zaterdag 21 juli 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Brand In De Kachel - Afl.1 van 4
Gepubliceerd op: 24-03-2011 Aantal woorden: 2104
Laatste wijziging: 15-02-2018 Aantal views: 1518
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Brand In De Kachel - Afl.1 van 4

Henk Gruys



Een scenario

E E N



Men ziet beelden van de hoofdstad in regen; het voorbijglijden van een oude film: zwartglimmend asfalt, donkere huizen en grauwe luchten. Soms, alleen zichtbaar door de cameralens: de wielen van passerende fietsen en de weerschijn van rijdende auto's in ondiepe plassen. Of een winkelstraat, vanachter de glazen deur gezien, de zwarte regenschermen van het koopzuchtig publiek in glanzende jassen. Woensdag-marktdag, Een tram giert door de bocht.

Maar genoeg is genoeg: het is een doordeweekse dag, een gewone onzindag, een ordinaire rotdag eigenlijk, (wat komt er nog meer?)
Volgende.Grachtenhuis uit een rij ongelijke, hoge gevels, hijsbalkjes tegen de lucht en verder alles van zo'n dure gracht; is dat niet specifiek Hollands?.. . En pand wat voorutstekend. Dubbele hardstenen stoep, glimmend natgeregend; de ijzeren leuningen donkergroen, bijna zwart.
Een hoge benedenkamer. Hier waart de geschiedenis van koloniale eeuwen rond op kousevoeten. Aan de wanden kostbare olieverfschilderijen en gobelins. Minder om ze tentoon te stellen of te bekijken, dan om ze kwijt te zijn. Oud familiebezit met verjaarde verplichtingen, eenzijdig verworven rijkdom, zonder verdienste van het heden: het beschamend tegendeel.
De grote deuren van de kamer zijn gesloten achter een meubelgordijn zoals het hoort; de parketvloer ruikt flauwtjes naar was.
Voor het raam een slanke vrouw die naar buiten staart, naar de achtergracht die met regen is bespikkeld. De maand: augustus.
De vrouw rookt een sigaret uit een lange nostalgische pijp en is gekleed in een fraaie voetvrije japon en dure satijnen blouse; meer uit delicate gewoonte dan dat zij zich opgemaakt heeft voor enige gelegenheid.
Zij staat met de ene voet op de andere en heeft haar hand hoog tussen de dijen geklemd. Ze moet een plas. Maar ze blijft voorlopig naar de regen op de klinkertjes beneden kijken, naar het flauwe druipen in de gracht met zijn olmenkruinen.
Verveelt zij zich? Is zij het nietsdoen al zo lng gewend? Ze lijkt in afwachting van iets, in voorbereiding van een betrekkelijk onbetekenende, maar dagelijkse gebeurtenis.
Door de hoge kamers schuift de tijd geruisloos voort, gelijk een grijsaard op pantoffels. Een klok laat een bimbam horen in een ander vertrek; het geluid sterft weg als een te laat ingeloste belofte.
In de marmeren hal voor in het huis vliegt meteen de buitendeur open en een man stormt binnen, lichte demi aan, hoed op; hij lijkt acteur uit een Amerikaanse B-film.
Hij kijkt woedend rond, de kaken opeengeklemd. Hij smijt razend zijn hoed in een hoek en brult:
"Godgloeiendegodver!!"
Woest ontdoet hij zich van jas en shawl, gooit ze in de richting van de paraplubak. Dit is een man die getergd is, duidelijk, maar misschien zijn dit vaste, ons nog niet bekende, moeilijk te veranderen rituelen, aanstellerij en ongemanierde, ingevreten gewoontes...
De man neemt het opstapje naar de eiken binnendeur, rukt die open en stormt naar binnen.
De deur slaat met een dreun dicht. Leegte en stilte blijven over.

In de hoge kamer kijkt de vrouw traag en laatdunkend om naar haar binnenvallende echtgenoot. Ze lijkt het tegendeel van verbaasd, en zegt op een toon van vriendschappelijke waardering: "Zo, klootzak!"
De man de vrouw is lucht voor hem beent diagonaal door de kamer, in waggelende gang. Halverwege steunt hij op het glazentafeltje en pakt een glas. Maar dat kiest liever voor een snel en kortstondig einde, het springt vanzelf tussen zijn vingers weg, uit afkeer voor zijn bleke hand zo lijkt het. En hoewel hij een poging doet het in zijn vlucht te vangen, valt het kapotdood op de vloer.
Dit brengt hem geenszins van zijn stuk. Dan maar de vaas met rozen. Die trekt hij eruit en gooit ze op de grond in een plas water. Hij loopt naar de kast waar zich achter ovale geslepen ruitjes een voorraad drank bevindt, pakt een karaf en schenkt zich de vaas halfvol cognac. De kast laat hij open.
De vrouw slaat zijn activiteiten spottend gade. De man zet de vaas aan de lippen en neemt een slok. Lodderig kijkt hij om naar het raam, zet de vaas langzaam terug op tafel, zonder te kijken, maar ook zonder hem los te laten.
Vervolgens wil hij hem weer aan de mond zetten, maar stopt. Hij ruikt aan de vaas. Snuift aan zijn vingers. Zet de vaas neer, pakt de cognacfles en ruikt daaraan. Zet de fles op tafel, buigt zich voorover naar de kast en ruikt ook daaraan.
Wat nu? Hij snuift de lucht op rondom. Ruikt aan een stoelleuning en mompelt. Ruikt aan de lege asbak op de tafel. Binnensmonds vloekend kijkt hij om zich heen.
Hij gedraagt zich of hij heel alleen is. Steeds vlugger ruikt hij aan de meubels, de Jugendstil-lamp boven tafel en aan kleine voorwerpen onder zijn bereik. Een gestoorde in toenemende opwinding kan zich niet z extatisch voordoen als hij.
De vrouw volgt zijn handelingen niet langer met spot, eerder met weerzin. Ten einde raad roept ze, met een stem laag van intonatie door ergernis en ongeduld: "Wat lul je nou toch man!!"
De man keert zich om in woede: "Het stinkt hier! Smerige stank! Wordt hier nou nog schoongemaakt of hoe zit het!"
De vrouw, die zich enigszins hersteld heeft van haar irritatie, draait zich naar het raam en antwoordt op een toon of zij iets opleest:
"Sinds jouw binnenkomst vind ik ook dat het stinkt. Krijg toch de PEST!"
De man zegt: "De hele week werk je je de pleuris om de centen te verdienen, RIJD JE HONDERDEN KILOMETERS OVER DE DRUKSTE WEGEN VOL ONGELUKKEN en wat krijg je als welkom thuis? STANK VOOR DANK "
De vrouw reageert niet, staart onaantastbaar uit het raam.
De man slaat haar korte tijd bewegingloos gade... een wassen beeld, wat is hij van plan?....
...Of hij is niets van plan... Gaandeweg dringt in zijn uitdrukking iets anders door. Alsof hij niet langer naar haar kijkt, maar ergens naar luistert, een ver en zwak signaal, een gerucht, dat niettemin nogal verontrustend overkomt...
Maakt dan tenslotte een wegwerpend gebaar. Gaat bij zijn schilderijen staan, om ze recht te hangen, omdat zulke slordigheid, zo als iedereen weet, afbreuk doet aan hun zeggingskracht. Maar meer dan een pose is het niet.
Draait zich weer om. Achter haar rug begint hij nu de meest verschillende gezichten tegen de vrouw te trekken; maakt met de vingers horentjes op zijn hoofd, trekt huppelend een lange neus, en doet of hij in haar richting watert. Tenslotte tilt hij zijn been op of hij een wind laat en imiteert perfect de koeienveest.
De vrouw aan het raam zegt met slome stem: "Hh!" En dan luid: "Geen wonder dat het hier stinkt!!
Nu ontsteekt de man in woede. "OLIE!" brult hij, en wijst naar het raam. "Diesel is het! Daar stinkt hier alles naar! Smerige stank! Net of ik daar al niet voor heb gewaarschuwd!"
De vrouw wendt zich vermoeid af over zoveel weerspannigheid. "Krijgen we nou dat weer! En dan als bijna zingend: De vloer is in de was gezet!"
De man is nog lang niet helemaal zichzelf; slordig steekt hij zich een sigaret tussen zijn lippen en hoest die met gesloten ogen weer uit op de vloer. Hij buldert: "Houd je smoel of ik flikker je het raam uit!"
"Dat kan niet eens open! Lummel!"
"Brst jij!"
Hij zendt haar nog een laatdunkendheid toe en loopt weg richting deur. Maar halverwege draait hij zich om. Met zijn hoofd enigszins gebogen, kijkt hij naar haar, ook een beetje scheef op zijn benen. Hij heeft hij een vreselijk gelaat, verwoest door drank en liederlijkheid, met zulke oogwallen dat hij wijlen Duke Ellington naar de kroon steekt.
Maar hij lijkt niets meer te kunnen verzinnen. Toch moet het in de kamer naar iets stinken, want plotseling moet hij niezen, waarbij hij de armen spreidt, alsof hij anderen uit zijn buurt moet waarschuwen.
En 't is gek, erna ziet hij telkens een filmbeeld. H a t s h o e ! ! ! Een enorme brand!
H a t s h o e ! ! ! Een explosie in een vuurwerkopslag! H a t s h o e ! ! ! Een bruisende stortvloed! H a t s h o e ! ! ! Een geheel naakte vrouw! Het is er een moment en weer weg.

Er valt een stilte, waarin even niets gebeurt. Zulke pauzes komen vaker voor in een kamer, zelfs als daar meerdere personen zijn, meestal zonder dat dat veel te maken heeft met de voortgang. Dat hoeft althans niet. Op zulke momenten bezinnen de personen zich namelijk op acties, vragen zich af hoe ze zullen anticiperen op de omstandigheden en postities die hun te wachten staan, en schatten daarbij hun kansen. Een time-out waarbij iedereen aan zijn eigen gedachten genoeg heeft, en men alleen maar luistert naar de stilte om zich heen.
Gezellig stel die twee, de man doet nog een paar passen naar voren, zodat ze tegenover elkaar staan en de een de ander diep in de ogen kan kijken. Maar vechten of elkaar op de wangen meppen doen ze al jaren niet meer.
Een van de zeven crucifixen valt vanzelf van de muur. De man krimpt van de klap ineen, alsof er een aanslag werd gepleegd. Maar als er verder niets gebeurt, kijkt hij om.
"Die god van jou moet zich er ook weer zo nodig mee bemoeien."
De vrouw snuift minachtend en zegt ernstig: "Pas jij maar op mannetje. Pas jij maar op mannetje!"

Twee keer hetzelfde dus. Pas jij maar op mannetje. Hahaha! Dat kn soms sterk zijn, maar hier is het zwak. Eigenlijk had zij dan ook iets anders willen zeggen, iets verpletterends, iets waar geen enkel weerwoord op past. Bijvoorbeeld roepen: "Mijn echtgenoot blaast op een toeter in een band. Ach ach, z moet hij zijn centjes verdienen, want iets anders kan ie niet! Maar aan praatjes geen gebrek. En nergens enig benul van!" Maar de juiste woorden kan zij niet vinden.
Meestal wordt verbale machteloosheid veroorzaakt door afleiding, totale verbijstering... En natuurlijk uit boosheid, waarvan hier zker sprake is, omdat de vrouw weet dat de man haar zojuist heeft geraakt op een gevoelige plaats.
Nu ja de religie... daar zullen we verder maar geen woorden aan vuil maken. Iemand heeft ooit gezegd: Er zijn woorden die opstijgen als een vlam en andere die neervallen als regen.
Overigens, zouden die twee gemerkt hebben dat buiten de regen is opgehouden en de zon buitengewoon schel doorbreekt? Beiden luisteren nog steeds naar het verre rumoer omdat ze niet anders kunnen. Want al een hele tijd vliegt er een zware machine boven de stad. Hij beschrijft de ene bocht na de andere, in steeds nauwere cirkels; de zon blinkt op zijn romp van aluminium. Soms verwijdert hij zich, maar dat is schijn, want daar keert hij alweer om. Het toestel op zijn geheimzinnige rondes nadert, het heeft een lichtrode staart, het komt in flauwe duikvlucht uit de wolken tevoorschijn.
De man en de vrouw staan nog steeds tegenover elkaar. Op het toenemend motorlawaai gaat de man traag de rok van de vrouw optillen, alsof hij naar haar benen wil kijken. Maar als het vliegtuig met zijn angstwekkend gedreun dichtbij komt laat hij de rokzoom weer vallen tot normale hoogte. "Nou, dan niet!" roept hij vol ergernis en loopt weg de kamer uit.
(Wordt vervolgd met nog drie afleveringen).




Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en Ren Claessens