korte stilte die viel hield eenieder de handen stijf in de zakken. Er was geen begroeting, er werden alleen wantrouwende blikken gewisseld. In het midden, gezeten aan de keukentafel en half over het blad heen hangend, lag het stoffelijk overschot van pastoor Mulkens. Onbescheiden deed Jambor een aantal passen in de richting van het slachtoffer en bekeek diens gebogen gestalte. Tussen zijn schouderbladen was het paars van zijn kazuifel gescheurd en bevond zich een diepe, brede en donkere wond waaruit als een hardnekkig gewas een briefopener met kruis stak. Het glimmende bladgoud droeg rode spatten. Uit zijn binnenzak nam de detective een pen waarmee hij de onderkant van de pastoor zijn witte haren een klein eindje optilde.
´U bent Leszek Jambor?´ Vroeg één van de heren schor, duidelijk niet op zijn gemak met het zwijgzame binnendringen van de particulier detective.
`Daar staat u mee oog in oog!´ Langzaam draaide Jambor zich in de richting van de jonge inspecteur die gesproken had. Hij trok zijn wenkbrauwen veelbetekenend omhoog en stak vervolgens zijn hand uit die de functionaris aarzelend beantwoordde. ´Ik neem aan,´ ging Jambor verder ´dat wij elkaar wederzijds de ruimte en vrijheid zullen geven waar we recht op hebben´.
´Wanneer uw stappen ons onderzoek niet belemmeren zie ik niet in waarom…´
´Daar hoeft u niet bang voor te zijn, meneer…?´
´Inspecteur Bogaards´.
´…Bogaards. Daar hoeft u niet voor te vrezen. Mag ik u vragen in hoeverre de lokale bevolking al is ingelicht?´ Inspecteur Bogaards tuitte na deze vraag bedenkelijk zijn lippen, alsof het antwoord hem of het onderzoek eventueel zou kunnen schaden. ´Vanmorgen hebben wij de bevolking het sterven van pastoor Mulkens medegedeeld. Dat er sprake is van een misdrijf zullen wij tot nader order verzwijgen. Verder zijn wij bezig met huis- aan huisgesprekken en daar zullen wij per geval apart de aanleiding van dit sterfgeval onthullen. Wij wilden vanmorgen niet te veel paniek creëren op het kerkplein´.
Jambor knikte begrijpend op deze woorden maar stelde snel een tweede, voor hem belangrijke, vraag: ´Is uw arts al geweest? Hoe lang zal het lichaam zich hier nog bevinden?´
´Wij waren juist van plan het stoffelijk overschot over te brengen naar het ziekenhuis. Ik weet niet of u nog…´
´Ik wil hier inderdaad nog even het een en ander bekijken. Ik neem aan dat u mij dat zult toestaan. Ik zou het namelijk jammer vinden om het een en ander aangaande uw solistische werkzaamheden in één van mijn artikelen voor een landelijk dagblad te moeten onthullen´. Deze vorm van chantage was niet netjes maar maakte meteen ruim baan voor Jambor zijn werkzaamheden en hij voorkwam ermee een hoop diplomatiek gehannes en daarmee het verloren gaan van een hoop kostbare tijd. De drie heren keken elkaar een kort moment aan, de adem ingehouden. Jambor ontving een kort, beledigd, hoofdknikje en werd vervolgens door de drie medewerkers aarzelend alleen gelaten. Vlak voordat inspecteur Bogaards, die als laatste de keuken verliet, de deur achter zich dicht kon trekken sprak Jambor nog de volgende, enigszins hooghartige zin: `Mocht ik eerder dan u tot een slotsom of wellicht een bekentenis zijn gekomen dan zal ik zo snel mogelijk mijn rapport aan justitie en uw baas overdragen´. Met een iets te opgewekte glimlach keek Leszek Jambor de vertrekkende inspecteur na. Vlak voordat Bogaards de deur achter zich in het slot trok hoorde Jambor hem binnensmonds grommen.
Nu hij alleen was trok Jambor een stoel bij en bekeek aandachtig het van pijn verwrongen gelaat van de pastoor. Zijn bril was van de neus gevallen en lag voor zijn linkerhand op tafel bovenop een sjiek schrijfboek met harde kaft. Er lag een lege bladzijde waar enkel de datum op geschreven was: 25 december 1950. Onder de datum lag een hoopje kwijl dat uit de geopende mond van de ontslapene gelekt was. Eindeloos staarde Leszek in de gebroken blik van het slachtoffer. De gesprongen adertjes gaven de gele ogen een mysterieuze glans, alsof de ziel nog steeds bezig was het lichaam te verlaten. Wat hadden deze kijkers waargenomen? Midden op het tafelblad lag een stevige vulpen. Een pruttelende ketel op het fornuis was het enige geluid dat er in de keuken klonk. Een madonna met kind keek neer op de rondscharrelende detective die zijn blik en vingertoppen over vloer, aanrecht en kruidenplankjes deed gaan. Naast de keukenkast bleef Jambor bedachtzaam staan en legde zijn brede handen op de vensterbank. Hij staarde naar buiten waarachter de lage haag de dodenakker lag. Het begon zachtjes te sneeuwen en in de troebele buitenlucht zag hij een man met een kruiwagen uit één van de graflaantjes komen.
Er werd kort op de deur geklopt en Jambor draaide zich om.
´Entree´ riep hij alsof hij zich in zijn eigen werkkamer bevond. Voorzichtig kwam mevrouw Verstraten het vertrek binnen. Ze friemelde nerveus aan haar schort terwijl haar verbaasde blik verried dat ze de kalme stilstand van de detective opmerkelijk vond.
´De inspecteur laat vragen hoe ver u bent´.
´Zou u de deur willen sluiten mevrouw? Ik ben bijna klaar. Nee, blijft u even binnen. Ik zou u graag een vraag willen stellen´.
De huishoudster sloot de deur en vroeg of hij wellicht koffie wilde. Hierop knikte Jambor en hij trok een sigaar te voorschijn die hij met zijn bijna vuistdikke aansteker in vlam zette en sloeg met een wijds gebaar zijn notitieblokje open terwijl hij met een dampend kopje aan tafel ging zitten. Het was duidelijk dat mevrouw Verstraten zich niet op haar gemak voelde zo dicht bij het geweld van de moord. Dit was iets dat Leszek goed van pas kwam en triomfantelijk maakte hij een uitnodigend gebaar naar de stoel tegenover hem terwijl hij voorzichtig van zijn koffie nipte.
´Gaat u alstublieft een kort moment zitten mevrouw. Zou u me kunnen vertellen hoe laat de pastoor vannacht is overleden?´
Ongemakkelijk zette de vrouw zich aan tafel, zover mogelijk van het dode lichaam. `Tussen drie en vier. Om halfvijf kwam ik in de keuken om de voorbereidingen voor het kerstontbijt te treffen. Om één uur waren wij naar bed en naar huis gegaan nadat we een korte maaltijd hadden gebruikt na de nachtdienst´.
´U was dus vroeg uit de veren… Wie zijn er woonachtig in de pastorie en wie hebben er een sleutel?´ Jambor vond dat hij zich voorlopig tot die personages kon beperken.
´Ik en Daphne wonen in de pastorie…´
Jambor hief resoluut zijn hand op en blies een lange rookpluim schuin omhoog: ´Wie is Daphne?´
´Daphne is mijn hulp in de huishouding. Ze is hier twee maanden in dienst en…´
´Waar komt ze vandaan?´
´Uit het dorp´.
´Bent u tevreden over haar?´
´Ach, wat zal ik zeggen… Ze leert in ieder geval snel´.
Jambor dronk zijn kopje leeg en zette deze secuur terug op het schoteltje.
´Verder woont hier niemand?´
´Nee. De koster, meneer Broers, heeft de sleutel en is hier uiteraard dagelijks´.
´Hoe is uw verstandhouding met hem?´
Mevrouw Verstraten snoof hierop verontwaardigd en gaf met een kille ondertoon haar antwoord: ´Uitstekend. De man verstaat zijn vak en is buitengewoon joviaal en hulpvaardig´.
´Dat is prachtig, heel fijn zo… Verder nog iemand met een sleutel?´
´Behalve het Bisdom, die hier bijna nooit zijn, heeft de doodgraver, meneer Franssen, een sleutel van de bijsacristie. Hij zou zich tot ons toegang kunnen verschaffen´.
´Juist. Is er een begrafenis op komst, behalve dan deze…´ Jambor vond zelf ook dat de hoofdknik naar de pastoor tegen het oneerbiedige aan was.
´Jawel, er is na de kerst een begrafenis´.
`Het is dus volstrekt logisch dat de heer Franssen op eerste kerstdag een vers graf aan het graven is?´
´Jawel´. Mevrouw Verstraten keek haar ondervrager inschattend aan.
´Heeft u tot slot enig idee wie pastoor Mulkens zo intens haatte? Hoe was uw verstandhouding met hem eigenlijk´.
´Zoals ik ook de politie verteld heb is mijn betrekking en contact met mijn meerdere altijd naar mijn zin geweest. Ik heb dan ook geen idee en hoop dat u naast het stellen van uw vragen ook voor de nodige veiligheid en rechtvaardigheid zult zorgen. Daar bent u immers door mijn plaatsvervangend baas voor ingehuurd´.
´Maakt u zich geen zorgen mevrouw. Met de minuut groeien mijn vermoedens´. Bij deze blufferige opmerking doofde Jambor zijn sigaar onder de kraan en maakte vervolgens een einde aan zijn eerste ondervraging: ´U kunt de inspecteur zeggen dat de keuken vrij is. Ik zou u willen vragen of u in de gelegenheid bent mij een rondleiding door de pastorie te geven´.
Met een bittere beaming verliet mevrouw Verstraten de keuken en Jambor genoot van de duisternis waardoor hij zich een weg moest banen. Hoe doodser de stilte hoe sneller men voor enig gerucht zou zorgen. Deze gedachte hield Leszek Jambor stevig op de been.

III

Na de korte rondleiding door de pastorie, waarbij Jambor de zwijgzame Daphne een hand had kunnen geven, begaf hij zich naar de sacristie. Daar riep de detective het beeld op dat hij kort daarvoor boven had waargenomen. Bij het aanwijzen van zijn logeerkamer zag hij de jonge hulp in de huishouding zijn bed op maken. Schuchter schudde zij hem de hand en sprak haast fluisterend haar naam. Het was een fijne kamer. Ruim, met een prachtig bureau aan het venster dat uitzicht bood over de tuin. Daar had Jambor zijn schrijfgerei neergelegd, naast een privé telefoontoestel waar hij erg blij mee was. Boven zijn bed hing een portret van de Heilige Fransiscus, naast het hoofdeinde stond op zijn nachtkastje een breed lampetstel. Dit gemoedelijke interieur schonk Leszek een behaaglijk gevoel, hij waande zich in zijn huis van vroeger. Verder was het een nuttige rondleiding geweest en had hij alvast de sleutel van het werkvertrek van pastoor Mulkens gevraagd.
Nu, tussen de koele muren van de sacristie, waar de wierrook van de vorige avond nog welig geurde, had Jambor de keuze tussen twee deuren. De deur naar de bijsacristie met daarachter het kerkhof met meneer Franssen of de deur naar de kerk waar op dit moment koster Broers zijn werkzaamheden aan het uitvoeren was. Ondanks het feit dat Jambor zijn jas aan en zijn sjaal om had besloot hij toch eerst de kerk in te gaan. Vooral ook uit nieuwsgierigheid. De zware deur viel langzaam achter hem dicht en zijn voetstappen weergalmde kolossaal tussen de hoge muren en brede zuilen. Het weidse schip was tamelijk duister, op de gebedsnisjes na waar tafels met opgestoken kaarsen stonden. Voor het tafereel van Jezus zijn eerste val van de kruisweg hield Jambor zich stil. Hij kon nu een licht krassend geluid horen alsmede korte pasjes op steen. Toen hij links voorbij het Maria-altaar keek zag hij de koster de diverse schalen en kelken overhevelen en schoon poetsen. Toen de heren elkaar in het oog kregen bevroor de koster zijn bewegingen en staarde met een provocerende superioriteit naar zijn opponent. Er hing een sfeer waarin de mannen al voordat er een woord gewisseld was elkaar duidelijk maakten dat ze een bepaalde afstand zouden behouden. Jambor bleef met een rechte rug en over elkaar geslagen armen staan. Heel even overwoog hij hoe hij deze man zou ondervragen. Tegen elke vorm van fatsoen in koos hij ervoor de koster met een stevig volume aan te spreken vanaf de plek waar hij stond. Met zijn zware basstem bulderde hij als het ware de vragen naar de koster die brak en langzaam in Jambor zijn richting kwam omdat hij deze toonhoogte waarschijnlijk te respectloos vond.
´Meneer de Koster, ik neem aan dat uw vrouw uw alibi voor de afgelopen nacht betekend?´
´Ssst. Zou u alstublieft uw beschaafdheid willen aanspreken? Jazeker, meneer Jambor, ik heb vannacht nog een kopje soep met mijn vrouw genomen en wij zijn daarna samen naar bed gegaan!´ Sissend beet de koster zijn woorden toe en zijn ogen schoten vuur. Het liet Jambor Siberisch en met een groot genoegen stelde hij onaangedaan en hooghartig zijn volgende vraag op een manier alsof hij de koster zijn verzoek niet had verstaan: ´Hoe was uw verstandhouding met pastoor Mulkens? Ik heb begrepen dat Mulkens u nogal op de nek zat bij uw werkzaamheden?´ Het was hoogspel dat Jambor speelde met deze bluf maar het bleek geenszins zonder het gewenste effect. Broers verkleurde en bracht zijn hoofd vlak voor zijn ondervrager, op fluistertoon gaf hij antwoord: ´Mijn relatie met de heer Mulkens was zuiver, ik heb me nooit door hem geïntimideerd gevoeld´. Met getuite lippen en zijn blik op de neuzen van Broers zijn schoenen knikte Jambor bedachtzaam. Het viel hem op dat de koster zijn baas ´meneer´ noemde in plaats van pastoor. Broers stak vervolgens zijn hand in de zak van zijn colbertje waar duidelijk hoorbaar een stuk papier in elkaar werd gedrukt.
´Wellicht kunt u me met een ander probleem helpen meneer Broers, ik mis namelijk een geschreven document van pastoor Mulkens. Hij had vannacht blijkbaar de behoefte het een en ander op papier te zetten…´
´Hij is niet verder gekomen dan de datum!´
´Dat is inderdaad wat de dader ons wil doen laten geloven. Één blik op het verder lege blad van het schrijfblok laat echter een doordruk zien van een geschreven epistel met eveneens de datum van vandaag. Ik vraag me af waarom dat stuk papier verwijderd is. Ik heb getracht de geschreven zinnen te ontcijferen. Dat viel niet mee, wel kwam ik een aantal keren uw naam tegen…´ Broers zijn ogen begonnen vuur te schieten en vernauwden zich. Met open mond zocht hij stamelend van onderdrukte woede naar woorden. Jambor hief zijn hand en sloot zijn gesprek met de koster vol venijn af: ´Laat u maar meneer Broers, ik ben blij dat ik voldoende weet en ik zal daar werk van maken! Gaat u rustig verder met uw poetswerk van de kelken, ik zal u ook niet vragen het betreffende stuk papier uit uw zak te halen wat u nu zo opzichtig voor mij tracht te verstoppen. Dat mag u van mij verbranden. Ik ben er zeker van dat ik achter de waarheid kom. Fijne dag nog, ik weet u te vinden´. Met een schamper lachje liep Jambor met de handen in de zakken weg, koster Broers wegzinkend in een onaangename onzekerheid achterlatend.

Een paar ogenblikken later wandelde de detective in een opperbeste stemming door de vallende sneeuw het kerkhof op. Halverwege het middenpad, onder een treurwilg, stond de doodgraver secuur een sjekkie te draaien. Het was een fors kerkhof en Jambor vroeg zich af of hier enkel inwoners van Benschop begraven lagen. De grindpaden en marmeren zuilen versmolten in de witte vlokken en de rust riep een sfeer op waarin men de aankondiging van iets onbestemds zou kunnen voorvoelen. Toen Jambor meneer Franssen bijna genaderd was keek deze op terwijl zijn natte tong over zijn vloeitje gleed. Het moment waarop Jambor zijn pas inhield en het knarsen van het grind ophield viel samen met het ogenblik waarin Franssen een vlam in zijn tabak zoog. Hij inhaleerde diep, keek voorspellend naar het grijze hemellichaam en nam vervolgens Jambor vriendelijk in zich op: ´Ah, daar hebben we de door het Bisdom ingehuurde particuliere detective! Vraagt u maar beste kerel, ik heb niks te verbergen´.
´Lijkt me vervelend werken vandaag, een graf maken in deze sneeuw en kou… en dat op de dag dat u op zo´n gruwelijke wijze uw baas heeft moeten verliezen´.
´Neemt u van mij aan, mijn beste, dat ik in geen jaren met zo´n vrolijkheid mijn werk doe als vandaag!´
Met een vragende blik trok Jambor zijn wenkbrauwen op, de doodgraver nam een trekje en staarde aandachtig naar het gloeiende puntje van zijn peuk.
´Kijk meneer Jambor, ik zal het u maar verklappen, de volgende kuil die ik graaf is voor meneer Mulkens en ik zal hem bespugen!´
´Ik begrijp dat u het moeilijk had met de eerwaarde herder?´
´Ha! Herder… Een tiran was het! Mulkens was een vreselijk naar mens. Een kerel die er van genoot om misbruik te maken van zijn functie. Was mijn vrouw bevallen, de laatste keer had ze dat amper overleefd, stond die grijze naarling binnen de kortste keren weer op ons erf, met die smerige zalvende toon van hem… Vroeg die weer wanneer er een kindje kwam. En maar gezinnen onder druk zetten, je wegen nagaan of er iets was dat niet deugde… Bloednerveus werd je van die vent en dat wist die, hij genoot er van! Hij zou het in de oorlog als NSB´er niet verkeerd hebben gedaan… Nee, ik ben er absoluut niet rouwig om! Verder zou ik natuurlijk nooit, nou ja… Een moord, het is zonde van God maar…` Behalve de opluchting voelde Jambor ook de woede die Franssen nog met zich meedroeg aangaande de gevlogen pastoor. Na een nieuw trekje van zijn sjekkie brak er ineens een treurig glimlachje door in het gezicht van de doodgraver: ´Kijk, daar heb je dat meisje weer… Sinds ze twee maanden geleden hier in dienst gekomen is heb ik haar hier al drie keer gezien… Op die specifieke plek wel te verstaan. Vreemd dametje, zegt geen woord, steekt zelfs haar hand niet op om je te begroeten…´. Jambor volgde de blik van Franssen en zag Daphne een paar laantjes verder staan. Ze had een zwarte mantel omgeslagen waarmee ze licht gebogen in de druilerige sneeuw naar een zerk stond te staren. ´Het is een stille hoor, dat wijfie. De knekels die hier onder de zoden liggen maken meer lawaai´. Leszek stak een sigaar op, klopte de grafmaker op diens schouder en wandelde met wapperende jaspanden langs de marmeren grafbladen. Hoewel hij Daphne traag en welhaast geluidloos naderde leek ze hem op te merken. Een nauwelijks waarneembare verschuiving van haar kin leidde haar stille vertrek in. Ze keerde zich af van de steen en met schokkerige schouders voerde ze de snelheid van haar gang naar de bijsacristie op. Jambor hield zijn eigen ritme maar met een groeiende opwinding bleef hij, tevreden rokend, haar sporen in de sneeuw volgen en liet de grafgraver nieuwsgierig achter. In het voorbijgaan aan de zerk waar zij had gestaan wierp hij een blik op de inscripties: Albert Groot 12-02-1930 – 25-12-1948.
De holle afdrukken van Daphnes voeten vulde zich met verse sneeuw. Op het kerkhof werd het ijskoud.

IV

Kil echode de voetstappen van mevrouw Verstraten door het gangportaal, alsof ze onderaan de trap ijsberend op wacht stond. Jambor leunde achterover in zijn bureaustoel. Hij had gedaan wat hij doen moest; hij had alle betrokkenen gesproken, was op zoek gegaan in de studeerkamer van pastoor Mulkens en had vervolgens een paar belangrijke en vruchtbare telefoontjes gepleegd, waaronder één met S. Sietsema, zijn informant bij justitie. Nu zat hij, na een uitgebreide avondmaaltijd in de keuken van de pastorie, met een door Daphne in alle stilte gebracht kopje koffie en een verse sigaar over de door het bleke maanlicht beschenen tuin van de pastorie uit te kijken. Zijn gedachten kregen een logische volgorde en zijn vingers trommelden in een kalm ritme op het vel papier met de doorgeslagen tekst van Mulkens laatste brief. Jambor had zich binnen één dag zeer ongeliefd maakt bij de betrokkenen in deze zaak en dat was precies wat zijn bedoeling was. Tijdens het eten hadden mevrouw Verstraten, Daphne en koster Broers akelig wantrouwend zitten zwijgen en steelse blikken op de tevreden kauwende detective geworpen. Leszek had genoten van het sfeertje aan de keukentafel en geweten door zelf te zwijgen de anderen nog meer te tartten en ze zo uit te dagen hun belangrijke vraag te stellen. Terwijl hij opzichtig zijn vlees sneed en smakkend kauwde zag hij zijn tafelgenoten geïrriteerd en geïntimideerd opkijken. Op het moment dat Jambor met zijn vork zijn bord schoon begon te schrapen kuchte de koster en stelde de vraag: ´Schiet u een beetje op met uw onderzoek meneer Jambor?´
Aangestoken door die brandende nieuwsgierigheid hing Jambor met veel mysterieus pathos zijn lokhaas uit: ´Ik ben zeer tevreden. Vooral ook de medewerking die ik van dit huishouden krijg heeft mij al veel opgeleverd. De studeerkamer van Mulkens is een ware goudmijn, al heb ik er niet direct gevonden wat ik zocht maar zijn archieven zijn veel omvattend… Al die briefwisselingen met oud kosters, misdienaren… Thomas van Hekkeren, Herman Toonen, Albert Groot… Ook in zijn dagboeken spreekt hij veel over oud-collega’s, misdienaars en parochianen. Ik heb geboeid zijn belevenissen met deze mede broeders gelezen!´ Hij was mild glimlachend verder gegaan met zwijgen en had de zwellende spanning aan tafel haast lijfelijk gevoeld. De koster had de grootste moeite om zijn blik van de detective af te houden. De pendule op de schouw verbrak samen met het nerveuze gerammel van bestek de doodse, onheilspellende stilte.
Na het diner, waarbij verder niet meer gehengeld werd naar het onderzoek, verzocht Leszek zijn koffie boven op te drinken en maakte melding van het feit dat hij de rest van de avond op zijn logeerkamer door zou brengen. En daar zat hij nu nog steeds. Niet met de correspondentie en dagboeken van Mulkens waar Jambor onder het eten gewag van had gemaakt. Die bestonden namelijk niet. Hij zat alleen aan zijn bureau, zonder enig bewijs en toch met de glimlach van een winnaar. De avond werd later, de geluiden in het huis verstierven, voetstappen klonken op de vloer naar bad- en slaapkamer en Leszek Jambor stak een nieuwe sigaar op en wachtte met al zijn geduld op de definitieve stilte van de nacht. Niks doen, verstillen, kijken en nadenken. Daar was hij goed in en hij versteende in een euforische stemming zonder ook maar één bewijs in handen te hebben. En toch wist hij wie eerwaarde Mulkens de afgelopen nacht vermoord had. En niet minder zeker was Jambor over het feit dat de dader zich de komende nacht niet alleen aan hem zou onthullen, maar ook de daad zou bekennen. Voordat het wasachtige omhulsel van Mulkens opgebaard zou worden in de rouwkapel van dit huis van God zou zijn moordenaar vertrokken zijn. Het bisdom kon tevreden zijn.

Het was nacht geworden in de pastorie van Benschop. Jambor had het middernachtelijk uur afgewacht en was vervolgens overgestoken naar de studeerkamer van de pastoor. Hij had het licht uitgelaten en was op de sofa naast een schemerlamp gaan zitten, zijn hand in de buurt van de schakelaar. Zijn sigaren had hij achtergelaten in zijn gastverblijf; hij was hier niet. Hier was alleen de aan zijn fantasie ontsproten correspondentie tussen Mulkens en zijn pupil Albert Groot. Het maanlicht bescheen een kruisbeeld en het van helse pijnen verwrongen gelaat van Christus was het enige dat er in de verder duistere kamer te zien was. Jambor concentreerde zich daarop en luisterde naar zijn kalme ademhaling.
Heel lang gebeurde er niks en de stilte werd langzaam maar zeker oorverdovend. Heel zachtjes begon het buiten de deur te kraken. Er schuifelden passen over het tapijt naar de deur. Traag, om elk gerucht uit te sluiten, duwde de late gast de deurklink omlaag. Een smalle strook licht viel schuin tegen de muren en maakte een portret van Petrus zichtbaar. Behendig snel en geruisloos dook de gestalte snel het vertrek binnen en sloot het de deur. Een zaklamp ging aan en een lichtbundel zwaaide over het kale bureau. Snel streken Jambor zijn vingers over het snoer van de schemerlamp, gelijktijdig met het aangaan van het licht begroette hij zijn gast: ´Goedenacht Daphne´.
Wit van schrik verloor ze haar evenwicht en viel met haar rug tegen de muur zonder daarbij helemaal op de grond terecht te komen. Haar zaklamp rolde over de vloerbedekking tot aan Jambor zijn schoenen. Hij bukte, raapte de lamp op, deed deze uit en zette hem op de sofatafel. Voor het eerst tijdens zijn aankomst bij deze kerk deed hij zijn best iemand op haar gemak te stellen. Hij glimlachte vriendelijk en wees met een vlakke hand naar de plek naast hem.
´Wil je wat drinken Daphne? Dat praat wat makkelijker…´ En hij trok een fles open die hij naast de tafel had neergezet en schonk de twee glazen vol. Jambor zag het bloed in Daphne´s hals kloppen. Langzaam verdreef de vriendelijke atmosfeer de schrik uit haar lijf. Ze sloeg haar kamerjas steviger om zich heen en kwam naast hem zitten. Leszek gaf haar een glas waar ze meteen een flinke teug van nam. Hij zag dat er kippenvel op haar armen kwam te staan en haar ogen zochten steun in die van hem. Die schonk hij door haar schouder te bekloppen nadat ze zich verslikt had. Toen haar ademhaling gedaald was en ze haar glas op haar schoot hield begon Jambor zijn verhaal: `Jij was op zoek naar de correspondentie van Mulkens met Albert Groot… Die correspondentie is er niet. Het spijt me. Die brieven heb ik verzonnen om jou te laten komen. Ik heb een verhaal bedacht Daphne en ik wil jou vragen of je daar naar zou willen luisteren. Als ik me vergis, zeg het. Heb ik het goed, dan maken we een bekentenis die we morgen aan de politie doen en betaal ik je advocaat. Lijkt dit je wat?´
Ze trok haar schouders op en knikte.
´Goed. Aan het eind van de middag heb ik getelefoneerd met de moeder van Albert Groot, je grote liefde. Je zou je met hem gaan verloven. Hij is echter ziek geworden, zeer ziek en vervolgens overleden. Gisteren precies twee jaar geleden. Tijdens jullie liefde heeft Albert jou iets uit zijn verleden verteld. Iets over de tijd waarin hij misdienaar was onder pastoor Mulkens. Althans, dit laatste is mijn vermoeden. Heb ik dat juist?´ Daphne begon te rillen, haar ogen werden vochtig, ze gaf twee korte knikjes en nam nog een voorzichtig slokje.
´Goed. Wat heeft zich tussen Albert en zijn eerwaarde afgespeeld? Wat is de grondslag voor jouw ongelooflijk vernietigende wraak? Heeft Mulkens Albert bestolen of gechanteerd? Onwaarschijnlijk, Albert was verre van vermogend. Had Mulkens Albert zijn ouders onder druk gezet? Daar was hij volgens de grafmaker een ware ster in. Ik vrees, en ik voel er de grootste weerstand voor om dit vermoeden te moeten uitspreken, maar ik ben bang dat Albert op seksueel gebied door pastoor Mulkens stelselmatig misbruikt is´.
Jambor legde een arm om Daphne haar schouder, ze huilde hikkend. Haar ademnood en schokken maakten de detective teder, voorzichtig. Hij streelde haar schouderblad tot ze wat kalmer werd. Toen nam ze zelf het woord, eerst zacht, beschaamd fluisterend. Maar gaandeweg haar verhaal ging ze feller klinken en blies ze de woede van weleer opnieuw leven in.
´Stelselmatig was wekelijks, jarenlang, in de sacristie… Achter slot en grendel onderwierp Mulkens hem aan de meest vernederende daden, uit lust… Toen Albert op een gegeven moment weerstand bood begon de chantage. Als hij ooit iets naar buiten toe zou brengen zou Mulkens hem aangeven wegens diefstal van kelken, alsof hij dat met al zijn schaamte aan zou durven…´
´Die aangifte heeft Mulkens inderdaad destijds bij justitie gedaan. Een aantal dagen later trok hij die echter weer in. Ik heb vanmiddag iemand gesproken die me dat vertellen kon maar…´
´Albert is weggegaan en alleen als kerkganger zo nu en dan teruggekomen. Daarna is hij ziek geworden. Iedere nacht werd hij wakker van de meest verschrikkelijke nachtmerries. Krijsend en druipend van het angstzweet ontwaakte hij uit nieuwe vernederingen of strafmaatregelen…´
Ze veegde wat tranen weg en dronk haar glas leeg. Haar wangen werden rood en haar ogen vernauwden zich tot giftige spleetjes. Jambor haalde zijn hand van haar schouder.
´Maar het ergste moet zijn sterven zijn geweest. Hij moest bediend worden en zijn vader belde Mulkens voor dit ritueel. Albert verging van de pijn en had al weken ervaringen van verstikking. Zijn ogen waren groot en bloeddoorlopen toen Mulkens aan zijn ziekbed verscheen voor de zalving! Ik zal dat nooit vergeten… Albert kon niks zeggen, stikte bijna van het braaksel dat uit hem kwam en over zijn beddengoed vloeide. Het was een hartverscheurende vertoning vol woede en angst. Mulkens genoot ervan! Dat zag ik… Hij bracht zijn ogen, die vol venijn zaten, vlakbij die van Albert en gaf hem fluisterend de zegen. Mulkens heeft Albert woorden toegefluisterd buiten het ritueel om, hij heeft hem in zijn doodsuur nogmaals vernederd! Die nacht is hij gestikt toen hij ontwaakte uit zijn zoveelste angstdroom…´
Lang bleef het stil. Daphne leunde snikkend tegen Jambor aan en pakte zijn hand. De detective nam die stevig in zijn handen en fluisterde dat het allemaal goed zou komen. Dat het na een paar jaar over zou zijn. Er zou rust gaan komen en het leek of Daphne haar verdriet eindelijk kon laten lopen en ze zich aan het einde van de nacht verzoende met haar komende eenzaamheid.
Jambor had nooit een dochter gehad maar voor het eerst in zijn leven bezat hij de kwaliteiten van een vader die een dochter kalm en veilig instopt voor de nacht. Hij trok haar dekens strak over haar schouders, streelde haar haren en fluisterde nogmaals dat alles goed kwam. Hij sloop weg en deed het licht uit.

V

Op tweede kerstdag zat Leszek Jambor achter zijn vertrouwde bureau op de Koningslaan. Bevlogen draaide hij drie vellen papier met carbon in zijn typemachine en tikte zijn verslag. Één voor justitie, één voor het Bisdom Utrecht en één voor zijn eigen dossier.
Die morgen had hij Daphne bij inspecteur Bogaards gebracht en een bekende Utrechtse advocaat voor haar gebeld. De inspecteur had zijn gekrenkte trots slecht voor Jambor weten te verbergen. Dit laatste las ik in een brief aan het politiekorps van Bogaards die ik als bijvoegsel aantrof in dit dossier. Ook acht ik het van belang de hoogte van de factuur te vermelden die mijn oom het Bisdom Utrecht in rekening bracht: FL 10.000,-. Wellicht was deze factuur zo hoog om hun aandeel in de leugen en de moord te verrekenen.
Aan het einde van die tweede kerstdag is mijn oom toch nog kerst gaan vieren bij zijn familie. Dat kon, hij had het verdiend. Hij had het mysterie in de St.Victor binnen vierentwintig uur opgelost en afgehandeld.

© Rik van Schaik 2004
leszekjambor@rikvanschaik.nl
www.rikvanschaik.nl


Ghislaine @ 05-02-2004 14:23:56
Ik denk dat het woord hoofdhuishouding niet erg klopt. Zou dat niet beter hoofdhuishoudster worden. Het is een tipje jij doet er mee wat jij wenst.
De groentjes,
Ghislaine


Ghislaine @ 05-02-2004 14:23:44
Ik denk dat het woord hoofdhuishouding niet erg klopt. Zou dat niet beter hoofdhuishoudster worden. Het is een tipje jij doet er mee wat jij wenst.
De groentjes,
Ghislaine



Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens