vrijdag 20 april 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Brand In De Kachel - Afl.2 van 4
Gepubliceerd op: 26-03-2011 Aantal woorden: 2261
Laatste wijziging: 07-02-2018 Aantal views: 1375
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Brand In De Kachel - Afl.2 van 4

Henk Gruys


Zodra het vliegtuig verdwenen is, tilt de vrouw zelf ook de rok op en kijkt omlaag of er wellicht iets vervelends door de man is aangericht, maar ze bevindt alles in orde en brengt haar kleding weer op normale hoogte.
    Indien dit alles slechts als onverwacht incident had plaatsgevonden, zou het niet de moeite van vermelden waard zijn. Maar de vrouw is er nog niet mee klaar. Ze weet voorlopig niet wat te doen. De blijvende gedachte is in ieder geval dat ze hier beslist nooit meer aan herinnerd wil worden.
    Nagenoeg bewegingloos staat zij aan het raam...
    Dan nemen we langzaam afstand van haar, rijden met de camera traag achteruit. De vrouw en de kamer worden geleidelijk steeds kleiner. Tot alles in een klein doosje had gepast... Tot het niet meer is dan een zwak lichtpuntje in de duisternis...
    ..........En weg!!

De man komt de kamer binnen met een vlinderdas op van minstens een halve meter breedte. "Oversized", zegt hij luchtig. Hij komt er amper mee door de deur. "Net zoals in de tweede wereldoorlog", vult hij ter verduidelijking aan.
    Alles buiten is weer rustig. Geen vliegtuig meer te bespeuren. De man loopt diagonaal door het vertrek naar een staande kast, verreweg het grootste exemplaar van het hele huis, opent hem met een theatraal gebaar en pakt er de tere serviesdelen uit, die hij nauwkeurig op de inmiddels met kostbaar damast gedekte tafel schikt.
    Herhaaldelijk gaat hij terug naar de kast om borden en schalen te pakken. Het lijkt of hij bezig is met een schaakspel op het tafellinnen, door met borden, terrines en kommen te schuiven, en net als bij het schaken, zelfs te slaan. Dit laatste meestal na enig nadenken.
    De vrouw bij het raam kijkt zwijgend. Haar lichaamshouding verandert weinig, – maar de uitdrukking op haar gezicht des te meer. Die drukt uit of ze eveneens voor het schaakbord staat, ervoor heen en weer wandelt, waarbij ze zwaar over een volgende zet moet nadenken. Het wekt de suggestie dat zij de haar gedane zet uit jarenlang spelinzicht wel ondersteunt, maar zij uit andere overwegingen, jeugdfrustraties, algemeen historisch besef en vroegere kwalijke herinneringen in de relationele sfeer (zoals men dat noemt), haar eigen tegenstand tenslotte als strijdmatig toch te zwak beoordeelt.
    – Maar wat zij echt beleeft is een visioen van zichzelf als klein meisje in een tuin overvol bloeiende struiken, waarbij immense koormuziek klinkt op de achtergrond. Zij loopt in de zon. Ronddwalend kijkt ze naar de geweldige bomen, de kruinen waarin kleine openingen van blauw en met wolken erachter. Zij weet als klein meisje heel goed dat je hier kunt verdwalen, dat er talloze paden zijn die zich alsmaar verliezen in bochten, en bovendien met ondoordringbaar doorngewas omgeven.
    De vrouw heeft intussen voor zichzelf moeten erkennen dat de man, historisch gezien, een sterkere positie inneemt dan haar eigen zwakke, sekse; waarbij een verborgen, maar buitengewoon laatdunkend vrouwelijk gevoel opkomt, dat ze pas kan onderdrukken als ze toegeeft dat ze al jarenlang klem zit in die val, en dat ontsnappen, hoewel niet onmogelijk, dan toch moeilijk zal zijn...
    Een dergelijk probleem doet haar denken aan de hand die in het donker over de kleren van iemand anders voortkruipt, waarbij de eigenares van de hand zich opeens bewust wordt van vingers, nagels, aderen enz. Maar dat zij na een aanvankelijke aarzeling en twijfel, toch weer nieuwe pogingen doet om het geheim dat zij op het spoor is, te ontraadselen.

In een zinken teiltje op de vloer vallen de druppels die uit het plafond zeilen met regelmatig getik. Aan de onberispelijk gedekte tafel zitten, recht tegenover elkaar, de man en de vrouw. De drie lampen boven tafel branden, hoewel het buiten nog niet schemerig is.
    De man betoogt, – het lijkt of hij een redenering aan het evalueren was en op een complicatie is gestuit: "Laten we de geschiedenis er op naslaan; het einde der vorige eeuw.
    Immers, na de oorlog leek er wel terdege een nieuw elan te zijn opgestaan. De herbouw van het verloren paradijs! We hadden afgerekend met een monsterlijke vijand, ja toch? – Maar tegenwoordig valt daar niets meer mee te beginnen; nergens klinkt meer de roep om nieuw initiatief, van niemand; laat staan het begin van gezonde actie!
    Doodgebloed zijn we. Uitgepoept! Leeg gefantaseerd iedereen."
    De vrouw zegt:
    "De teerlingen zijn allang geworpen wanneer een eeuw begint te redetwisten over haar eigen decadentie en verval... "
    De man snuift van minachting.
– "En als ik op de kermis een scheet laat, geeft dat helaas geen knal."
    – Einde van dit roerige filmhoofdstuk. De vrouw sluit de ogen in moede berusting.
    Een roerloze, prachtige, slapende madonna.

Een groot, zeer dik boek heeft de man heeft voor zich, tussen de borden en dampende schalen, het lijkt de bijbel, maar dat zal niet, gezien zijn houding. Het staat rechtop, opengeslagen, misschien om erin te lezen, hoewel de man zo te zien maar matig is geïnteresseerd in de inhoud.
    Hij werpt er af en toe een blik er overheen naar de vrouw. Maakt soms een gebaar alsof hem iets belangrijks te binnen schiet, wat hij vergeten was te zeggen. Maar het niet kan uitspreken. Zo blijven ze zwijgend tegenover elkaar zitten.

De vrouw die steeds haar neus ophaalt raakt het eten op haar bord niet aan. Doet uiteindelijk haar beide handen voor haar ogen, die rood zijn van het huilen als zij ze weer weghaalt.
    – "Ik citeer," zegt de man die rechtop gaat zitten. "De tranen van een man zijn oneindig veel meer waard dan die van een vrouw. Bij de vrouw is het vooral komedie. Zij vormen de regen van deze aarde."
    De vrouw doet een poging de man aan te kijken.
    "Je kunt voor mijn part stikken," zegt zij met onvaste stem. De man slaat met iets van triomf de ogen op van het boek, of hij iets van belang heeft ontdekt. Maar tegenover de vrouw weet hij slechts af te dalen in vulgariteit: "Lik me reet," zegt hij.
    Maar eigenlijk wil hij zich niet meer met haar bezighouden. Hij is nog steeds niet helemaal bij zinnen en wil ook niet zoeken naar een uitweg uit zijn impasse. Hij heeft zich teruggetrokken in zichzelf en kijkt af en toe opzij naar zijn schilderijen, alsof hij niet kan leven met de gedachte dat een van zijn favoriete werken scheef of ondersteboven aan de muur zou hangen.
    Zo blijven ze zwijgend en onbeweeglijk zitten. De man leest nu in het boek, waarbij hij met de vinger de regels aanwijst. – Is het dan toch de Schrift?
    De vrouw huilt niet meer, peutert met een nagelschaartje aan haar zakdoekje. Na een paar bladzijden te hebben omgeslagen, blijkt de man een domineesjabot om de hals te hebben. Hij begint meteen te citeren uit de bijbel, met lange rustpozen; hij zegt:
    "Zolang de koning aan tafel is, geeft mijn nardus zijn geur. – Mijn geliefde is mij een bundeltje myrrhe, rustend tussen mijn borsten. – Mijn geliefde is mij een tros hennebloemen in Engedi's wijngaarden."
    De vrouw bet met haar zakdoekje de ogen. Zij spreekt over deze tekst de man niet aan, en of zij zich ergert aan zijn schijnheilige gezicht, weet geen mens.
    In de momenten waarin de man zwijgt na het oplezen van weer een bijbeltekst, hoort men het gedruppel in de teiltjes, als het tikken van vele onrustige klokken door elkaar.
    Opeens pakt de vrouw de soepkom en smijt die met kracht naar zijn hoofd . – Maar ze mist. De terine slaat in gruzelementen tegen de muur, en de soep druipt langs de wand op het tapijt.
    De aanvankelijk geschrokken man, omkijkend naar de ravage, begint te grijnzen. Eerst nog niet geheel van harte, maar dan al breder. Tot slot gaat hij bewonderend voor de vrouw applaudisseren.
    Deze moet door haar tranen heen lachen. Niettemin staat de man op, met het gebaar dat hiermee het diner is beëindigd. Hij wil het niet meer voortzetten, is ineens gehaast.
    Hij draaft in looppas rond de tafel, de ellebogen in hoeken tegen zijn zijden, en maakt sprongetjes op de plaats, als een atleet voor een beslissend record.
    Hierna schenkt hij de vrouw uit een kleine karaf een drank in, in een glas waaruit hij eerst nog even een losse haar heeft verwijderd.

De vrouw heeft haar wangen gedroogd. Zij klinken op een beter vervolg van hun samenzijn dan tot nu toe.
    De man vervolgt plechtig: "Laten we hiermee tevens onze ernst en bezorgdheid benadrukken. En vooral niet vergeten te denken aan het kind. Het kind heeft te allen tijde recht op zorgvuldigheid, ouderlijke liefde en een behoorlijk leven."
    "Het kind," antwoordt de vrouw beslist, "mag zeer zeker niet het kind van de rekening worden!"
    De man citeert: "Kinderen hebben is een gekend geluk. Geen kinderen hebben is een ongekend geluk."
    "Er zijn," vult de vrouw nog aan, "meer slechte ouders dan slechte kinderen."
    Inderdaad, inderdaad, alhoewel...
    Maar de man knikt instemmend en declameert:
    "Kinderen... Zijn hinderen.
    Zei vader Cats."

De regen is opgehouden. Voor het hoge raam schuift een witte maan traag in, als met een zoomlens. Haar gezicht is te zien, menselijker getekend dan gewoonlijk. Op wie lijkt het?..
    Het is buiten stil geworden. De vrouw heeft inmiddels de kamer verlaten.
    De man zit in een hoek op de vloer, in het maanlicht, doodstil met een plastic emmer over het hoofd, als een Mexicaan onder een boom.


T W E E



Men weet aanvankelijk niet wat men ziet, zo dichtbij is alles. Het lijkt een brede onbeweegbare vorm van een kleurloze wazigheid... die door plotselinge felle overstraling recht in het blikveld van de kijker schuift. We zien, als we wat achteruit gaan, een fotografisch beeld (overbelicht) van een kleine jongen, die een kasteel maakt van zand. Ah, we bevinden ons op het strand, en hij schept hoopjes zand op, waarin hij schelpjes drukt...
    Maar daarna plet hij alles wild met zijn zware ijzeren schep.
    Het zeegeruis op de achtergrond trekt standvastige golfsporen van geluid op de lichtblauwe grammofoonplaat van de hemel. Verwaaide muziek is hoorbaar op de radio's die overal tussen de badgasten verspreid staan, en die langzaam vol zand worden geblazen. De grootste hit van de dag heet: Op het Strand in de Felle Zon.
    Een mondaine vrouw zit met de benen opgetrokken verderop, hoog op het strand vlak voor een rand helmgras. En wij herkennen haar van het grachtenhuis, ondanks haar hemelsblauwe gemetaliseerde zonnebril, waarin het halve strand wordt weerspiegeld, met veel strandbaders, en zelfs haar zoontje. Het is snikheet, maar geen pareltje zweet is onder haar fraaie make-up te bekennen.
    Het is eb. Hoog op het strand, achter de vrouw, verbeeldt de golvende duinenrij de stijgende daggrafiek van de hitte. "Wat is een mens op het strand? Een doelwit voor de artillerie van de zon en een tankstation voor de muggen." (Vittorio de Sica).
    De vrouw wil niet baden, of zelfs niet haar eminent verzorgde tenen door het bruisende zeewater laten afkoelen. – Waarom ze zo apart zit is de vraag die sommigen in het voorbijgaan bezighoudt... Maar och, een minimale plicht is het die haar bindt, een beslommering van alledag, een lichte ouderlijke opoffering... Terwijl de man, de vader van het kind,, zich er ook om zou moeten bekommeren.
    Maar de vader is er nooit.

Het kind slaakt af en toe schelle kreten. Zijn leeftijdsgenootjes willen niet met hem spelen; ze blijven in een bewuste kring ver rondom hem bezig met hun emmertjes. Eigenlijk zijn ze bang voor hem, voor zijn zinloze geschreeuw en woest gezwaai. Maar geleidelijk raken ze hem vergeten.
    Het kind is gek of geniaal, dat is de vraag. Misschien is het wel een toekomstig leider. Wij schatten de leeftijd zes, acht jaar, maar nog steeds draagt het luiers.
    Daar loopt het naar de moeder toe en heft er vervaarlijk zijn zware ijzeren schep op, hoog naar haar fraai gekapte hoofd. –
    "Een tuin in de zee," schreeuwt hij haar toe. "Een tuin in de zee! Zoals ik al zei!! Met een mast, een vlag, een hoed en zonnebloemen!
    – Maar jij hebt dat alles weer niet gezien! Want jij bent achterlijk. – Mateloos achterlijk..!!!"
    Zijn moeder blijft onbeweeglijk zitten, uit voorzorg, anders vangt ze misschien nog een klap van de schep op...
    Even later schuift een wolk voor de zon en alles op het strand wordt stil en vadsig.
(Wordt vervolgd met nog twee afleveringen).



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens