donderdag 19 juli 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Brand In De Kachel - Afl. 4 (slot)
Gepubliceerd op: 01-04-2011 Aantal woorden: 2379
Laatste wijziging: 15-02-2018 Aantal views: 1425
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Brand In De Kachel - Afl. 4 (slot)

Henk Gruys


D R I E




De situatie in de spreekkamer van de gestichtspsychiater is ongebruikelijk kun je zeggen. Er staat een decimeter water op de vloer. En hoewel de oorzaak ervan nog niet is vastgesteld, heeft men alvast tien emmers en bezems in de hoeken van de kamer klaargezet. "Het is een oud gebouw," zegt de psychiater achter zijn bureau ter verklaring. "Een rijksmonument... Maar laat men zich niet vergissen! Van buiten ziet het er prachtig uit, perfect wit geverfd en zo, maar van binnen is het totaal verrot!"
    "Hoor ik nou een metafoor voor de hele psychiatrie? Haha! Lijkt er perfect op! Ikzelf zou het niet beter hebben kunnen zeggen!" De man geeft een zwiep aan zijn kogellager.
    "Wij willen niemand beledigen," zegt de vrouw, die op een kast is gaan zitten om tenminste droge voeten te houden, "heus niet hoor dokter! Maar we weten nog steeds niet hoe men denkt dat zijn toekomst eruit zal zien. Wellicht is die geheel zwart of nog erger. En wat komt er nog meer? Daar dient rekening mee gehouden te worden! Een cruciale voorwaarde, in onze beleving. Niemand kan leven zonder toekomst!"
    "En speciaal als er sprake is van drankzucht van de vader," merkt de psychiater droogjes op. – Zijn aanschijn is voor de onderste helft bedekt door een warrige bos bruin haar. "Drank kan ernstige gevolgen hebben voor het nageslacht, of hebben jullie daar nooit bij stilgestaan? – En houd dat ding es stil!! Die tol...of wat het ook is... "
    "Maar over de gevolgen zegt men juist geen woord!" werpt de vrouw tegen. "Op de lange duur? Weten we niet. Zijn die gevolgen er vanaf het begin al? Of pas later? Vertellen ze je niet. Ze kunnen alleen iets concluderen in het algemeen. Beweren ze. Over specifieke gevallen zeggen ze niks noppes nada.
    Maar juist door dit alles lijden wij aan een ernstig schuldgevoel. Terwijl niemand ons kan vertellen wat we hadden kunnen doen! We willen het heus wel hogerop zoeken. En daarvoor de prijs betalen. Desnoods enige dure schilderijen in de verkoop gooien. Maar het wordt ons niet makkelijk gemaakt, grote goedheid nee! De instanties werken niet mee. Ze verdommen het gewoon... Die weten natuurlijk alles weer beter, zoals gebruikelijk. Overigens, kunnen we dit gesprek niet ergens anders gaan voeren? Met al dat water... Ik krijg er kramp van aan mijn blaas."
    De gestichtspsycholoog heft zijn armen op in onmacht hieraan iets te kunnen veranderen. Hij leunt achterover in zijn stoel, kriewelt in zijn baard en vouwt zijn handen: "Het kind, m'n beste mevrouw, speelt in deze eeuw allang geen rol van betekenis meer, zoals vroeger. – Integendeel, het kind is in deze moderne tijd nauwelijks meer van enige invloed, zoals de ouders blijkbaar nog steeds denken; sodemieter toch op!"
    "Maar hebben wijzelf dan niets meer te zeggen over zijn opvoeding? – Dokter Mussolini! (zoals we u noemen – gij zult niet verrast zijn). Wij kennen het kind en zijn vaardigheden, talenten en tekortkomingen als geen ander. We kunnen ze desnoods slapend opdreunen – ze in een verduisterde kamer blindelings op een lijst onder elkaar schrijven!
    Wij hebben ons genoegzaam bereid getoond onze eigen gebreken, of hoe u het noemen wilt, te erkennen. Wij willen ze ook wel verbeteren, waar ze bestaan, of vergeten waren als kledingstukken in een verloren kast... Maar het kind..."
    – "Toen ik zo oud was als mijn zoontje nu," begint de man, alsof hij geen woord heeft gevolgd van het gesprek – "zat ik met mijn vader op ons balkon in de zon hele middagen papieren vliegtuigjes te vouwen om ze naar beneden te laten zeilen. Hoe dat moest weet ik nog precies, uit een dun blad papier, – om ze zo ver mogelijk te laten neerdalen... En hoe de staart erin moest worden gestoken. Een delicaat werkje, dat verzeker ik u. Het was een heel gelukkige tijd toen. Ik zou nu hetzelfde voor mijn eigen zoontje willen doen, maar daar zou absoluut niets van terechtkomen. Hij heeft geen greintje geduld, ik hoef dat niet eens te probéren."
    "Dan zou u misschien bootjes kunnen vouwen van mijn psychiatrische rapporten en hier laten varen in de spreekkamer, zou hij dat niet leuk vinden?"
    "Flauw, flauw," zegt de vrouw, "ja u lacht maar. Maar wij vrezen door een hogere macht te zijn gestraft met de geboorte van onze niet geheel gezonde zoon, en dat is in het geheel niet grappig. Gestraft worden is één, maar bovendien te worden achtervolgd door de voorzienigheid dŕt is pas erg. We durven niet eens meer uit het raam naar buiten te kijken, uit angst dat er daar weer iets vreselijks plaatsvindt."
    "Hoewel we dus eigenlijk niet in hogere machten geloven," zegt de man: "althans niet samen, althans niet in degenen die zich er op allerlei manieren met een Jantje van Leiden vanaf proberen te maken, of koudwatervrees vertonen ten aanzien van de geringste corrigerende maatregelen dienaangaande ik heb gezegd, amen."
    Kinderpsycholoog Mussolini zucht diep: "Had u dan wel moeten besluiten een kind te nemen? En dan nog wel een kind als dit... Heeft u dat toen wel overwogen? Nee natuurlijk weer niet! Konden weer niet wachten.
    Maar ach... laten we het toch allemaal niet zo serieus nemen! De mensen nemen tegenwoordig alles zo serieus! Het lijkt wel of hun leven ervan afhangt! Rieleksen, beste mensen, dat is hčt toverwoord vandaag de dag, vergeet dat niet!... Rieleks! Niet zo zwaar tillen. Dat geef ik mijn cliënten ook iedere keer mee. Die van de divan zogezegd, haha. – Laten we rieleksen! Even een mop... Moet je horen: Moos loopt in de Kalverstraat. – Komt-ie meneer Cohen tegen, de burgemeester... Zegt Moos..."
    "Wat kan ons dat nou schelen wat ie zei! We maken ons bittere zorgen over ons kind, en u zit te ginnegappen. Uzelf bent nog veel gekker dan de patiënten die hier ronddazen, dat is ňnze mening!
    Maar wij zullen u dit zeggen. Wij hebben besloten, als laatste mogelijkheid ons kind hier weg te halen. U kunt verder wat ons betreft in de stront zakken. We gaan onze zoon laten behandelen in een speciaal particulier instituut in Frankrijk, in prachtige bosachtige omgeving aan zee, met indrukwekkende gebouwencomplexen, groen, hellende gazons en een hele stoet verpleegsters achter wagentjes, – heel duur, maar we hebben het er voor over. Hij moet in elk geval zo ver mogelijk weg, zo ver mogelijk hier vandaan."
    Kinderpsychiater Mussolini, al heet hij zo niet, – luistert al niet meer. Hij strekt zijn rug, staat op en zegt: "Kinderen zijn altijd kleine wonderen van intelligentie in afwachting van het ogenblik dat ze de idioten zullen worden die de wereld bevolken." – Hij kijkt hierna niet zonder goedkeuring naar al het water rond zijn bureau. Dan richt hij zich weer tot zijn bezoek:
    ... Laten wij bidden...
"    Bidden? Ben je nou helemaal van God los? Niks daarvan!
    Onze vader die..."
    De man is intussen opgestaan en mompelt:
    "Ik zoek....." Hij speurt overal rond; achter de emmers en de bezems, bij de kast, en ook achter het bureau.
    "Ik zoek dat ding, dat lager!..
    Heb ik ergens neergelegd... Maar waar..... Nee, ik ga niet weg zonder mijn lager..."

In de kamer aan de gracht bevinden zich de man en de vrouw, ze hebben allebei een dubbele boterham met pindakaas in de hand en praten met volle mond. Wat ze zeggen is maar half verstaanbaar. Buiten golft de regen tegen de ramen.
    "Morgen wordt het allemaal tot in de uiterste puntjes geregeld," zegt de man die als eerste zijn mond leeg heeft. "Ons doel is bezoek aan onze gehandicapte zoon in zijn nieuwe kolonie in Frankrijk. We moeten ons terdege gaan voorbereiden, want het is een hele reis. – En een gedoe! Jezeskristes. Reiskleding daar begint het al mee...
    "Ja," zegt de vrouw, "opdat de hulpverleners kunnen zien hoe het moet, niet vergeten een film maken over alles wat ons de laatste tijd is overkomen, zoals dit scenario. Een film die duidelijk maakt hoezeer we betrokken zijn bij alle omstandigheden en we dan toch door blijven gaan. En te leven..."
    "Als God in Frankrijk..."
    "Nee als Godard in Frankrijk! – Jean-Luc Godard, Franse cineast (1930). Hij zei: "Fotografie is waarheid. En film is vierentwintig maal waarheid per seconde."
    De vrouw heeft opeens een prachtige breedgerande hoed op met een overdaad aan bloemen. Waarop de man, als hij dit ziet, spontaan de kap van de staande schermlamp tilt en op zijn kop zet. "Hopelijk blijven we van verdere zogenaamde hulpinstanties gevrijwaard," mompelt hij tegen de binnenkant van het geoliede karton om zijn hoofd. Zijn stem klinkt dof.
    Hij begint te declameren op de teksttoon van een operazanger tussen twee aria's door. "Want wij kůnnen en mogen geen medelijden hebben met minderwaardige groepen." – En terzijde: "dat is geheel overeenkomstig de snelcursus Mussolini die we deze week met goed gevolg hebben afgerond."
    "Ieder mislukt mens, "zegt de vrouw vanonder de hoed plechtig, "ieder mislukt mens dient te worden geëlimineerd! Iedere horrelvoet, ieder waterhoofd is schadelijk voor het ras als geheel! Elke schizofreen, elke zenuwlijder is een schande voor de natie en verziekt een hele bevolking in no time!" Zij praat op een zeer luide echotoon of ze op een groot podium een uitzinnige menigte toespreekt. – "Eliminatie als noodzaak om de soort als geheel niet te verzwakken! Want het gaat altijd om de soort, niet om het individu! Het individu is niets, de soort is alles! Inferieure rassen moeten derhalve worden uitgeroeid!
    Rassenscheiding! Dŕt is onze dure opdracht!"
    "Regisseur? Camera's lopen?" Ze marcheren dicht achter elkaar door de hall, militair en strak gelijnd. De vrouw krabt telkens aan haar billen, ze heeft een bloesje aan van een geruite theedoek gemaakt en een Duitse helm uit de tweede wereldoorlog op het hoofd. We zien achter hen een oud fragment van de Führer in een toespraak. Het lijkt of Hitler zijn adem zo vergiftig is dat zijn bovenlip er zwart van is uitgeslagen.
    Een toespraak op een plein in en sneeuwbui. Veel gezichten te zien, maar geen geluid te horen. De man staakt zijn parade, draait zich om naar de vrouw en zegt: "Die film, die moeten we...die zullen we..."
    En terwijl hij haar iets vóór houdt, roept hij plotseling: "DIT IS GOD!"
    En toont haar een handvol roet.

Een groot aantal schilderijen in de kamer van het grachtenhuis is van de muur gehaald en tegen de wand gezet. In grootte divers, en in onderwerpen dito; van statige portretten van regenten in oker, rood en bruin, schuttersstukken en landschappen, een ijsvlakte met schaatsers, tot zeegezichten toe, – met driemasters en huizenhoge lichtblauwe golven.
    Er moet een keuze worden gemaakt, want de werken zullen worden geveild om van de opbrengst het peperdure verblijf van het kind in het buitenland te betalen. Een beslissing die de man in zijn leven nog nooit heeft hoeven nemen. Hij zit geknield, de vrouw rookt haar sigarettenpijp bij het raam en zwijgt. Doodsbleek is de man. De vrouw voelt medelijden, omdat hij nu afscheid moet nemen van zijn dierbaarste bezit, maar zij laat hem dit zelf oplossen.
    De man stamelt: "Het kind van de rekening. – Of is het nu: de rekening van het kind?"
    – Nee, het is de wraak van het kind, denkt de vrouw, maar wil dat niet uitspreken.
    De man kijkt vragend. "Eigenlijk," zegt hij, "zou ik hier een requiem voor moeten spelen op mijn schuiftrompet. Tateretaa!"
    "Als je het maar laat! Komt niks van in! Dan loop ik weg en kom nooit meer terug!"
    De man heeft zijn keuze bepaald. Het is klaar; hij bekijkt zijn linkerhand langdurig, de binnenkant, de bovenkant...
    De vrouw knikt hem toe, als bemoediging. Maar het moment is gekomen, de selectie is gemaakt, en ze kijkt dan weer voor zich uit.
    Het lijkt wel een vonnis.
    Hierna valt de man snikkend voorover op de vloer en stompt machteloos met zijn vuisten.


Tot slot


Uit het raam is te zien dat twee mannen op het trottoir bij de gracht staan te discussiëren. We kunnen niet horen wat ze zeggen; daarvoor is het te ver weg. Maar de ene staat iets uit te leggen aan de andere. Hij ondersteunt zijn woorden af en toe met brede gebaren, naar boven en naar voren, waarbij hij, als hij weer iets heeft beweerd, de ander verwachtend aankijkt.
    Soms loopt hij midden in zijn betoog een paar passen weg, en komt terug om zijn redenering aan te vullen of toe te lichten.
    Het is zeer waarschijnlijk dat die man het heeft over wat hierboven staat beschreven, over de ervaringen van het echtpaar in het grachtenhuis, het kind en de psychiater.
    Zaken recapituleren, herhalen nog eens herhalen, en becommentariëren. Zo doet men immers wel vaker:
    Misschien om hun gelijk te bewijzen tegenover de ander, die vooralsnog zwijgend staat toe te horen.
    Ook mogelijk dat de eerste man zich wat verongelijkt voelt, en zichzelf wil rechtvaardigen door het verhaal op zíjn manier uit te leggen.
    – Opmerkelijk hierbij is, dat het ondanks alles van geen belang schijnt te zijn. Dat het alles onherroepelijk is. Dat het is gebeurd zoŕls het is gebeurd.
    – En dat het, wat men ook doet of zegt, er absoluut niet meer op is te komen.



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens